CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2018

 

Mendelssohn - String Quartets Volume 1

Mendelssohn: Strijkkwartet nr. 1 in Es, op. 12 - nr. 6 in f, op. 80 - nr. 5 in Es, op. 44 nr. 3

Doric String Quartet
Chandos CHAN 20122(2) • 52' + 35' • (2 cd's)
Opname:december 2017, Potton Hall, Dunwich, Suffolk (VK)

 

Ik maakte er al eens eerder gewag van: dat het niet eenvoudig is om een strikte scheiding aan te brengen tussen wat als het Weens classicisme en de Romantiek wordt aangeduid. Beethoven gold bovendien als schoolvoorbeeld van de eerste componist die de conventie aan zijn laars lapte en zijn eigen weg ging, financieel gesteund door niet alleen zijn inkomsten uit zijn werk en als pianist, maar ook dankzij een netwerk van aristocratische begunstigers die hem daarbij steunde. Een componist ook die, als het hem zo uitkwam, door roeien en ruiten ging, niet gespeend was van zonderlinge trekjes, maar die wel met ferme stappen afstevende op een stijl die wij nu met de Romantiek associëren. Daaruit ontstonden stromingen waarmee we niet minder vertrouwd zijn geraakt, met in hun voorste gelederen Schubert, Schumann, Mendelssohn, Brahms, Berlioz, Richard Strauss en Mahler. Het was de negentiende eeuw van de artistieke vooruitgang, zoals we dat ook op het gebied van de opera zien, in zowel in Duitsland, Frankrijk en Italië als Rusland.

Beethovens late kwartetten
Het lijkt misschien een stevige stap, van Beethovens romantiek naar die van Mendelssohn, maar dat valt mee, met als belangrijkste verbindende schakel Beethovens late kwartetten, waarvoor Mendelssohn een diepe bewondering koesterde. Anders dan Tsjaikovski, die er niet meer in zag dan een glimp uit het verleden, met de rest als chaos, daarboven omring door ondoordringbare nevels, de geest van een muzikale jehova. Het is in die late kwartetten waarin zich het wonder voltrekt van Goethes ‘Gestaltung, Umgestaltung, des ewigen Sinnes ewige Unterhaltung'. Ze staan te boek als Beethovens minst toegankelijke composities, afwisselend wrang, triest, grotesk, humoristisch en tragisch.

Voor Mendelssohn vertegenwoordigden ze een geheel nieuwe stijl. Dat uitte zich ook concreet, in 1827, Beethovens sterfjaar, met het Strijkkwartet in a, op. 13, zijn tweede, na het kwartet in Es uit 1823 (niet te verwarren met het kwartet in dezelfde toonsoort, zijn opus 12 dat zes jaar later ontstond, maar door een speling van het lot eerder in druk verscheen en daardoor een lager opusnummer kreeg). Mendelssohn was pas 14, maar het mag dan als een jeugdwerk worden beschouwd, de grote verbeeldingskracht die het werk uitstraalt is er niet minder om. De gekozen vorm is om een door een ringetje te halen en de diverse overgangen zijn met grote zorg uitgewerkt. Waar nog de messcherpe ritmiek bijkomt die voor Mendelssohn een soort van tweede natuur is geworden.

