CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2011

 

 
   
   
   
 
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   

Sir Charles Mackerras - Life with Czech Music

Dvorák: Slavische dansen nr. op. 46 nr. 1-8 - op. 72 nr. 1-8 - Symfonische variaties op. 78 - Symfonie nr. 6 in D, op. 60 - nr. 8 in G, op. 88 - nr. 9 in e, op. 95 (Uit de Nieuwe Wereld) - Legenden op. 59 - Scherzo capriccioso op. 66 - Ouverture 'In Nature's Realm' - Symfonisch gedicht Vodnik (the Water Goblin) op. 107 - Polednice (The Noon Witch) op. 108 - Zlatý kolovrat (The Golden Spinning Wheel) op. 109 - Holoubek (The Wood Dove) op. 110

Smetana: Má Vlast

Tsjechisch en Praags Filharmonisch Orkest o.l.v. Charles Mackerras (live-opname, Praag 12-5-1999)

Supraphon SU 4041-2 (6 cd's)

* * *

Janácek: Jaloezie (oorspronkelijke ouverture voor de opera Jenufa) - Het sluwe vosje (suite) - Ouverture 'Sárka' - Taras Bulba - Kát'a Kabanová (ouverture en twee intermezzi) - Schluck und Jau (Andante en Allegretto) - Sinfonietta - Glagolitische Mis - Amarus

Martinu: Juliette (suite) - Field Mass - Dubbelconcert voor twee strijkorkesten, piano en pauken - Les Fresques de Piero della Francesca

Elisabeth Söderström (sopraan), Drahomíra Drobková (alt), Vacláv Zítek (bariton), Josef Ruzicka (piano),
Jan Bouse (pauken), Praags Filharmonisch Koor, Tsjechisch Filharmonisch Orkest, Praags Radio-Symfonieorkest

Supraphon SU 4042-2 (4 cd's + dvd)

(+ cd-bonus: interview met Charles Mackerras)

* * *

DVD:

Janácek: Glagolitische Mis - Jaloezie (oorspronkelijke ouverture voor de opera Jenufa) - Taras Bulba

Eva Urbanová (sopraan), Bernarda Fink (alt), Leo Marian Vodicka (tenor), Peter Mikulás (bas),
Jan Hora (orgel), Praags Filharmonisch Koor, Tsjechisch Filharmonisch Orkest o.l.v. Charles Mackerras


Alan Charles MacLaurin Mackerras werd geboren op 17 november 1925 in Schenectady in de Amerikaanse staat New York uit Australische ouders en overleed in Londen op 14 juli 2010. Zijn affiniteit met de Tsjechische muziek, en dan met name die uit Bohemen, moet sterk zijn ontwikkeld tijdens zijn studie bij de Tsjechische dirigent en violist Vacláv Talich, die ook les gaf aan eveneens beroemd geworden musici als Karel Ancerl, Milan Munclinger en Jaroslav Krombholc.

Wie de muzikale carrière van Charles Mackerras overziet ontkomt niet aan enige overeenkomsten met die van Talich, die eveneens verbonden was aan het Tsjechisch Filharmonisch Orkest en Koor en de Praagse opera. En evenals zijn grote voorganger stond ook Mackerras voor het Filharmonisch Orkest van Stockholm. Misschien was wel de belangrijkste overeenkomst tussen de beide dirigenten hun tomeloze inzet voor de twintigste-eeuwse Tsjechische muziek, met name die van Leos Janácek (1854-1928) en Bohuslav Martinu (1890-1959).

Naar Talich

De weg die Mackerras naar Talich aflegde lag minder voor de hand dan het misschien lijkt. Hij heeft er in interviews en in artikelen vaak over verteld. Mackerras arriveerde in de winter van 1947 in Londen om daar een baan te zoeken als freelance hoboïst. Hij kocht in een muziekwinkel de partituur van Dvoráks Zevende symfonie en ging die in een plaatselijk café bestuderen. De op het tafeltje opengeslagen partituur trok de aandacht van Josef Weisslitzer, een Tsjechische amateurcellist die lid was van de Engels-Tsjechische Vriendenvereniging. Hij vertelde de nieuwkomer dat de British Council jaarlijks zes studiebeurzen ter beschikking stelde voor studiedoeleinden in Tsjecho-Slowakije. Daar had Mackerras wel oren naar en niet lang daarna meldde hij zich voor een dergelijke beurs, die hem ook werd toegewezen. Mackerras en zijn vrouw reisden af naar Praag, waar Charles hoopte op directielessen bij Talich aan het conservatorium. Nauwelijks een jaar eerder was Talich gerehabiliteerd (hij werd beschuldigd van collaboratie met de nazi's) en had hij het Tsjechisch Kamerorkest opgericht, dat voornamelijk werd bemand door zijn muziekstudenten. Maar de teleurstelling bij Mackerras was groot toen hij Talich in een dusdanig slechte gezondheidstoestand aantrof dat het hem hoogst onwaarschijnlijk leek dat er van studie bij deze grote musicus nog iets terecht zou komen. Toch kwam het er nog van, al vonden de lessen niet in Praag maar in Talich' landhuis in Beroun plaats. Die lessen hadden voor Mackerras nog een belangrijk neveneffect: hij kon van zeer nabij meemaken hoe Talich 'zijn' kamerorkest kneedde en hoezeer de grote dirigent eraan hechtte dat de orkestleden tijdens het musiceren vooral goed naar elkaar luisterden. Het orkest moest in zijn ogen werkelijk klinken als een groot strijkkwartet. Het waren lessen die Mackerras niet meer zou vergeten en die hem in zijn verdere muzikale leven tot voorbeeld zouden blijven dienen. Zoals Talich de muziek benaderde, zo wilde Mackerras dat later ook.

