CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2010

 

 

Mahler: Symfonie nr. 6 in a.

Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Eduard Flipse.

Live-opname (mono), Grote Zaal, Concertgebouw, Amsterdam, 25 juni 1955.

Mahler: Symfonie nr. 8 in Es.

Rotterdams Philharmonisch Orkest, Brabants Orkest, Annelies Kupper, Hilde Zadek en Corry Bijster (sopraan), Annie Hermes, Lore Fischer en Annie Woud (alt), Lorenz Fehenberger en Frans Vroons (tenor), Hermann Schey, David Hollestelle en Gottlob Frick (bas), Piet van der Kerkhoff (orgel), Toonkunstkoor Rotterdam, Rotterdams Philharmonisch Koor, Koninklijke Christelijke Oratorium Vereniging Excelsior, Christelijke Oratorium Vereniging Rotterdam-Zuid, Oratorium Vereniging Halleluja, Stem des Volks Rechter Maasoever, Stem des Volks Linker Maasoever, Koninklijke Zangvereniging Rotte's Mannenkoor, Mannenzang Vereniging Concordia, Jongenskoor St. Willibrord, Dames- en Jongenskoor De Kleine Stem West o.l.v. Eduard Flipse.

Live-opname (mono), Ahoy' Rotterdam, 3 juli 1954.

Een uitgave van het Rotterdams Philharmonisch Orkest (3 cd's)

www.rpho.nl


Toen directeur Hans Waege mij onlangs de doos met deze twee symfonieën onder Flipse in de handen drukte kwamen spontaan de herinneringen bij mij op aan die nogal beroerd klinkende Philips-lp's uit de jaren vijftig die ik al jaren geleden had weggedaan en inmiddels vervangen door de corresponderende cd's. Niets ten nadele van de toenmalige opnameleider Jaap van Ginneken, maar deze enorme geluidslawines leken net iets te veel voor de snijbeitels en de microgroeven in die tijd. Sommige passages - zo herinner ik mij - waren zelfs zo vervormd dat ze het verder luisteren domweg vergalden. Bovendien waren die lp's noodgedwongen op een nogal laag geluidsvolume gesneden. Eenmaal thuis, met deze nieuwe cd's in de speler, was dat een prettig thuiskomen, want ondanks de toch wel gedateerde mono-klank had de audiorestauratietechnicus (jawel, een mond vol) Mark Obert-Thorn het geluidsbeeld nog mooier kunnen maken door de vervorming nog verder terug te dringen. Het klankbeeld kwam bovendien meer open en helder uit de luidsprekers; en wat de Zesde betreft kon zelfs de akoestiek van het Amsterdam Concertgebouw worden herkend.

Hoe was het toen met de Mahler-cultuur gesteld? Vrij beroerd eigenlijk, want het muziekleven was in de oorlog weliswaar niet ingestort, maar voor de ‘joodse' muziek was sowieso geen plaats meer. Toen bovendien kort na de oorlog de volledig uit de gratie geraakte en verbitterde Willem Mengelberg zich voorgoed in Zwitserland vestigde, verloor ons land daarmee niet alleen zijn beste dirigent, maar tevens zijn belangrijkste Mahler-voorvechter. Het werd geruime tijd vrij stil rond zijn muziek en zijn persoon. Velen die in het midden van de jaren vijftig voor het eerst kennismaakten met de Zesde symfonie zullen mogelijk iets soortgelijks hebben beleefd als wie nu voor het eerst Alban Bergs Drei Orchesterstücke op. 6 hoort. Mahler was in die tijd eigenlijk 'not done' en het moet een heel waagstuk zijn geweest om deze beide symfonieën, en dan met name die gigantische Achtste, op het programma te zetten. Een waagstuk om meerdere redenen, want niet alleen betrof het geen gemakkelijk aansprekende muziek (dat is nu wel anders!), maar bovendien stond de technische moeilijkheidsgraad ervan menige uitvoering in de weg. Kortom, ondanks alle inspanningen van Mengelberg en Mahler in het verleden was deze 'slangenmuziek' in ons land maar ook daarbuiten zeker geen 'gefundenes Fressen'.