Mendelssohn moet met argusogen Beethovens late partituren hebben bekeken, maar van navolging is desondanks geen sprake. Het lijkt eerder op ‘onderzoek het goede, maar behoudt het eigene'. Beethovens grootheid als uitgangspunt, dat wel, maar niet slechts ter navolging. Mendelssohn stak het in een brief aan de Zweedse componist Adolf Fredrik Lindblad, een voormalige studiegenoot in de compositieklas van de vermaarde Berlijnse muziektheoreticus Carl Friedrich Zelter, niet onder stoelen of banken. En evenals Beethoven koos Mendelssohn welbewust voor een waar fugatisch labyrint en daarin zijn eigen weg te zoeken, met dat gehele complex van imitatie, variatie, kreeftengang, omkering, verkorting en verlenging, vergroting en verkleining, splitsing en koppeling. Maar in tegenstelling tot Beethoven houdt Mendelssohn in zekere zin de geest net niet in de fles, terwijl zijn grote voorganger door een typische 'strengheid' zijn absolute beheersing toont. Mendelssohn laat zijn vrijheid in die zelf gekozen modellen soms net even los met als gevolg een her en der nog sprankelender resultaat. De vorm waarin dit alles vakkundig is gegoten is in feite het alles samenbindende element. In Mendelssohns eigen woorden: "Die Beziehung aller vier oder drei oder zwei oder ein Stücken einer Sonate auf die andere und die Theile, sodass man durch das bloße Anfangen durch die ganze Existens so eines Stücken schon das Geheimnis weiß... das muß in die Musik."

Romantische motieven
Met Mendelssohn zijn we - zoveel is zeker - midden in de Romantiek aanbeland. De Romantiek ook zoals we die aantreffen bij Novalis, Eichendorff en Friedrich. Novalis met zijn hymnen vol romantische motieven, met veel melancholie, verlangen naar dood en oneindigheid, met de nacht als toegangspoort tot de werkelijkheid, de nacht ook die de ogen van de ziel kan openen, met de blauwe bloem als symbool van liefde, verlangen en poëzie.
Bij Eichendorff een soortgelijk beeld, ingegeven door zijn streven om het juk van de Verlichting, die naar zijn smaak teveel is gericht op kennis en wetenschap en te weinig op de menselijke ziel en de machten der natuur, voor eens en voor altijd af te werpen. Poëzie, natuur en religie, het waren voor Eichendorff de drie sleutelbegrippen, zo fraai samengesmeed in zijn gedicht 'Mondnacht'. En daar is dan Caspar David Friedrich die met zijn schilderij ' Der Wanderer über dem Nebelmeer' uit 1818 met zijn trefzekere penseelstreken de Romantiek volmaakt in beeld brengt.

Schubert
Waar staat in deze context de componist Franz Schubert, gestorven in 1828, een jaar na Beethoven? Vooropgesteld moet worden dat de politieke en sociale gebeurtenissen die op Beethoven grote invloed hadden, bij Schubert niet of nauwelijks hun sporen achterlieten. Schubert had geen universele 'Weltanschauung', maar richtte zich juist sterk op de eigen kring en beleefde het ook zo. Waar Beethoven de mensheid als geheel wilde verheffen, desnoods het gehele universum daarvoor tot klinken wilde brengen, was hij de biedermeier die alleen geïnteresseerd was in de mens als individu binnen een intieme belevingswereld. Geen grote woorden, geen grote daden, maar simpele gevoelens van de mens van alledag, met zijn alledaagse menselijke gevoelens. Bij Schubert eerder vroege dan volbloed romantiek, al is in zijn laatste jaar de verdieping, de handreiking naar iets dat veel groter is, wel degelijk evident.