Bedwelmd

Mackerras bleef tien maanden in Tsjecho-Slowakije. Daar ontdekte hij ook de muziek van Leos Janácek. Hij raakte bedwelmd door diens opera Kát'a Kabanova in het Nationaal Theater in Praag op 15 oktober 1947, geleid door Talich. Maar de druiven werden na de communistische machtsovername in februari 1948 alsmaar zuurder. Ze werden voor Mackerras zelf nog zuurder toen Talich door de nieuwe machthebbers vrijwel tot ongewenst persoon werd verklaard: hij verloor niet alleen zijn prestigieuze positie aan het Nationaal Theater maar werd ook gedwongen om het Tsjechisch Kamerorkest aan zijn lot ove te laten. Dat laatste deed Talich evenwel niet. Integendeel, hij koos ervoor om 'ondergronds' te gaan, hij repeteerde voortaan nog in het geheim met het kamerorkest, dat dan vervolgens publiekelijk zónder dirigent optrad. Voor Mackerras zat er onder deze moeilijke omstandigheden ten slotte weinig anders op dan het land maar te verlaten en zijn muzikale heil elders te zoeken. Voor Mackerras was een loopbaan in Tsjechië sowieso vrijwel onmogelijk omdat de communisten niets op hadden met mensen uit het Westen. Maar afgezien daarvan zag uiteraard ook Mackerras het onder zijn ogen gebeuren dat de kunsten werden gemuilkorfd of ingeperkt. De bureaucraten hadden de macht en het zag er niet naar uit dat ze die spoedig weer zouden afstaan.

Kát'a Kabanova

Mackerras keerde terug naar Engeland, waar hij aan het Londense Sadler's Wells zijn carrière als assistent-dirigent begon. Het betekende zo op het oog misschien wel niet veel, maar het was tenminste wel een goed begin. Al spoedig werd het voor hem zelfs beter, toen de chefdirigent van Sadler's Wells ernstig ziek werd en Charles daardoor meer en meer belangrijke dirigeertaken in de schoot geworpen kreeg. Daar hoorde in 1951 ook het dirigeren van Kát'a Kabanova bij, waarbij Mackerras zeker zal hebben teruggedacht aan die uitvoering onder Talich in Praag op 15 oktober 1947. De verwachtingen van de uitvoering van Kát'a bij Sadler's Wells en daarbuiten waren hoog gespannen, want nog niet eerder had een opera van Janácek in Engeland geklonken. De voorstelling mondde uit in een regelrechte triomf, met als gevolg dat er meer opera's van Janácek op het programma werden geplaatst, waaronder Uit het dodenhuis en De zaak Makropulos. Ook andere dirigenten raakten geïnteresseerd, waaronder 'onze' Bernard Haitink, die aan het Londense Royal Opera House Covent Garden met groot succes Jenufa herhaalde malen uitvoerde. Charles Mackerras had de opera's van Janácek niet alleen op de wereldkaart haden weten te zetten, maar hij slaagde er tevens in om zijn eigen carrière daarmee geheel nieuwe impulsen te geven. Van nu af aan was Mackerras' naam en reputatie als dirigent én musicoloog voor eens en voor altijd gevestigd.

Erfenis

Mackerras vond in Brno in Janáceks nagelaten papieren een ware schat aan manuscripten en partituren die hem niet alleen hielpen om een betrouwbaar beeld van Janáceks beeld als componist en van diens muzikale nalatenschap te krijgen, maar ook om daarmee concreet aan de slag te gaan, het materiaal te selecteren en te ordenen, de verschillende orkest- en koorpartijen uit te schrijven en die dan vervolgens te gebruiken voor zijn uitvoeringen. Voor Mackerras is dit van onschatbare waarde geweest, met name tijdens de repetities. Zoals hij het zelf zei: "dat graafwerk heeft me uiteindelijk heel veel repetitietijd gescheeld."