Het meest memorabel was natuurlijk die uitvoering van de Achtste symfonie in juli 1954. Eduard Flipse, de chefdirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, inmiddels bevorderd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau, had voor de viering van het 125-jarig bestaan van Toonkunst een bijzonder programma voor ogen (het oorspronkelijke idee kwam mogelijk van Mahler-kenner Eduard Reeser) dat alle perken van die tijd ruimschoots te buiten ging: de uitvoering van uitgerekend deze Achtste symfonie van Gustav Mahler, de Sinfonie der Tausend, met eerst twee vooruitvoeringen en dan op 3 juli 1954 het officiële concert. Het moest net zo'n mijlpaal worden als de uitvoering van dit grootse werk tijdens het driedaagse Rotterdamse muziekfeest naar aanleiding van het zilveren jubileum van Toonkunst in 1854, op de kop af een eeuw eerder.

Wat hadden ze daar in Rotterdam voor dit evenement niet van stal gehaald! Naast het eigen ensemble waren daar het Brabants Orkest (totaal bijna 150 musici) en twaalf Rotterdamse amateurkoren (900 koristen), elf vocale solisten en een speciaal voor deze gelegenheid gebouwd orgel dat voor die gelegenheid werd bespeeld door Piet van der Kerkhoff. Inderdaad, meer dan duizend medewerkenden die een plaats moesten vinden op het ingrijpend verbouwde reuzenpodium in de Rotterdamse (oude) Ahoyhal. Per concert werden gemiddeld zo'n achtduizend bezoekers geregistreerd! Achtduizend per concert, het kan niet genoeg worden benadrukt.

De oude Ahoyhallen in Rotterdam

De door Philips opgenomen en op lp uitgebrachte uitvoering werd naar aanleiding van de honderdste geboortedag van Flipse (26 februari 1996) door de Flipse Stichting alsnog op cd uitgebracht, gelukkig op basis van de oorspronkelijke productieband. In het cd-boekje bij die uitgave wordt niet onder stoelen of banken gestoken met welke primitieve middelen de mono-opname destijds - onder leiding van Philips-producer Jaap van Ginneken - tot stand kwam. Voor Ginneken bleek het achteraf een goede vingeroefening te zijn voor het grootse Mahler-project met het Concertgebouworkest onder Bernard Haitink dat in het begin van de jaren zestig van start ging. 

Filmfragment uit het Polygoon-bioscoopjournaal van de tweede vooruitvoering op 2 juli 1954.
Het commentaar wordt gesproken door Philip Bloemendal.

Het is een uitvoering die zelfs meer dan een halve eeuw later nog steeds grote indruk  maakt. Toonkunst schreef op 5 juli: "Eduard Flipse heeft een werk verricht, dat slechts door een groot kunstenaar en een groot mens tot stand kan worden gebracht." De Philips-opname legt klip en klaar getuigenis af van de geweldige kwaliteit van de amateurkoren in die dagen en hoezeer Flipse het enorme aantal medewerkenden van allerlei pluimage in zijn ferme greep had. Het was de eerste plaatopname van het grootse werk en dat betekende wereldwijde belangstelling. Al in 1955 werd Flipse uitgenodigd om de kolossale Achtste in Berlijn te dirigeren.

Toen Mahler op 12 september 1910 in de 'Neue Musikfesthalle' in München de première van het werk leidde, had hij - net als Flipse 43 jaar later - amateurkoren aangevuurd. Voor Mahler was het toen niet anders als dat het voor Flipse was: zelfs als beide dirigenten een zorgvuldig samengesteld beroepskoor hadden gewild, dan was dat alleen al om financiële of logistieke redenen afgeketst. Bovendien, waar zouden zulke enorme beroepskoren vandaan moeten worden gehaald? Beiden gingen a priori uit van meerdere amateurkoren, wat tevens betekent dat Mahler zich daarvan al bewust moet zijn geweest toen hij de Achtste nog slechts in gedachten had.

