CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2019

 

Wolfgang Amadeus Mozart - 'Sonate all'Epistola' - Church Sonatas

Mozart: Kerksonates KV 67-69, 144-145, 212, 224-225, 241, 244-245, 274, 328, 336 - Adagio en Fuga in f, KV 594 (Ein Stück für ein Orgelwerk in einer Uhr) - Fuga in g, KV 401 - Klavierstuk in C, KV 33B

Gerard de Wit en Bert Augustus (orgel), Dutch Baroque Orchestra (Noyuri Hazama en Elise van der Wel, viool; Petr Hamouz, cello; Alon Portal, contrabas; Kim Stockx, fagot)
Dutch Baroque Records • 79' •
Opname: 2016 en 2018, Sint-Martinuskerk,Sint-Oedenrode

www.dutchbaroque.nl/dutch-baroque-orchestra/

 

Op 18 oktober 1771 schreef de 21-jarige Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) vanuit Salzburg aan zijn vader: ‘In mijn ogen en oren is het orgel de koning der instrumenten'. Tijdgenoten roemden zijn improvisaties op het instrument, maar toch is er geen enkel zelfstandig orgelwerk (al is er wel 'Ein Stück für ein Orgelwerk in einer Uhr' KV 594, dat ook op deze cd weerklinkt, naast een - tevens bewerkte - 'Fantasie für Flötenuhr' KV 608) van zijn hand overgeleverd. Wat we wel hebben zijn de kerksonates, gecomponeerd voor orgel en strijkers,

Mozart componeerde de veertien sonates in Salzburg in de periode 1772-1780. Hij begon eraan op zijn zestiende, de laatste voltooide hij op zijn vierentwintigste. Deze ‘sonates all'epistola' dienden als muzikaal intermezzo tijdens de kerkdiensten in de Salzburger Dom.
Het is weliswaar een jeugdige Mozart die we horen, maar zijn meesterschap is desalniettemin onmiskenbaar. Dat blijkt niet alleen uit deze kerksonates, maar ook uit andere kerkelijke werken die hij rond die tijd componeerde, waaronder de Credomis KV 257, de Piccolominimis KV 258, de Orgelsolomis KV 259 (1776) en - de bekendste van alle - de Kroningsmis KV 317 (1779), met als waardige hekkensluiter in die periode de Vespera solennes de confessore KV 339 (1780).

Aartsbisschop Colloredo (Mozart was bij hem in dienst) hield van opschieten: de mis mocht vooral niet te lang duren en na hoogstens zo'n driekwartier moest het echt afgelopen zijn. Dat betekende dus tevens dat de muzikale tussenspelen niet al te veel tijd in beslag mochten nemen. Vandaar dat deze sonates ten hoogste zo'n zes minuten duren (de kortste slechts ruim twee minuten). Het ligt misschien voor de hand om daarover enigszins laatdunkend te doen, maar dat is ten onrechte, want beknoptheid betekent bij Mozart zelden of nooit routineus afraffelen. Hij was typisch zo'n componist die zelfs van heel weinig basismateriaal toch veel wist te maken, in kwalitatief opzicht zich slechts zelden gebonden voelend aan vorm, inhoud of gelegenheid.

Hoe die uitvoeringen toen verliepen weten we niet, maar het is aannemelijk dat van de zes in gebruik zijnde Dom-orgels er afwisselend twee tijdens de misliturgie werden gebruikt: het Epistel- en het Evangelieorgel, uiteraard in middentoonstemming. Dat past overigens ook bij de in de partituur door de componist opgetekende toonsoorten: nergens staan meer dan drie kruizen of mollen.

De aangebrachte lichte, zelfs zonnige toets in deze sonates (ze staan zonder uitzondering in majeur genoteerd) benadrukt weliswaar de mozartiaanse lichtheid, maar die mondt nergens uit in oppervlakkigheid. Integendeel, alle zeventien sonates geven ondanks hun compactheid de indruk van pure meesterwerkjes (en niet alleen in dit genre!). Wat we bij de latere pianoconcerten nog gaan zien treffen we ook in zijn latere kerksonates aan: de geleidelijk aan zelfstandiger wordende rol van het solo-instrument zonder daarbij het instrumentaal ensemble tekort te doen. In de Kerksonate in F, KV 336 (track 16 op deze cd) is zelfs sprake van een pure vorm van concertare, heuse wedijver tussen orgel en ensemble.

Ik moet ver in mijn herinnering teruggaan voor een even fraaie uitvoering van Mozarts kerksonates, toen op Decca met Peter Hurford op het Blank-orgel van de Bethlehemkerk in Papendrecht, spiritueel bijgestaan door de Amsterdam Mozart Players, een ensemble dat – de naam zegt het al – in het Mozart-repertoire gepokt en gemazeld is. De enige concessie – als het die naam althans verdient – is dat niet op authentieke instrumenten wordt gespeeld en de 'moderne' stemming wordt aangehouden.

