CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2022

Cherubini: Ouverture Lodoïska

Beethoven: Symfonie nr. 4 in Bes, op. 60

Méhul: Symfonie nr. 1 in g

Beethoven: Symfonie nr. 8 in F, op. 93

Akademie für Alte Musik Berlin o.l.v. Bernhard Forck
Harmonia Mundi HMM 902448.49 • 1.30' • (2 cd's)
Opname: april-mei 2021, Teldex Studio, Berlijn

   

De historiserende uitvoeringspraktijk heeft in de afgelopen vier decennia althans wat de speeltechniek betreft dusdanig grote stappen voorwaarts gemaakt dat het klankbeeld dat die praktijk oproept een hoge mate van luxe heeft gekregen. Men mag zich dan daarbij de vraag stellen in hoeverre die ‘luxe' zich dan nog wel verhoudt tot Beethovens alom door zijn tijdgenoten beschreven weerbarstigheid zoals die tot uiting kwam in zowel sociaal-maatschappelijk opzicht (daar denken we dankzij het overvloedige biografische materiaal intussen wel vrijwel alles van te weten), als puur muzikaal (met alle denkbare gedachten daarachter). Als basis van zijn alleszins strijdlustig concept: de niet te ontlopen, beperkte mogelijkheden van het hem en zijn tijdgenoten ter beschikking staande orkestapparaat. Misschien was dat het wel dat hem die die zo simpele, maar in het verdere verloop zich zo verbijsterend ontwikkelende vier noten (als signaalfunctie) die het hoofdthema van het openingsdeel van de ‘Eroica' hebben bepaald. In de beperking herkent men de meester, zou je kunnen zeggen: de toenmalige beperkte hoorn- en trompettechniek leende zich desondanks voor de grootse doorwerking. Anderen meenden later dat er redenen genoeg waren om allerlei 'verbeteringen' toe te passen in Beethovens notenbeeld en orkestratie, met daarvan in de voorste gelederen Gustav Mahler en Felix von Weingartner. Jammer jammer jammer.

De huidige historiserende uitvoeringspraktijk is door de sterke verbetering van het merendeels uit replica's bestaande instrumentarium en de navenant verbeterde speeltechnieken wat betreft klankontwikkeling steeds dichter tegen de meer traditionele (‘moderne') praktijk aan gaan schuren. De verschillen zijn met de tijd kleiner geworden, de aan de muziek inherente weerbarstigheid (dat wordt nogal eens over het hoofd gezien) heeft plaatsgemaakt voor een meer ' luxueuze' klank. Waar nog bijkomt dat door de relatief grote omvang van de ‘authentieke' ensembles, althans vergeleken met die in de eerste helft van de negentiende eeuw, aan vrijheid van puls ingeleverd, het collectief van groter gewicht is geworden dan de individuele inbreng. Een vorm van 'cosmetisering' die ten koste moest gaan van eigenzinnigheid.

Laten we dus vooral niet de illusie levend houden dat de huidige historiserende uitvoeringspraktijk ons veel dichter bij de historische praktijk zelf heeft gebracht. Beethoven heeft het hoe dan ook anders ervaren en zo zat het ook in zijn hoofd. En aangezien zijn klankervaringen hun weerslag hebben in zijn partituren (zonder dat we overigens precies kunnen aangeven in welke mate) is het beeld dat vanuit de historiserende uitvoeringspraktijk op ons afkomt niets anders dan een vals beeld. Onze associaties met dat verre verleden worden ondermijnd, zo niet bepaald door de veel betere technische mogelijkheden van dat ‘authentieke' instrumentarium naast wat de musici speltechnisch zelf in huis hebben. En dan laat ik te manipuleren opnametechniek nog buiten beschouwing.

Ja, er is in die historiserende uitvoeringspraktijk veel energie te ontdekken, er wordt doorgaans met veel verve gemusiceerd, is er meestal sprake van een forse dosis spiritualiteit. Maar die praktijk heeft tegelijkertijd diezelfde muziek aanzienlijk ‘vriendelijker', ‘aangenamer', 'smeuïger' gemaakt. Dat is het nieuwe normaal geworden dat ons, luisteraars, al decennialang op het verkeerde been zet. Dat geldt niet alleen voor de orkestwerken, maar ook voor de soloconcerten, de beide oratoria en de opera's Leonore en Fidelio.

Kan die weerbarstigheid in Beethovens orkestpartituren tenminste deels worden ‘gerestaureerd' door de werken op te nemen op historische locaties? Er zijn de nodige pogingen gedaan, met name door Martin Haselböck en het orkest van de Wiener Akademie, maar ook dat kon niet meer zijn dan het scheppen van een illusie – en wel om dezelfde redenen, waar nog bijkomt dat de akoestiek van de ruimte niet precies dezelfde hoeft te zijn (bijvoorbeeld door een andere plafond- of wandbekleding, tapijten, een verhoogde houten vloer, ander houtsoorten, enz.), maar ook dat er microfoons e.d. in het spel zijn, met als ‘regelmeester' de man of vrouw aan de knoppen van de (wel of niet digitale) regeltafel.