Voor Flipse gold dat Mahlers magnum opus "honderd zorgen, duizend vreugden" met zich bracht en dat "imponeren en epateren met zo velen niet moeilijk was, maar wel ontroeren."  De dirigent Otto Klemperer, in Nederland voor concerten, omarmde Flipse met de woorden: "Ik wist niet dat u zo groot was." Niet minder succesvol was Mahlers Zesde symfonie onder Flipse in het daaropvolgende jaar tijdens het Holland Festival, op 25 juni 1955 in het Amsterdamse Concertgebouw, waarvan Philips eveneens een opname heeft gemaakt. Deze oorspronkelijk door Philips op lp uitgebrachte opname werd later door Bearac op cd is uitgebracht (catalogusnr. BRC-2642). Gedenkwaardig in dit verband is in 1958 de uitreiking aan Flipse en het orkest van de Mahler-medaille door de Internationale Gustav Mahler Gesellschaft en de uitvoering van Mahlers Zevende symfonie tijdens het Holland Festival.

Wat we hier in handen hebben is een document van grote historische waarde en tegelijkertijd een uitgesproken document humain dat brede belangstelling verdient. Er kan best wel wat worden afgedongen op Flipses visie op bijvoorbeeld de Zesde symfonie, waarvan het openingsdeel energieker en heftiger, meer marcato had kunnen worden neergezet (vergelijk hier bijvoorbeeld Karajan met zijn Berliner Philharmoniker, die naar mijn gevoel wel op het juiste spoor zit). Daarnaast heeft Flipse het Andante moderato op de tweede plaats gezet, gevolgd door het Scherzo. Dat doen we allang niet meer zo, al blijven de meningen hierover verdeeld. Gebruikelijk is inmiddels dat het Scherzo direct op het openingsdeel volgt. Het klankbeeld lijkt in de Zesde niet overal even consistent te zijn. Zo zijn er momenten dat het hoge middengebied ineens door lijkt te breken, of dat het juist iets wordt teruggenomen.

De Achtste mag zich beroepen op een uitstekend solistenteam, maar ook het aandeel van de beide orkesten en de vele koren is niet gering. We kunnen misschien over details kissebissen, maar de grote spanningslijnen in dit gigantische werk worden met veel overtuigingskracht neergezet en tot het daverende slot vastgehouden. Wat daarbij tevens opvalt is dat Flipses Mahler-stijl modern aandoet, met weinig portamenti, versnellingen en vertragingen (tenzij die in de partituur staan aangegeven). Bij vlagen biedt Flipse zelfs een nuchtere kijk op deze muziek, wat dan tevens geldt voor de Zesde symfonie. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Mengelberg, maar ook Furtwängler is er bij Flipse behoudens enige specifieke omstandigheden geen sprake van tempowisselingen binnen het thematische verloop, terwijl zijn aanpak toch elastisch is en blijft. Zo bezien zet Flipse dus een 'moderne' Mahler neer of, zo u wilt, een minder tijdgebonden Mahler. Met als toevoeging dat iedere generatie zijn 'eigen' Mahler heeft.

Jammer is dat in het begeleidende cd-boekje slechts spaarzaam aandacht wordt besteed aan zowel de voorbereidingen en de uitwerking van dit gigantische project als aan de historische betekenis in zijn bredere betekenis van dit evenement voor zowel de stad als daarbuiten. Dat geldt trouwens ook het negeren van de vele fascinerende dwarsverbanden die in de jaren vijftig het chefdirigentschap van Flipse hebben gemarkeerd en die tevens een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de beide Mahler-projecten. Al met al is het uitgedraaid op oppervlakkig graafwerk. De samenstellers van dit boekwerkje hadden zich kunnen realiseren dat deze uitgave toch vooral bedoeld is voor de kenners en liefhebbers die Mahler VI en VIII al lang en breed - en vaak in verschillende uitvoeringen - in de kast hebben staan en dus van zowel de ontstaansgeschiedenis als de achtergronden van beide werken op de hoogte zijn. Terwijl ze waarschijnlijk niet of nauwelijks iets weten van die zo rijke geschiedenis van het Rotterdams Philharmonisch en zijn toenmalige chefdirigent, waarin met name een deel van Mahlers symfonische oeuvre zo'n belangrijke rol heeft gespeeld. Wat allemaal niet wegneemt dat eigenlijk niemand die belangstelling heeft voor Mahler, zijn muziek en onze vaderlandse muziekgeschiedenis zich deze uitgave moet ontzeggen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links