Het door Gerard de Wit in 2015 opgerichte en door hem geleide Dutch Baroque Orchestra speelt wel op authentieke instrumenten of replica's daarvan: het boekje geeft daarover helaas in detail geen uitsluitsel, maar wel komt de dispositie van het gebruikte Smits-orgel in de Sint-Martinuskerk in Sint-Oedenrode aan bod. De vaste kern van het ensemble bestaat uit internationale barokspecialisten, musici die zich hebben toegelegd op de zeventiende- en achttiende-eeuwse muziek. Als de bezetting dit vereist worden aanvullend musici aangezocht die het conservatorium (soms net) achter zich hebben. Eigen bronnenonderzoek en de musicologische interpretatie daarvan maken deel uit van de historiserende uitvoeringspraktijk die het ensemble hoog in het vaandel heeft.

In de jaren zestig en zeventig, maar deels ook nog in de jaren tachtig, had iedereen niet alleen de mond vol van de ‘authentieke' uitvoeringspraktijk (en uiteraard de daarbij behorende ‘authentieke' instrumenten), maar vertoonden veel voorstanders en uitvoerders ervan nogal dogmatische trekjes. Dat het zo moest en dat het niet (meer) anders kon (of zelfs mocht). Er ontstond daardoor een weinig verheffend schisma tussen het ‘vernieuwende' (lees: die nieuw gewonnen uitvoeringspraktijk) en het ‘traditionele' (lees: de 'gewone' symfonieorkesten, maar ook de kleinere, niet daarin gespecialiseerde ensembles). Het feestje begon zo ongeveer met die roemruchte uitspraak van Frans Brüggen, vaak in deze kolommen aangehaald: dat iedere noot Mozart gespeeld door het Concertgebouworkest een regelrechte leugen was. Het paste naadloos bij de door de Notenkrakers in 1969 begonnen ‘revolutie' tegen de gevestigde orde, de elite, het bestuur van het Concertgebouworkest.

Historiserend te werk gaan: er is werkelijk niets mis mee, maar het moet toch vooral geen dogmatische trekken vertonen of in interpretatieve starheid verzanden. Er moet ruimte zijn en blijven voor verschillende opvattingen, voor nieuwe ideeën, de erkenning ook dat weinig tot niets gegoten is in beton. Muziek moet léven en niet tot een museale functie worden gedegradeerd.

De historie van instrumentenbouw en uitvoeringspraktijk gebruiken om nieuwe bruggen naar de toekomst te slaan is en blijft zo niet voor de hand liggend, dan toch de meest aangewezen weg. En van dat zo rijke verleden weten we gelukkig heel veel. Wie alleen al een blik is gegund in de muziekbibliotheek van barokspecialisten als Ton Koopman en Jos van Veldhoven zal versteld staan van het grote aantal muziektheoretische uitgaven – nog in hun originele banden - uit alleen al de zeventiende en achttiende eeuw. Het is die ondeelbare triptiek van muziektheorie, instrumentenbouw en muziekpraktijk die het merendeel van het bronnenonderzoek domineert. Terwijl er qua repertoire nog steeds ontdekkingen worden gedaan.

Voor deze nieuwe opname van Mozarts kerksonates koos Gerard de Wit naast het orgel voor het instrumentaal ensemble zoals dat in Mozarts dagen gebruikelijk was: slechts twee violen voor de melodische hoofdstroom, aangevuld door basso continuo, bestaande uit cello en contrabas, en (ad libitum) fagot. De stemming van A = 427-430Hz bleek niet haalbaar: het Smits-orgel is verankerd op A = 415 en het was dus deze stemming die ook door de instrumentalisten werd aangehouden. In de solostukken werd De Wit bijgestaan door Bert Augustus, de vaste organist van de Sint-Martinuskerk in Sint-Oedenrode. Niet toevallig vertoont de ruime akoestiek daarvan duidelijk karaktertrekken van die van de imposante Salzburger Dom (tevens vaak genoeg in diverse opnamen vastgelegd om een redelijke vergelijking mogelijk te maken).

Niettegenstaande het reeds genoemde en geroemde Decca-album van Peter Hurford en de Amsterdam Mozart Players lijkt het mij toch dat Gerard de Wit cum suis binnen de kaders van de historiserende uitvoeringspraktijk voor een nieuwe referentie hebben gezorgd, waar dan ook nog de niet minder briljante uitvoering (en dito afwisseling!) van de drie solostukken (met Augustus als de perfecte partner van De Wit) bijkomt. Een paar spelfouten daargelaten (‘quarte' in plaats van ‘quatre' en ‘pedal' in plaats van ‘pedaal') geven de door Gerard de Wit en Bert Augustus zelf verzorgde toelichtingen extra cachet aan het geheel. Een uitgave om van te likkebaarden!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links