CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2020

Nola: Ecce nunc Benedicite I - Sacramento Laudes - Tristes erant Apostoli il tempore Paschali - Stabat Mater - Homo et Angelo dialogo - Ecce nunc Benedicite II

Marchitelli: Sonate nr. 11 in a

Cappella Neapolitana o.l.v. Antonio Florio
Dynamic CDS7853 • 74' •
Live-opname: 17 april 2019, Penderecki Hall, ICE Krakow Congress Centre, Krakow (Polen)

   

Ondanks het onoverzienbare discografische aanbod is er nog steeds ruimte voor ontdekking of herontdekking. Dat geldt uiteraard vooral voor de Oude Muziek, want zij bestaat bij de gratie van eeuwen. Wat geldt voor zowel werk van bekende als van (vrij) onbekende componisten. Zij het dat het begrip ‘onbekend' wel met een paar korrels zout moet worden genomen omdat er doorgaans wel iets uit het verleden in het heden is doorgesijpeld.

Van Domenico Antonio Nola zijn slechts weinig biografisch gegevens over zijn aardse bestaan te vinden. Nola zou kunnen verwijzen naar het gelijknamige plaatsje, zo'n dertig kilometer van Napels verwijderd, maar het staat vast dat hij niet daar, maar in Napels is geboren. Zijn ouders waren Tomaso Nola en Laura Rossi. Een geboortejaar hebben we ook: 1642, ongetwijfeld en zoals zo vaak opgediept uit het doopregister.

Zijn muzikaal talent moet reeds vroeg zijn herkend, want hij was pas tien toen hij werd toegelaten tot het Pièta dei Turchini, het plaatselijk conservatorium. Daar zwaaide een belangrijke Napolitaanse componist en uitvoerend musicus de scepter: Giovanni Salvatore, die nog had gestudeerd bij Erasmo Di Bartolo en die later de leraar zou worden van Francesco Provenzale, naast nog een groot aantal zeer getalenteerde en later belangrijk geworden musici. Niet duideliijk is waarom Nola het conservatorium pas 18 jaar later vaarwel zei, op 28 juni 1670, waarna hij prompt werd benoemd tot hoofdorganist van de stedelijke kathedraal. Mogelijk heeft hierbij een rol gespeeld dat Salvatore zelf een van de weinige organisten was die het op kon nemen tegen de grote virtuoos Girolamo Frescobaldi en die de zeer getalenteerde en ongetwijfeld net zo virtuoze Nola als zijn protégé voor die benoeming naar voren wist te schuiven.

Rond diezelfde periode bekwaamde Nola zich in het componeren van gewijde muziek en verbond hij zich aan het ‘Oratorio dei Girolamini', dat recht tegenover de kathedraal was gelegen. Hij moet zich rond die tijd tevens tot priester hebben laten wijden, want in documenten uit die tijd werd hij aangeduid met ‘Don Antonio Nola'. Na zijn dood liet Nola zijn gehele oeuvre na aan het Oratorio, bestaande uit zo'n 150 werken, ontstaan tussen 1669 en 1713 (vandaar het vermoedelijke sterfjaar, wat dan tevens betekent dat hij tenminste 71 jaar moet zijn geworden, zeker in die tijd een zeer respectabele leeftijd).

Op dit album – het zijn zonder uitzondering wereldpremières – zes ongepubliceerde werken van Nola: vijf motetten, een dialoog en een Stabat Mater. Alle manuscripten werden aangetroffen in de muziekbibliotheek van het Oratorio. Ertussen gevoegd van Pietro Marchitelli (1643-1729), een in hoog aanzien staande tijd- en plaatsgenoot van Nola, een sonate waarvan het originele manuscript is verdwenen, maar waarvan in de bibliotheek van het conservatorium wel een uit 1743 daterend afschrift werd bewaard. Die kopie omvat in totaal 14 triosonates van de hand van een van de belangrijkste Napolitaanse vioolvirtuozen: Petrillo, zoals zijn bijnaam luidde. Uit aantekeningen blijkt dat het afschrift tussen augustus en september 1743 moet zijn ontstaan en dat het bestemd was voor de leerlingen van het Sant´Onofrio conservatorium, ongetwijfeld ter lering en vermaakt. Petrillo veroorloofde zich daarbij overigens forse ingrepen: hij verdubbelde niet alleen de vioolpartij maar voegde er bovendien extra instrumenten aan toe, waardoor het meer weg had van het concerto grosso dan van de oorspronkelijke sonate. Wat gelukkig niet wegneemt dat Petrillo voor een smaakvolle instrumentatie heeft gezorgd.

Dit zijn geen a capella koorwerken, maar koorzang die is verrijkt met een instrumentaal ensemble (met inbegrip van het basso continuo). Het door Antonio Florio, dirigent en artistiek leider van Cappella Neapolitana, uitgevoerde revisiewerk heeft, voor zover ik dat kon opmaken, betrekking op het reconstrueren van ontbrekende noten. Van de toelichting werd ik op dit vlak niet veel wijzer. Wel was het in die tijd gebruikelijk om de partij voor het basso continuo niet geheel uit te schrijven, maar te volstaan met slechts een beperkt aantal richting gevende noten. In het algemeen laat zich dit vrij gemakkelijk herleiden en te meer door het sjabloonachtige karakter ervan (vaak golden bovendien dezelfde opgetekende noten voor meerdere verzen).

Dat dit ensemble in dit repertoire is gespecialiseerd wordt al op slag duidelijk. Hier 'ademt' de historiserende uitvoeringspraktijk en de daarvoor vereiste techniek. Waarmee nog niet alles is gezegd, want ook het spirituele gehalte en de gloed van deze vertolkingen zorgen voor een indrukwekkende verkenning van deze schitterende, religieus-evocatieve muziek. De omvang van de vocale en instrumentale bezetting is bescheiden genoeg voor het realiseren van een strikt heldere stemvoering en een ideale balans. Met slechts twee sopranen, alt, tenor en bas wordt zoals solistisch als ripieno het vocale optimum bereikt, afwisselend aangevuld door de zes violen, altviool, cello, contrabas, klavecimbel, orgel, harp en theorbe. Het staat niet expliciet op het doosje vermeld, maar het betreft een live-opname, die overigens ver van huis werd gemaakt: in de Penderecki-zaal van het congrescentrum in het Poolse Krakow. Het klinkt er zeker niet minder om.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links