CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2004

 

Mozart: Sinfonia concertante in A, KV Anhang 104/320e (onvoltooid) - in Es, KV 364/320d - Concertone in C, KV 190/166b/8:186e.

Vera Beths en Rainer Kussmaul (viool), Jürgen Kussmaul (altviool), Anner Bijlsma (cello).

Channel Classics CCS 3992 • 68' •


Mijn eerste kennismaking met de Amsterdam Mozart Players dateert uit het begin van de jaren negentig met Mozarts 17 orgelsonates (Decca 421297-2). Daarmee plaatste het ensemble zich prompt in de hoge regionen.

Die 'players' zijn natuurlijk niet de eerste de beste: ze zijn afkomstig van o.a. in het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Radio Kamerorkest, het Radio Filharmonisch Orkest en het Koninklijk Concertgebouworkest. Ze vormen zowel een voltallig kamerorkest (met ongeveer twintig strijkers plus de vereiste blazers) als een blaasensemble, maar kunnen uiteraard ook allerlei andere combinaties vormen (strijkkwintet, sextet, blaaskwintet, sextet, enz.) Jürgen Kussmaul is zowel violist als altist én dirigent van het ensemble. Met violist Rainer Kussmaul heeft hij de artistieke leiding over het orkest.

Jürgen is tevens altist bij het L'Archibudelli trio. De overige leden zijn Vera Beths (viool) en Anner Bijlsma (cello). Ook dit trio beweegt zich in de internationale top en heeft al menige prachtige cd op zijn naam staan (een van de vele hoogtepunten zijn de Beethoven Trio's op. 9 die door Sony werden uitgebracht).

De uit ca. 1779 stammende, onvoltooide Sinfonia concertante KV 320E is helaas onvoltooid gebleven: we moeten het doen met slechts 134 deels georkestreerde maten die dankzij musicologisch monnikenwerk van Philip Wilby uitgroeiden tot een overtuigend klinkend openingsallegro van bijna 10 minuten. Wilby baseerde zich daarbij op door de componist terzijde geschoven schetsmateriaal, maar het is uiteraard alles bij elkaar genomen niet meer dan een zo goed mogelijk gereconstrueerd en gestructureerd aantal invallen van een geniale componist.

De Sinfonia concertante KV 320 werd wèl voltooid en mag zich met KV 297b terecht in een warme belangstelling verheugen. Het op deze cd vastgelegde KV 320 is een hoogtepunt in de concertante stijl en zeker de bijdrage van de hoorns geven dit concert een bijzondere warmte die weldadig aandoet. De gepassioneerde partijen voor de soloviool en de (in D genoteerde) altviool (de solist moet zijn instrument dus verstemmen waardoor het daadwerkelijk ook in Es klinkt!) wedijveren in optima forma met het orkest en bij een juiste aanpak - zoals hier - leidt dit tot een spannend discours dat zeer aanstekelijk werkt . Het middendeel, een Andante met grote expressieve reikwijdte, valt niet ten offer aan de zo vaak gehoorde plakkerige fraseringen en dan ook nog tot overmaat van ramp een (te) traag tempo (in veel uitvoeringen is het meer een Adagio) en de finale is precies wat het ook moet zijn: een Presto dat puntig is én blijft, en dankzij de instrumentale beheersing niet kortademig wordt.

Het feestelijk karakter van de Concertone (1774) wordt nog eens nadrukkelijk onderstreept door trompetten en pauken. Het stuk is rijk aan versieringen en het concertante dualisme tussen de beide solopartijen is zeer geïnspireerd en met groot vakmanschap uitgewerkt. Er zijn zelfs solistische rollen weggelegd voor de hobo en de cello. Het Andantino is meer dan het gebruikelijke rustpunt tussen twee snelle hoekdelen: voor een 18-jarige is de hier geëtaleerde diepgang opzienbarend. De finale is in menuettempo wat evenmin alledaags kan worden genoemd.

Wat de vertolkingen op deze cd zo bijzonder maakt is het jeugdige elan en de frisheid waarmee deze muziek gestalte wordt gegeven. Dat vereist van alle partijen grote alertheid en die is er ook. U hoeft alleen maar te proeven van de doorwerking in het openingsdeel van KV 320 om daarvan op slag overtuigd te raken.

De volmaakte balans tussen de solo-instrumenten onderling en met het orkest is een lust voor het oor, al moet worden gezegd dat de akoestiek van de kerk aan het Raphaelplein te Amsterdam wat aan de harde kant lijkt wat de houtblazers qua helderheid en pregnantie in dit geval zeker bevoordeeld maar waardoor de violen naar enige scherpte neigen.

Alternatieven die in deze klasse thuishoren ken ik eigenlijk niet: Perlman, Zukerman en het Filharmonisch Orkest van Israël onder Mehta (DG) komen zeker in de buurt, maar zit het duveltje met name in de staart van de middendelen van KV 190 en KV 364 die naar stroperigheid tenderen. Diegenen die het (ook) in een historiserende benadering willen zoeken zijn het beste af met Huggett/Beznosiuk (Virgin) ondanks een bij vlagen ietwat rommelig samenspel.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links