CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2013

 

Mahler: Symfonie nr. 9 in d

Los Angeles Philharmonic Orchestra o.l.v. Gustavo Dudamel

Live-opname: februari 2012, Walt Disney Concert Hall, Los Angeles

DG 479 0924 • 46' + 40' • (2 cd's)

   

Geen twijfel mogelijk: de Venezolaanse dirigent Gustavo Dudamel, inmiddels 32 schoot na zijn Vijfde Mahler als een komeet omhoog, kreeg de muziekwereld aan zijn voeten en behaalde in verschillend repertoire het ene na het andere succes. Het werkte als een magneet: de jeugdige Dudamel en het (toen) al even jeugdige Simón Bolivar Youth Orchestra of Venezuela, waaruit de jeugd althans deels verdwenen is en nu meer passend als het Simón Bolivar Symphony Orchestra door het muziekleven gaat. Ook talentvolle jeugd neemt op een gegeven ogenblik plaats op de bank van de gevestigde orde. Als ik zelf de balans mag opmaken houden dirigent en orkest het midden tussen menige topprestatie en een aantal veel minder geslaagde uitvoeringen, waarbij ook de 'schuld' in het midden ligt. In ieder geval verwisselt Dudamel diepgang nogal eens met glamour en glitter, wat in een live-concert misschien minder diepe sporen achterlaat dan in een opname waarnaar meer dan eens wordt geluisterd. Tenminste, dat is daarvan uitdrukkelijk de bedoeling.

Net als Dudamel is Mahler nog steeds een publiekstrekker van jewelste. Mahler is everywhere. In zijn eigen taal: Meine Zeit wird kommen. Of hij er vandaag wel zo gelukkig mee zou zijn geweest valt te bewijfelen. Was Ihr Theaterleute Tradition nennt, das ist nichts anderes als Eure Bequiemlichkeit und Schlamperei. Het is reuze 'bequemlich' om Mahler te spelen en daarmee volle zalen te trekken! Sterker nog, er mag zelfs bij de combinatie Mahler-Dudamel van enige hysterie worden gesproken, die zich niet laat temmen door enige nuchtere commentaren waarin de benen weer stevig op de vloer worden gezet.

Dit is Dudamels eerste opname met de Los Angeles Philharmonic en niet een van de beste op dit gebied uit de DG-stal: het klankbeeld is me te dichtbij, 'closely miked' om het zomaar te zeggen. Het voordeel is wel dat we het 'binnenwerk' daardoor extra goed kunnen ontcijferen, maar Mahlers Negende is geen cijferslot. Het werk heeft panoramische dimensies en dat is niet de eigenschap van deze opname. De violen staan er soms niet flatteus op (deel1, bij 17:45 bijvoorbeeld), terwijl de balans evenmin ideaal is, met te luid slagwerk (soms klinkt het alsof het kunstmatig is 'opgedraaid'), wat een maskerend effect heeft op de overige orkestsecties, terwijl de bas wel stevig maar niet pregnant genoeg is. Pizzicati zjn eerder week dan droog, of om in Duitse termen te blijven, niet 'hart und trocken' De Engelsen hebben dat nog mooier samengevat: True bass is never forgotten. O zo!.

Het is lastig om twee andere live-opnamen in de vergelijking met die onder Dudamel te betrekken: de hyperpersoonlijke aanpak van Bernstein die zich met het Concertgebouworkest in 1985 voortdurend 'in the heat of the moment' beweegt, en de alles overtreffende visie op dit werk van Karajan met 'zijn' Berliner Philharmoniker, in opnamen die overigens aanmerkelijk beter zijn dan die in Los Angeles werd gemaakt. Bovendien beweegt zich bij een dergelijk reusachtig werk als dit de vergelijking al snel in de verkeerde richting. Het totaalbeeld kan bijvoorbeeld gunstiger uitpakken dan de vier delen afzonderlijk (of omgekeerd...).

De opnamekwaliteit is slechts één aspect van de uitvoering als geheel, maar in het geval van die onder Dudamel wel van extra belang omdat door de nogal directe 'focus' het extra opvalt dat Dudamel soms neigt naar het onderstrepen van een frase of een ritmisch motief, alsof hij het nodig acht die uit het geheel te lichten, extra nadruk te verlenen. Gek genoeg is hiervan niets te merken in het mooi en breed opgezette openingsdeel, maar in het daarop volgende Ländler gaat het mis: het stuk klinkt als een reus op lemen voeten, de niet meer licht zwierige Ländler raakt verstrikt in een gebrek aan gratie dat nu onvoldoende contrasteert met het boosaardige karakter van deze muziek. Het klinkt ook te weinig onbeholpen en al helemaal niet plomp, zoals Mahler heeft beoogd.

Het uitgesproken virtuoze Rondo-Burleske is duidelijk een kolfje naar de hand van Dudamel die het stuk alle orkestrale grandeur meegeeft die het van nature ook bezit. De drive is enorm, het momentum niet minder en raast voort als in een ontstuitbare nachtmerrie.

Dudamels zicht op de finale, zij het als een symfonisch deel op zichzelf, mag best magnifiek worden genoemd, als zijn de strijkers van het Los Angeles Philharmonic niet in dezelfde klasse als van de Berlijners. Wat tevens duidelijk wordt is dat Karajan een in zijn geheel genomen beter concept voor ogen heeft gestaan: hij trekt als het ware een lineaire spanningsboog die zich pas volledig ontspant in de wegstervende slotmaten. Het Adagio staat bij Karajan dus niet op zichzelf, zoals bij Dudamel, maar het maakt deel uit van het grote geheel. Waarbij we wel moeten bedenken dat Dudamel pas 31 was toen hij het werk opnam, terwijl Karajan toen al 74 was en aan het eind van zijn carrière was aanbeland (hij overleed zeven jaar later). in deze context is het een beetje raar dat DG vermeldt dat Dudamel 'lang heeft gewacht met deze symfonie'.

De slotconclusie moet zijn dat Dudamel met zijn Los Angeles Philharmonic door de bank genomen een uitstekende Mahler 9 heeft neergezet, maar dat het niet meer kon zijn dan 'work in progress'. Het caleidoscopische karakter van het werk heeft hij slechts ten dele weten te ontleden en in dat opzicht laat Karajans live-opname uit 1982 hem nog relatief ver achter zich. Maar dat kan over een jaar of tien anders zijn. Het is weliswaar een live-opname, maar ik vermoed dat er aan de hand van takes van verscheidene uitvoeringen nog aardig aan 'gesleuteld'. Geen enkel orkest speelt ruim 85 minuten lang vrijwel foutloos. Er zijn enige achtergrondgeluiden, maar die manifesteren zich nauwelijks via de luidspreker en slechts in zeer beperkte mate met hoofdtelefoon.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links