CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2019

Mozart: Pianotrio KV 442 (voltooid door Robert Levin) - Pianotrio in G, KV 496

Robert Levin (piano), Hilary Hahn (viool), Alain Meunier (cello)
Le Palais des Dégustateurs PDD020 • 59' •
Opname: maart 2016, Château de Vosne-Romanée (F)

   

Het staat vaag in mijn herinnering: Marius Flothuis (1914-2001), de vooraanstaande musicoloog, componist en artistiek leider van het Concertgebouworkest, rubriceerde ergens in de jaren negentig een groot aantal onvoltooide werkjes van Mozart. Het betrof doorgaans niet meer dan fragmenten of wat ruwe schetsen, maar ‘Flot' (voor vrienden en bekenden) vond ze belangrijk genoeg om ze samen te brengen op wat uiteindelijk twee cd's zouden worden. Ik herinner me nog een telefoongesprek met hem, waarin hij er geen enkel misverstand over liet bestaan dat hij geen voorstander was van reconstructies of voltooiingen.

Ik heb mijn archief nagepluisd en vond uiteindelijk dat dubbelalbum uit 1993 van het allang niet meer bestaande label Emergo Classics, een uitgave die tot stand was gekomen in samenwerking met de NCRV. Het betreft 28 stukjes die in 1992 zijn opgenomen in de studio van de toenmalige NOB (Nederlands Omroep Bedrijf). De uitvoering was in handen van het Nederlandse Solisten Ensemble. Met dit album ontstond een waardige, maar niet per se noodzakelijke aanvulling op de toch al rijk geschakeerde en zeer ruim bemeten Mozart-discografie.

De aanleiding tot deze bespiegeling is de cd die mij onlangs spontaan werd toegestuurd: W.A. Mozart – Three Unfinished Movements for Trio K 442 completed by Robert Levin, aangevuld met het (complete) Trio in G, KV 496. Het geval wil dat die drie onvoltooide deeltjes die samen KV 442 vormen - ja, hoe kan het ook anders - ook bij Flothuis voorkomen, zij het dat de totale tijdsduur daarvan niet meer bedraagt dan 10 minuten en 30 seconden. Voor Levin daarentegen golden die alleen maar als uitgangspunt voor zijn voltooide versie, wat uiteindelijk een stuk opleverde van in totaal maar liefst 30:23 minuten (12:20 + 6:42 + 11:21 minuten). Liet Flothuis het bij het originele materiaal, Levin daarentegen pakte dus stevig uit.

Hoe zit het eigenlijk met dit trio (voor piano, viool en cello)? Het staat in de Köchel-catalogus vermeld onder nr. 443 en staat te boek als stammend uit 1783. Waarop dat jaartal is gebaseerd blijft echter onbesproken. Vaststaat dat abbé Stadler een bekende leerling van Mozart, na de dood van de componist in 1791 de drie fragmenten - blijkbaar met de gedachte dat de drie deeltjes onverbrekelijk bij elkaar hoorden - eigenhandig heeft voltooid.

Bij nadere beschouwing blijkt nu juist dat die drie deeltjes geenszins met elkaar in verband kunnen worden gebracht. Of anders gezegd: ze horen niet bij elkaar, al is er bij twee deeltjes wel sprake van een zekere mate van overeenkomst, maar dan alleen wat de toonsoort betreft: een Allegro in d (door Stadler tot openingsdeel gepromoveerd) en met als finale een Allegro in D. Het derde fragment, door Mozart zelf genoteerd als Tempo di Menuetto, staat in C.

In welke tijdsperiode ze geplaatst dienen te worden is evenmin helder. De ene musicoloog ziet in de grandeur, schoonheid en compassie aan het begin van het Allegro in d vooral een sterke overeenkomst met de door Mozart in 1786 gecomponeerde trio's, terwijl weer een ander vindt dat sprake is van een (aanmerkelijk) vroegere datum.

Over de oorsprong van het menuet lopen de meningen eveneens uiteen, hoewel er wel voldoende aanleiding is om te veronderstellen dat het deeltje in eerste instantie was bedoeld als finale van het trio in G, KV 496 (dat in zijn uiteindelijke vorm een waardige plaats heeft gekregen op deze cd). Mozart liet het bij 151 maten en Stadler completeerde het met als nieuwe tempoaanduiding Andantino.

Het Allegro in D plaatste Stadler als slotstuk, maar het had net zo goed het openingsdeel kunnen zijn. Het is overigens het minst boeiende deeltje van de drie. De oorspronkelijke datering ervan is onbekend.

Na Stadler is er dus nu Robert Levin, een van de belangrijkste hedendaagse Mozart-experts en tevens een in hoog aanzien staande toetsenist. Hij kent de materie als het ware van binnenuit en heeft veel ervaring opgedaan in de historiserende uitvoeringspraktijk.

Evenals Stadler werd uiteraard ook Levin geconfronteerd met niet meer dan wat achtergebleven fragmenten. Dat maakt zijn voltooiingsarbeid net zo arbitrair als die van zijn voorganger Stadler.

Het voert veel te ver om de overeenkomsten en verschillen tussen de beide voltooide versies hier uitgebreid aan de orde te stellen, maar ik wil er wel een treffend voorbeeld van geven. In dit geval het Allegro in d, dat volgens Stadler moest eindigen in D (groot),wat Mozart echter doorgaans niet deed: hij hield juist de kaarten stevig tegen de borst door de transitie van d-klein naar D-groot voor de finale te reserveren (dat had immers het meeste effect). Levin weet dat en laat het stuk, uiteraard tijdens het verdere verloop daaraan aangepast, keurig eindigen in mineur. Het is slechts een willekeurig voorbeeld van een van de talloze verschillen. Het resultaat van al die inspanningen (Stadler, Levin) is en blijft echter dat de toehoorder achterblijft met prachtige muziek waarvan hij niet weet wat nu precies van Mozart en wat van de 'anderen' is. Tenzij hij de partituur erbij neemt natuurlijk.

Dat ligt gelukkig anders bij het echte juweel op deze cd, het fonkelende Trio in G, KV 496, door Mozart in zijn geheel uitgeschreven en daarom authentiek. Dit was bovendien - in zijn beleving - zijn eerste echte trio, want wat hij eerder op dit gebied had gepresteerd noemde hij ‘divertimento', om precies te zijn: ‘divertimento voor klavecimbel of fortepiano', met een dominante rol weggelegd voor een van beide toetsinstrumenten (ten opzichte van de twee strijkinstrumenten).

Dat beeld kantelt echter behoorlijk in KV 496, want daarin zijn de drie partijen evenwichtig verdeeld en wordt aan iedere partij veel meer autonomie gegund. Uit het door Mozart gedane voorwerk blijkt overigens dat hij het werk in eerste instantie alleen voor de piano had bedoeld, maar dat hij uiteindelijk heeft omgewerkt tot de vorm zoals we het nu kennen: het pianotrio. Het sterk dialogiserend karakter van het stuk kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen, maar had zijn oorsprong in het twee jaar eerder gecomponeerde pianokwintet, de twee pianokwartetten en niet te vergeten een groot aantal pianoconcerten (nrs. 11-24).

Wat de uitvoering van de beide werken betreft kan en mag ik kort zijn: die is in handen van niet alleen drie topmusici, maar bovendien drie rasechte ‘mozartianen'. Met de kanttekening dat ik het nogal verbazingwekkend vindt dat Levin voor deze opname geen gebruik heeft gemaakt van een uitgelezen fortepiano en dat daarover in het cd-boekje met geen woord wordt gerept. Als je toch authentiek bezig wilt zijn...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links