Schumann
En Schumann, die als tijdgenoot van Mendelssohn zozeer met hem was verbonden? Misschien is zijn 'Kreisleriana' uit 1838 wel het meest aansprekende voorbeeld van diens wortels in de romantiek. Het pianowerk staat bol van de fantasieën en emoties, met Johannes Kreisler, de denkbeeldige dichter uit de pen van E.T.A. Hoffmann, als de protagonist die de romantiek met de werkelijkheid verbindt. Voor Schumann gold het als een uitdaging avant la lettre, waarbij het fantastische en waanzinnige menigmaal zelfs niet eens meer van elkaar te onderscheiden zijn.
Ze waren met elkaar vertrouwd, Schumann en Mendelssohn. Er was die gedenkwaardige ontmoeting tussen Schumann en Mendelssohn op 3 oktober 1835 in de woning van Clara Wieck in Leipzig, waarin Schumann van zijn grote bewondering voor Mendelssohn als componist en musicus blijk gaf. De vriendschap tussen hen beiden werd zonder veel moeite aangezwengeld en was door de jaren heen voor hen beiden een constante factor. Ze discussieerden met elkaar over zowel muzikale als politieke en maatschappelijke onderwerpen, bezochten elkaars concerten en waren regelmatig aan de biljarttafel te vinden. Mendelssohn was de peetvader van het eerste kind van de Schumanns. Ook Fanny Mendelssohn en Clara konden het uitstekend met elkaar vinden, waarbij zich dan later ook Johannes Brahms nog zou voegen. Wat niet wegneemt dat Mendelssohn zich met Schumanns composities niet altijd op zijn gemak voelde. Zo had hij volgens de met Brahms bevriende Duitse violist Joseph Joachim nauwelijks verholen kritiek op de technische aspecten van Schumanns componeerwijze en weet hij de 'fouten' aan diens 'dilettantische achtergrond'. Maar toch was Mendelssohns waardering voor zijn goede vriend groot. In april 1843 werd in Leipzig de 'Musikhochschule' geopend, de eerste als zodanig in Duitsland, een project waar Mendelssohn veel tijd en energie in had gestoken. Hij werd directeur, maar Schumann kreeg een aanstelling als docent compositie, partituuranalyse en piano. Misschien heeft Mendelssohn die keus uiteindelijk betreurd, want als leraar bleek Schumann geen onverdeeld succes. De grote bewondering voor Schumann op het conservatorium gold eerder zijn compositorische gaven dan zijn pedagogische kwaliteiten.

Met vlag en wimpel
Het ligt voor de hand om Mendelssohn op artistiek vlak - en zijn schilderijen mogen er zeker ook toe worden gerekend - als een zondagskind te bestempelen, een gelukskind volgens de passende omschrijving van Busken Huet: 'hoe onbereikbaar scheen het beloofde land, tenzij voor enkele zondagskinderen der fortuin!' Alles ging hem met het grootste gemak af, hij slaagde altijd met vlag en wimpel, ontmoette her en der nauwelijks echte tegenstand en wist zich omringd door een grote schare vrienden en bewonderaars. Hij kwam, zag en hoefde niet te overwinnen. Een oppervlakkige levenshouding heeft dit evenwel nooit in de hand gewerkt, in tegendeel. De ernst waarmee hij zijn taken opvatte en de expressieve diepte van zijn muzikale gedachtegoed kregen al overtuigend vorm in het Eerste strijkkwartet dat hij als 14-jarige schreef. Hij moet die late Beethoven-kwartetten goed hebben bestudeerd, zelfs het motto uit het laatste, op. 135, in zekere zin letterlijk hebben genomen. Het blijkt niet meer dan een stapje, van Beethovens 'Muß es seyn? Ja es muß seyn!' naar Mendelssohn 'Ist es wahr?', de titel van een door hem in datzelfde jaar 1823 gecomponeerd klavierlied. In de finale komt dat motto uit het begin (Adagio) van het stuk weer terug: 'Ist es wahr?' Lindblad - we kwamen zijn naam al eerder tegen - kreeg het kwartet toegestuurd met de woorden 'Du wirst es im ersten und letzten Stücke mit seinen Noten, in allen vier Stücken mit seiner Empfindung sprechen hören'.

