CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2018

 

Mozart - Sonatas for Fortepiano & Violin Vol. 1

Mozart: Vioolsonate nr. 23 in D, KV 306 - nr. 21 in e, KV 304 - nr. 34 in A, KV 526

Isabelle Faust (viool), Alexander Melnikov (fortepiano)
Harmonia Mundi HMC 902360 • 66' •
Opname: augustus 2017, Teldex Studio, Berlijn

   

Ik schreef het al in november 2014, in de afrondende bespreking van de opname van Mozarts complete vioolsonates (en variatiewerken) door het duo Rachel Podger en Gary Cooper op het Channel Classics label: dat het een lastige kwestie is en blijft hoe deze muziek het beste recht kan worden gedaan. Terwijl niemand de wijsheid echt in pacht heeft.

Raadsel
Wat blijft verbazen is die vlekkeloze, onaantastbare schoonheid van Mozarts concepties. Wie een blik werpt op Mozarts manuscripten wordt geconfronteerd met een toonbeeld van netheid en orde, met slechts incidenteel een verschrijving. De snelheid waarmee Mozart zijn muzikale gedachten niet alleen op papier zette, maar bovendien ook in hun definitieve vorm, blijft een van de vele raadsels die deze componist omhullen. Zelfs de manuscripten van zijn grote opera's zien er uit als om door een ringetje te halen: de puurste vorm van muzikaal schoonschrift. Je zou ook kunnen zeggen dat er een ongekende spontaniteit uit spreekt. Een eigenschap overigens die we ook bij zijn grote tijdgenoot Haydn aantreffen. Hoe anders is dit bij Beethoven!

Dubbelzinnig
Die spontaniteit, de suggestie van ‘aus einem Guss', dient naar mijn gevoel ook in de uitvoering van zijn muziek door te klinken, van de frisheid en sprankeling van de Salzburgse Mozart (hoewel het begrip ‘jong' nogal relatief is bij een componist die niet ouder werd dan bijna 36) naar de rijpe expressieve gelaagdheid van de Weense Mozart. Het is aan de interpreet om de verschillen tussen de 'vroege' en de 'late' Mozart overtuigend uit te lichten. Substantieel of subtiel, ze vormen de essentie van Mozarts ontwikkeling als componist en musicus (dat laatste wordt daarbij nogal eens vergeten). Zeker, hij leverde vlot op bestelling, op afroep, maar niet routineus of zich herhalend. Hij wist voor wie hij schreef en hij kende de muziekpraktijk als geen ander. Schudde hij ‘het' zomaar uit zijn mouw? Zijn enorme productie overziende: ongetwijfeld. Maar ook de overgeleverde manuscripten bewijzen het. Wat hem overigens nooit heeft belet om ondanks alle verfijning de menselijke ziel in zijn muziek te laten spreken. Het raffinement stond niet op zichzelf, nooit. De filigrane schaduweffecten zijn veel meer dan slechts een afbakening tussen majeur en mineur. Sterker nog, ze zijn er ook in majeur, terwijl in mineur met evenveel recht (en betekenis!) een vrolijke schittering niet hoeft te ontbreken. Het ambigue karakter van deze muziek is onmiskenbaar. Ook dat dient in een vertolking een rol van betekenis te spelen. En dat is niet alleen een kwestie van toonsoorten, maar ook van articulatie, frasering, accentuering, harmonie, zelfs ritme. Wie als vertolker weinig affiniteit heeft met Mozarts schier oneindig gedifferentieerde metrum heeft in deze muziek werkelijk niets te zoeken.

Traditie
Het is lastig om te bepalen hoe Mozarts tijdloze muziek (wie ervaart haar anders dan dat?) zich tot het begrip ‘uitvoeringstraditie' verhoudt. Want traditie is niets anders dan overlevering, het in dit geval overdragen van een bepaalde speelwijze van de ene op de andere persoon of generatie. Niet dat het daarmee tot in detail onwrikbaar vast hoeft te liggen, maar wel dat specifieke stilistische kenmerken zich onveranderlijk in de tijd kunnen voortzetten. Traditie als gewoonte, omdat het altijd al zo is geweest. Mahler legde de vinger op de zere plek: “Was ihr Theaterleute Tradition nennt, das ist Bequemlichkeit und Schlamperei." Of deze iets minder bekende variant: "Es gibt keine Tradition, nur Genius und Stupidität."

Speelstijlen
Het volgen van een traditie heeft inderdaad iets van gemakzucht, van nonchalance. De discografische geschiedenis bewijst echter hoe relatief de uitvoeringstraditie daadwerkelijk blijkt te zijn. Maar ook: wat wel en wat niet lang stand heeft gehouden. En aangezien we die keurig geconserveerde geschiedenis in beeld (klank) kunnen brengen, kunnen we daardoor een vrijwel volmaakt inzicht verwerven in de ontwikkeling van de verschillende speelstijlen vanaf het prille begin van de muziekregistratie. Kennis is daarbij handig maar niet per se noodzakelijk, want we kunnen de verschillen gewoon horen. Waarbij de tijdsafstand niet eens een grote of doorslaggevende rol hoeft te spelen: we horen direct het enorme (misschien zullen sommigen zeggen: groteske) verschil tussen de Beethoven van Mengelberg en die van Toscanini. Of tussen Walter en Klemperer, Furtwängler en Kleiber, Celibidache en Rosbaud. ‘Stijl' is niet iets dat onwrikbaar vastligt, in beton is gegoten en al evenmin door slechts één opvatting wordt bepaald. Het beste wat ervan kan worden gezegd is dat binnen een bepaalde uitvoeringstraditie zekere kenmerken daarvan steeds terugkeren, maar die op zich niets afdoen aan individueel gevormde artisticiteit. Dat maakt bijvoorbeeld het Hongaars Strijkkwartet dus anders dan het Busch of het Amadeus Kwartet.