Muzikale traditie

Anders dan in het vrije Westen kreeg de daar snel voortschrijdende globalisering met zijn aanverwante kruisbestuivingen pas veel later vat op de vaak eeuwenoude muzikale tradities in het voormalige Oostblok. Pas na de val van de Berlijnse Muur in november 1989 kon een begin worden gemaakt met de ontmanteling van de vele knellende banden die in de landen van het Warschaupact ook in de muziek hun diepe voren hadden getrokken. De afgedwongen isolatie van het Westen had zijn tol geëist. Zo hadden nog in het midden van de jaren negentig de meeste musici in bijvoorbeeld Leipzig, Dresden, Praag, Warschau en Boedapest niet of nauwelijks een goed beeld van de in het Westen al meer dan twee decennia eerder in zwang geraakte historische uitvoeringspraktijk. Toen de vrije uitwisseling van musici, ensembles, orkesten én ideeën echter eenmaal goed op gang was gekomen vond een ware inhaalslag plaats, wat overigens niet alleen positieve gevolgen had. Zo kwam het altijd stevig in de traditie gewortelde, idiomatische karakter van de Tsjechische en met name de Boheemse kunstmuziek sterk onder druk te staan door de vele buitenlandse dirigenten die in onder andere Praag en Brno niet alleen typisch westerse muziek kwamen dirigeren, maar ook de grote Tsjechische klassieke meesterwerken op de lessenaars lieten zetten. De cd deed daarna de rest. Wat vroeger de normaalste zaak van de wereld was, de rechtstreekse voortzetting van de muzikale erfenis, een ongebroken en ongeschonden speltraditie die letterlijk op handen werd gedragen, ging in de wirwar van invloeden grotendeels verloren. Misschien is dát wel het grootste verlies binnen de grenzen van de Europese muziekgeschiedenis. De vaak gebruikte slogan 'iedere generatie zijn eigen Beethoven' is niet alleen van het grofmazige soort maar bovenal een die de wereld op zijn kop zet.

En Mackerras dan? Zijn muziikale vocabulaire was weliswaar net zo goed een afspiegeling van wat in het Westen bon ton was, maar zijn intensieve leerschool in Praag had wel degelijk blijvende sporen nagelaten. Zijn 'life with Czech music' behield zijn diepe wortels in de Tsjechische muziektraditie. Daar kwam nog bij dat zijn grote belangstelling voor de authentieke muziekpraktijk een aanzienlijke meerwaarde met zich mee heeft gebracht waar ook de musici in Praag of Brno volop van konden profiteren. Het is in dit verband ronduit jammer dat hij het in Tsjechië nooit tot chefdirigent maar alleen tot vaste gastdirigent, in dit geval van de Tsjechische Filharmonie, heeft gebracht.

Iin de nazomer van zijn carrière heeft de vloeiende Tsjechisch sprekende Mackerras als chefdirigent van het Scottish Chamber Orchestra nog een groot aantal opvallende opnamen gemaakt, onder andere met muziek van Mozart, Brahms en Händel (de opname van de Water Music met een bataljon blazers was en is nog steeds een spectaculaire happening).

Opnamen

Hoezeer Mackerras met de puur idiomatische kant van de Tsjechische muziek vergroeid is geweest blijkt met name uit zowel zijn vele Decca-opnamen van de opera's van Janácek als uit deze tien cd's plus een dvd met onder andere de orkestwerken van Dvorák, Smetana en wederom Janácek (met bovendien diens Glagolitische Mis in de oorspronkelijke versie). Zoals de Weners onnavolgbaar 'hun' Strauss en Lanner over het voetlicht brengen, zo brachten Mackerras en zijn musici hun 'special touch' aan de Tsjechische muziek aan, in de allerbeste traditie van een Ancerl en een Talich. Precies zoals Rafael Kubelík dat bleef doen, ook toen hij eenmaal chefdirigent was van het orkest van de Beierse omroep, om vervolgens met de Berliner Philharmoniker met 'zijn' Dvorák zowel de Oude als de Nieuwe Wereld te veroveren.

Was Mackerras' vertolkingskunst onnavolgbaar, uniek? Gelukkig niet, want wat zou er dan over zijn gebleven van dat Tsjechische muzikale traditionalisme? De uitvoeringen onder leiding van Mackerras bieden nu juist - getuige ook deze cd's - dat zo vanzelfsprekende Tsjechische naturalisme dat intussen wèl uniek is geworden. Nu Mackerras er niet meer is moeten we misschien wel al onze hoop zetten op dirigenten als Iván Fischer die met zijn Budapest Festival Orchestra met zijn volle gewicht achter de Oost-Europese muzikale tradities staat en die ook in de praktijk brengt. Welnu, er zijn heel wat slechtere paarden om op te wedden! In ieder geval hebben we deze in de periode 1984-2009 gemaakte opnamen met Mackerras en 'zijn' Tsjechen die ons blijven herinneren aan een van de belangrijkste muzikale tradities die Europa heeft gekend. Met dank mede aan het Tsjechische label Supraphon dat al dit moois keurig heeft geregistreerd en zo bij ons in de huiskamer brengt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links