Als we dit gehele parcours realistisch beoordelen? Dan blijkt de hedendaagse smaak doorslaggevend. Wat tevens betekent dat er geen exclusief klankdomein is, authenticiteit in strikte zin niet bestaat. Dat de oude muziek wordt geïnjecteerd door deels op het verleden rustende, maar daardoor niet minder hedendaagse speelcultuur. Wie er een controverse in ziet heeft wat mij betreft gelijk.

We vinden al deze elementen terug in talloze uitvoeringen en dus ook in deze: van Beethovens Vierde en Achtste symfonie, voorafgegaan door – zeer toepasselijk – een ouverture van Luigi Cherubini (1760-1842) en voorts uitstekend gecombineerd met de Eerste symfonie van de met Cherubini bevriende, Franse Sturm und Drang componist Étienne Nicolas Méhul (1763-1817), twee belangrijke tijdgenoten van Beethoven die hij zeer bewonderde.

Dat de Akademie für Alte Musik Berlin niet heeft gekozen voor het beproefde en helaas veel te vaak afgedraaide model van ‘negen-Beethoven-symfonieën-en-dat-is-dat' (er is alweer een nieuw negental uit, met het Philadelphia Orchestra onder zijn chef-dirigent Yannick Nézet-Séguin) valt zeker te prijzen. Het is veel interessanter om dat negental af te zetten tegen werk van Beethovens tijdgenoten, wat niet alleen een uiterst leerzame exercitie is, maar – als sprake is van een goede keuze; en dat is hier het geval – ook een zeer inspirerende uitwerking kan hebben. Hier is het dat niet te missen contrast tussen op en top Franse vernieuwing, zo goed herkenbaar Méhuls symfonie, ten overstaan van Beethovens ongekende dadendrang, met Cherubini's ouverture bepaald meer dan slechts de deugd in het midden, want ook deze in Parijs wonende Italiaan voerde de expressieve intensiteit behoorlijk op.

Ook Robert Schumann zou de verwantschap tussen Méhul en Beethoven zijn opgevallen naar aanleiding van een uitvoering van Méhuls eersteling door het Gewandhausorchester Leipzig onder leiding van zijn vriend Felix Mendelssohn, waarbij hij in het bijzonder zou zijn getroffen door de overeenkomsten tussen de finale van Méhuls Eerste en het openingsdeel van Beethovens Vijfde, beide gedragen door het persistente, voortdurend aanwezige 'noodlotsmotief'.
Maar...toen Méhul zijn symfonie had voltooid was Beethovens Vijfde nog niet eens in première gegaan, wat het uitermate onwaarschijnlijk maakt dat Méhul het werk toen gekend heeft. Maar afgezien daarvan: wie de moeite neemt aandachtig naar Méhuls Eerste symfonie te luisteren wacht een riante reeks van werkelijk schitterende momenten die zonder meer demonstreren dat Méhul wel degelijk een symfonicus van formaat was.

Wat beide componisten met elkaar deelden was het revolutionaire elan, wat bij mij wel de gedachte deed rijzen dat wat Méhuls inspiratiebronnen betreft het evengoed Mozarts KV 550 had kunnen zijn. We zullen het hoe dan ook nooit weten. Wel zegt het iets over het gevaar dat schuilt in het bestempelen van Beethovens muziek als rigide maatstaf voor het werk van zijn tijdgenoten.

De bezetting van de AAMB is terecht bescheiden gehouden, met in partituurvolgorde 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten 2 hoorns, 2 trompetten, trombone, pauken, 6 eerste en 6 tweede violen, 4 altviolen, 3 celli en 2 contrabassen. Dit komt neer op de standaardbezetting overeenkomstig de ‘oude' praktijk en waaraan niets valt af te dingen. In deze door concertmeester Bernhard Forck geleide uitvoeringen wordt het zeer overtuigend weerspiegeld in de door hem en zijn collega's voorgestane, fraai gedoseerde retoriek (geen jachtige tempi, geen afgeknotte fraseringen, geen overdreven accentuering). Aldus vormt dit nieuwe album een fascinerende voortzetting van de twee daaraan voorafgaande: het eerste met de Beethovens eerste twee symfonieën gekoppeld aan C.Ph.E. Bachs Symfonieën Wq 175 en 183/4 (HMM 902420), en de tweede met Beethovens Pastorale en J.H. Knechts Le Portrait musical de la Nature u Grande Symphonie (HMM 902425), beide door mij reeds eerder besproken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links