Uit beeld
Met begrippen als ‘oud' en ‘ouderwets' (ze worden vaak door elkaar heen gebruikt) heeft dit allemaal niets te maken, doet zelfs ernstig afbreuk aan de betekenis van dat verleden. We zien het te gemakkelijk over het hoofd: wat daaruit is voortgekomen. De voortgaande tijd heeft er immers voor gezorgd dat toen als subliem, schitterend of ongeëvenaard werd ervaren, uiteindelijk is weggezakt of zelfs geheel en al uit het beeld is verdwenen. In de hand gewerkt door het overweldigende aanbod van opnamen uit zowel verleden als heden.

Rijk arsenaal
Het is, wat alleen al de vioolsonates van Mozart betreft, bezien vanuit dat perspectief een lange weg geweest, met in de voorste gelederen onder meer Grumiaux/Haskil, Szeryng/Haebler en Hahn/Zhu en vervolgens naar de ‘historiserende' uitvoeringen zoals wij die kennen van onder meer Schröder/Hoogland, Poulet/Verlet, Manze/Egarr, Kuyken/Devos, Leertouwer/Harada en Podger/Cooper. Een rijk arsenaal van opvattingen die ieder hun eigen bestaansrecht hebben en waarvan geen enkel duo in deze expressieve microkosmos ooit de ‘ultieme waarheid' heeft geclaimd.

Gepokt en gemazeld
Verschillen zijn er (uiteraard?) ook tussen een van de laatste aanwinsten het duo Podger/Cooper en de nieuwkomers op dit terrein, het duo Isabelle Faust en Alexander Melnikov, hoewel stevig gepokt en gemazeld in dit genre (onder meer Bach, Beethoven, Schubert). Bovendien vormen ze al jaren een duo van groot formaat. Hoewel, wat de pianist betreft had het misschien evengoed Kristian Bezuidenhout kunnen zijn, eveneens een aan Harmonia Mundi verbonden instrumentalist in het topsegment en bovendien als vrijwel geen ander thuis in de muziekwetenschappelijke aspecten van de Weense Klassiek.

Scherper profiel
Anders dan Podger heeft Faust gekozen voor een scherper geprofileerde toonvorming en accentuering, met slechts weinig ruimte voor vibrato. Hoewel het in het boekje onbesproken blijft kent ze de ‘Violinschule' van vader Leopold Mozart en heeft ze er mogelijk de interpretatieve consequenties uit afgeleid. Dat lijkt dan op het eerste gehoor te duiden op een strak gehouden vertolkingen, maar de praktijk bewijst haar gelijk in de zin van verfrissende spiritualiteit die gepaard gaat met grote ritmische precisie, kruidige dynamische nuancering en - niet alleen in de langzame delen - het streven om de lyriek voor zich te laten spreken. Het lijkt zelfs wel alsof de werkwijze van de componist als voorbeeld heeft gegolden: het bereiken van optimaal affect door uiterst geringe, maar wel zeer belangrijke transities. Het procédé vindt ook zijn weerslag in de elegantie en charme die uitsluitend voort lijken te vloeien uit de muziek zelf. Interessant is ook dat het melodische en harmonische raffinement kan verglijden in een bijna improvisatorische metamorfose, mede in de hand gewerkt door het van deze uitvoeringen afspattende spelplezier. Met Melnikov aan haar zijde betekent dat twee zielen één gedachte. Het levert een vlekkeloos. afwisselend en facetrijk samenspel op. Bovendien klinkt het alsof het duo pas kortgeleden en voor het eerst met deze sonates kennis heeft gemaakt.

Stradivarius en Walter
Maakt het veel uit waarop wordt gespeeld? Faust bespeelt haar vertrouwde Stradivarius uit het begin van de achttiende eeuw, maar daaraan moet geen overdreven betekenis aan worden toegekend. In een blindtest gingen zowel violisten als critici linea recta de mist in toen het erom ging de klank van eerst een Stradivarius en vervolgens een Guarneri van een nieuw gebouwde viool te onderscheiden. Heel anders is het gesteld met het toetsinstrument, dat qua klank (maar ook qua speelwijze) behoorlijk kan verschillen. Melnikov koos voor de in zijn bezit zijnde fortepiano die in 2014 werd gebouwd door Christoph Kern naar een voorbeeld van een eind achttiende-eeuwse Anton Walter (ook Cooper bespeelde een replica van dit instrument).

Ideale balans
Dan de opname. Ik zag in het boekje weer de vertrouwde naam van Martin Sauer en de net zo vertrouwde opnamelocatie: de studio van Teldex (niet Teldec!) in Berlijn. Het realiseren van een ideale instrumentale balans is altijd weer een heikel punt. Dat geldt niet minder voor deze sonates voor fortepiano en viool (het zijn geen vioolsonates in de gebruikelijke betekenis, met de viool vaak in een obligate rol ten opzichte van de piano: eerst bij Beethoven zou dat definitief veranderen). Kort en goed: het opnameteam heeft een waar meesterwerkje afgeleverd. De klank van de viool en de fortepiano is schitterend, de balans tussen beide instrumenten is ideaal.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links