CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2018

 

Mahler: Symfonie nr. 4 in G

Julia Kleiter (sopraan), Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti
RCO 18004 • 58' •
Live-opname: 8-9 november 2017, Concertgebouw, Amsterdam

   

Wat precies wil Daniele Gatti met ‘zijn' Mahler bereiken? Wat is het voornaamste doel wat hem daarbij voor ogen (en oren!) zweeft? Afgaande op zijn interpretaties is de meest voor de hand liggende conclusie dat hij het in het nieuwe, het verrassende, soms zelfs het shockerende zoekt. Muziek die danig op de schop moet, in een fundamentele drang tot vernieuwing die Gatti's benadering zozeer kenmerkt. En niet alleen in dit repertoire. Dat deze in de Amsterdamse orkestpraktijk gebrachte opvatting tamelijk ver afstaat van de in de loop van daar meer dan een eeuw opgebouwde Mahler-traditie laat zich raden. Een traditie die een aanvang nam met de componist zelf: Gustav Mahler die bij het Concertgebouworkest zijn eigen werk dirigeerde (we weten het: hij moet een geweldige dirigent zijn geweest), daarbij op de vingers gekeken door primus inter pares Willem Mengelberg.

Zoektocht
Gatti's marsroute is duidelijk: weg van de mahleriaanse snelweg, en veel liever een zoektocht naar het intrigerende en spannende, het avontuurlijke en het ongewisse. ‘Altväterisch' wordt het onder zijn handen dus bepaald niet. Voor de een heeft het winst, maar voor de ander misschien (enig?) verlies opgeleverd. Het kan moeilijk anders, die nieuwe, verfrissende blik op dit aloude repertoire, met als onvermijdelijke gevolg enerzijds bewondering en anderzijds verguizing. Zelf zal hij vaak genoeg hebben gedacht aan wat Mahler ooit eens opmerkte: “Was ihr Theaterleute Tradition nennt, das ist Bequemlichkeit und Schlamperei.” Of deze iets minder bekende variant: “Es gibt keine Tradition, nur Genius und Stupidität.”

Voor de voor- en tegenstanders van Gatti's aanpak begint het meestal bij gezeur over de ‘juiste' tempi. Alsof die er überhaupt zouden zijn. Maar toegegeven, Gatti maakt door de bank genomen doorgaans weinig haast, wat de profilering van de frases wel duidelijk ten goede komt, de dynamische contouren meer tijd van leven biedt en het boetserende karakter van zijn dirigeren nog eens beduidend onderstreept.

In mijn interview dat ik met Gatti had (u vindt het elders op de site) zei hij het zo:
“Dit is een Mahler-, een Bruckner-, een Strauss-orkest. In idiomatische zin een bijzonder waardevolle traditie die moet worden voortgezet. Neem alleen al Mahler, een traditie die van heel ver komt: Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly, tot voor kort Mariss Jansons en naar ik hoop ook van mijzelf. Natuurlijk, iedere dirigent heeft zijn eigen ideeën, dat moet ook zo blijven, maar dat ontslaat ons niet van de verplichting om die traditie in ere te houden, zij het – gelukkig! – gevoed door nieuwe inzichten. We zien een traditie die is gefilterd door uiteenlopende dirigeerstijlen, maar daardoor niet minder een traditie. Stel je voor dat het anders zou zijn? Dan zou er geen enkele vooruitgang zijn.”

Verbondenheid
De eigen ideeën, daar gaat het om. En zonder die ideeën? Dan is er alleen sprake van stilstand, krijgt het orkest slechts bewaarloon voor zijn museale functie en is er verder niets om naar uit te kijken.
Maar hoe ziet Gatti Mahler eigenlijk? Als een belangrijke sleutelfiguur, niet alleen door zijn verbondenheid met Wagner (Mahler was een groot Wagner-dirigent), maar ook omdat hij het theatrale element het bolwerk van de symfonie binnenloodste. En dat zijn muziek rapsodisch van karakter is, ondanks de sterk uitgewerkte vorm en structuur (anders zouden zijn symfonieën niet meer dan willekeurig kronkelende reuzenslangen zijn). En wat zegt Gattinog meer? “De verbintenis tussen Mahler en Wagner opent tegelijkertijd een andere deur, die tussen Mahler en de Romantiek. Niet alleen de Duitse Romantiek, maar ook de verbinding tussen Franz Liszt en Hector Berlioz. En daar wil Gatti ook programmatisch iets mee doen: “En er is die hechte verbintenis tussen Berlioz, Wagner en Mahler die ik vanuit Frans perspectief  in programmatisch opzicht gestalte wil geven.”