Opgewekt contrapunt
In welk jaar precies Mendelssohn kennismaakte met de late Beethoven-kwartetten is niet geheel duidelijk, maar het lijkt geen al te boude bewering om dat moment op eind 1826, begin 1827 te bepalen. Immers, het Strijkkwintet in A, op. 18 ontstond nog in 1826, in Berlijn, kort voordat de Mendelssohns introkken in een schitterende villa aan de Leipziger Straße. In dat kwintet zijn de late Beethoven-kwartetten nog heel ver weg en domineert een typisch mozartiaanse sfeer van lichtheid en transparantie, dartelende melodische invallen en ingenieus gevlochten, opgewekt contrapunt. Bijna twee decennia later ontstond pas het Tweede strijkkwintet in Bes, op. 87, tijdens een verblijf in het kuuroord Bad Soden in het Taunus-gebergte. We maken kennis met een meesterwerk, gerijpt door een jarenlange ervaring als dirigent, Generalmusikdirektor in Berlijn en directeur van het conservatorium in Leipzig. Het is een kwintet van de hand van een symfonicus, met de daarbij passende dimensies.

Octet
Evenals de kwartetten op. 44 uit Mendelssohns middenperiode' (ze zijn zonder uitzondering virtuoos, kleurrijk, romantisch expressief) zijn de werken uit zijn laatste levensjaar met meesterhand gecomponeerd: het Strijkkwartet in f, op. 80 en de twee overgeleverde delen uit op. 81, een fraai zacht oplichtend Adagio met vijf variaties gevolgd door een wervelend Scherzo (de overige twee delen betreffen een Capriccio uit 1843 en een fuga uit zijn jeugd). Het is in dat knisperende Scherzo dat bij wijze van spreken de klok heel even jaren wordt teruggezet, naar de 16-jarige Mendelssohn die een Octet componeerde dat gespeeld diende te worden 'im Stil einer Sinfonia in allen Stimmen', met 'Pianos und Fortes sehr genau und deutlich gesondert und schärfer hervorgehoben werden müßen, als es sonst bei Stücken dieser Gattung geschieht'. We horen flarden van de latere Midzomernachtsdroom (1842) al voorbijschieten, als een wervelwind. Het is wat Friedrich Nietzsche noemde,'schöner Zwischenfall der deutschen Musik'.

Doric String Quartet

Doric String Quartet
Wie getuige is geweest van de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam, gehouden van 27 januari tot en met 3 februari (waar een groot aantal zeer gerenommeerde ensembles acte de presence gaven), zal het superieure spel van het Britse Doric String Quartet niet zijn ontgaan. En nog in maart van dit jaar besprak ik van dit ensemble hun visie op Haydns zes strijkkwartetten op. 64 (klik hier, HAYDN38). En net als bij Haydn vertolkt het Doric Mendelssohns geest in een ultieme muzikaliteit, waarvan het onvoorspelbare karakter dankzij soepele tempowisselingen, haarscherpe fraseringen en fijnmazige accenten net zo deel uitmaakt als de scherp gelijnde ritmiek, de volmaakte stemvoering en de expressieve dynamiek. Op die manier deze werken ‘verstaan' is een waar feest, al is het (zesde) kwartet op. 80 dat allesbehalve, in de diep schrijnende gestalte waarin het werk is gehuld (geschreven kort na de dood van Fanny, en slechts enkele weken voor zijn eigen dood).

Dit zijn artistieke exploraties waarin bevlogen spiritualiteit en vormtechnische strengheid tot fascinerende resultaten leiden. Ver weg van ook maar de geringste routine, worden alle vezels in deze schitterende muziek hoor- en voelbaar, de vier musici (Alex Redington en Jonathan Stone, viool; Hélène Clément, altviool; John Myerscough, cello) voortdurend gedreven door de passie, de lyriek, de lichte en de donkere tinten waar deze stukken zo rijk aan zijn. Wie durft dan nog over hoogtepunten te spreken? Het is een en al hoogtepunt! Van de trackindeling op achterzijde van de cover heeft het label wel een potje gemaakt: op. 12 staat keurig gerubriceerd onder de tracks 1 t/m 4, maar op. 80 dat daarop volgt heeft de tracknummers 9 t/m 12 meegekregen. Dan wordt Compact Disc 2 aangeduid met Compact Disc One... Klein leed, dat wel...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links