Hausse
“Iedereen speelt altijd maar Mahler,” zei Otto Kettting eens in een interview. Natuurlijk, er zijn maar weinig componisten te vinden wier werk zo vaak op de podia en in de studio verschijnt als dat van Mahler, een hausse die zo ongeveer begon met Leonard Bernstein in New York (u herinnert zich ongetwijfeld zijn Mahler-opnamen voor CBS in de jaren zestig). De ‘kunst' is echter niet om met de zoveelste Mahler op de proppen te komen, maar daaraan nieuwe aspecten toe te voegen. Niet in de zin van improviserend geklungel, maar het vanuit de partituur openen van nieuwe vergezichten. En gezegd moet worden: dat is Gatti als geen ander gelukt. Zonder dat we het met de uitkomsten van deze exploraties onverkort eens hoeven te zijn. Wat het in ieder geval heeft opgeleverd is niet waar wij zo'n grondige hekel aan hebben: het veel van hetzelfde. Of dat dit Mahler op zijn best zou zijn (wat we niet eens kunnen weten).

Diep gelaagde schittering
Wat valt er van deze uitvoering te zeggen? Dat die in een woord adembenemend fraai uit de startblokken kwam en dat Gatti en het orkest dat tot de laatste ademtocht van de Duitse sopraan Julia Kleiter volhield. De verfijning, de subtiele maar soms ook heftige tempowisselingen, het expressieve tapijt dat werd uitgerold, de precisie waarmee Mahlers aanwijzingen werden gevolgd, maar ook de vrijheid die het gehele ensemble daarbij kreeg toegemeten om vloeiend te fraseren, de kleurrijke afwisseling van de motieven, de soms net even onderstreepte harmonische onderbouw, alles bij elkaar genomen verrichtte het wonderen. Dit is een vertolking die tot luisteren dwingt, met een diep gelaagde schittering die de conclusie rechtvaardigt dat Gatti zich volkomen bewust was van de enorme kwaliteiten en daarmee de klankrijke mogelijkheden van dit orkest. En natuurlijk wat hij in deze partituur zag en hetgeen hij in zijn verbeelding wilde realiseren.

Het is, al deze pure schoonheid in aanmerking genomen, uitermate lastig zo niet onmogelijk om er specifieke hoogtepunten uit te lichten. Misschien was het wel het glanzende ‘Ruhevoll', of juist de finale, met de sopraan die Mahlers hemel met zijdeglans op de aarde deed neerdalen. Ja, het lieflijke lammetje moest worden gedood, maar wat overheerste was toch die weldadige, rijpe oogst aan vruchten van het hemelse land, met aan de onpeilbare einder dat er ‘geen muziek is op aarde die met de onze kan worden vergeleken'. Hoewel ik na deze in alle opzichten betoverende uitvoering daaraan hevig begon te twijfelen. Waaraan Gatt's rustige tempi in hoge mate debet zijn geweest. Die bedachtzaamheid blijkt trouwens ook uit de hoofdtempi die Mahler zelf de vier delen heeft meegegeven: ‘Bedächtig, nicht eilen – recht gemächlich', ‘In gemächlicher Bewegung: Ohne Hast', ‘Ruhevoll' en ‘Sehr behaglich'. Het is een belangrijk aspect van de interpretatie en Gatti heeft daar veel van zijn ziel en zaligheid in gelegd. En met een speelduur van bijna 58 minuten is het toch niet een echt langzame uitvoering geworden. Met de kanttekening dat de minuten niet zoveel zeggen, want niet alleen is het van groot belang wat er qua tempokeuze binnen de delen gebeurt, maar ook dat de tijdsindruk sterk kan verschillen: een in tijd uitgemeten snelle uitvoering die juist als langzaam wordt ervaren, maar ook het omgekeerde.

De Mahler-traditie in het Concertgebouw heeft, ik schreef het al, een lange geschiedenis, maar dichter in de tijd was het in de laatste decennia toch vooral Bernard Haitink die met wisselende solisten Mahlers Vierde naar grote hoogten voerde. Een feest dat wat mij betreft begon met de toen al legendarische serie Kerstconcerten. Gatti doet het anders, hij ‘vertelt' eerder een ‘verhaal', wat evengoed in deze traditie past, maar dat uit de aard der zaak (‘it is in the nature of things') zowel hoogste lof als kritiek oproept. Maar ook tegen de criticasters zou ik willen zeggen dat Gatti met zijn visie op Mahler een belangrijke stap heeft gezet binnen de historische contouren van Mahler in het Amsterdamse Concertgebouw. Mede dankzij de opnametechnische handtekening van Everett Porter is dit een prachtig album geworden.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links