CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2020

Liszt: Années de pèlerinage S 160, 161, 162, 163 (compl.)

Suzana Bartal (piano)
Naïve V 7082 • 49' + 70' + 51' • (3 cd's)
Opname: mei 2019, Prieuré de Chirens (F)

   

In 1835 streek Franz Liszt met zijn toenmalige levensgezellin gravin Marie d'Agoult in het toen al mondaine Genève neer, om van daaruit een aantal reizen door Zwitserland en Italië te ondernemen. Evenals Goethe vóór hem (diens beroemde Tagebuch der Italienischen Reise [1786-1788] had in de reisboeken van onder meer Heinrich Heine en George Sand een waardige pendant) hield ook Liszt de vele reisindrukken vast, maar anders dan de grote schrijvers zette hij die om in een uiterst beeldende muziektaal die hij zelf van een passende naam voorzag: Années de pèlerinage, Jaren van pelgrimage. Waarbij het, althans met die jaren wel meeviel: het werden er uiteindelijk niet meer dan drie.

Liszt had zich al eerder aan dergelijke ‘reisbespiegelingen' gewaagd, zoals blijkt uit de Album d'un voyageur, Album van een reiziger, gecomponeerd rond 1836 en in 1842 voor het eerst gepubliceerd. Het eerste deel is eveneens getiteld Suisse en is, de titel zegt het al, geheel gewijd aan zijn eerdere omzwervingen in Zwitserland, al moeten we dit niet al te letterlijk nemen. Wat daarbij ook treft is dat vijf van de negen delen uit het gelijknamige eerste deel van de Années: Chapelle de Guillaume Tell, Auc lac de Wallenstadt, Pastorale, Au bord d'un source, Le mal du pays en het afsluitende Les cloches de Genève ingrijpende bewerkingen zijn van stukken uit het Album d'un voyageur. Aldus zijn alleen Orage en Églogue wel geheel nieuw.

In 1841 volgde eerste, door het Parijse uitgevershuis Richault verzorgde publicatie. Maar daar bleef het niet bij, want nadat Liszt zich in 1848 van het concertpodium definitief had teruggetrokken, nam hij in zijn woonplaats Weimar alle tijd en gelegenheid te baat om zich volledig aan het componeren te zetten, met als gevolg dat niet alleen nieuw werk uit zijn pen vloeide, maar hij ook oudere stukken onder een uiterst kritisch vergrootglas legde, met als gevolg een deels ingrijpend gereviseerd oeuvre. Dat had wat Suisse betreft zelfs dermate verstrekkende gevolgen: hij begon er opnieuw aan en wel dusdanig het tot een geheel nieuw manuscript leidde dat in 1855 zou dienen voor een geheel nieuwe ‘revidierte' uitgave, die bij de muziekuitgeverij van Schott in Main in druk verscheen. Wat overigens niet wegneemt dat er pianisten zijn die toch de voorkeur geven aan de meer uitgesproken virtuoze pianistiek van de eerste versie van Vallée d'Obermann zoals die in 1842 afzonderlijk bij muziekuitgever Haslinger in Wenen verscheen en mogelijk om die reden in sommige complete uitgaven als appendix is toegevoegd.

Die omzwervingen van Liszt moeten we, ik memoreerde het al, niet al te letterlijk nemen, zoals blijkt uit met name Vallée d'Obermann, dat geen topografische maar een literaire achtergrond heeft (we zien dit element later nog terugkomen). Het is gebaseerd op de gelijknamige roman (hoewel in de eerste uitgaven nog zonder die laatste n) van de Franse schrijver Étienne-Pivert de Senancour, die na de Franse Revolutie als banneling naar Zwitserland was uitgeweken. Het is dit boek in briefvorm waarin uitvoerig wordt verhaald van de - uiteindelijk vergeefse - pogingen om persoon en natuur in opperste harmonie met elkaar te verbinden en waaraan het nodige voorafgaat: 'Que veux-je? Que suis-je? Que demander à la nature?' Een belangrijk zijthema is de hunkering naar het geloof zonder evenwel in staat te zijn dit tot werkelijkheid te laten worden, waarna alleen nog de volledige overgave wacht. Het boek staat bekend als waar schoolvoorbeeld van de vroege (Franse) Romantiek. Echt succesvol was het in het begin echter niet, getuige de geringe publieke belangstelling, maar rond 1835 en later ook nog rond 1840 veranderde dat aanzienlijk nadat eerst Charles Augustin Sainte-Beuve en vervolgens George Sand voor een aan de tijdgeest aangepaste nieuwe druk hadden gezorgd. Niet lang daarna behoorde het zelfs tot de meest gelezen boeken in Parijse literaire kringen. Liszt, die vanaf 1823 in Parijs woonde, zal er ongetwijfeld daar kennis mee hebben gemaakt om het dan het later muzikaal in Suisse op literair-programmatische grondslag te verbeelden. Van de negen stukken die Suisse omvatten is Vallée d'Obermann met een speelduur van zo'n veertien minuten verreweg het langste, maar ook het meest monumentale.
Invloeden van de roman van Senancour vinden we overigens ook elders nog in Suisse terug, zoals aan het meer van Wallenstadt en in de straten van Genève, met in Eglogue en Le mal du pays nog flarden typisch Zwitserse folklore.

Helder is ook dat het publiek van ‘kenners en liefhebbers' rond de eerste verschijning van de Années door de in die tijd heersende literaire stromingen anders dan nu een aanmerkelijk beter begrip van deze stukken zal hebben gehad. Natuurlijk kan men deze muziek ook zonder literaire kennis ‘ondergaan (bovendien: men mist niet wat men niet kent), maar het lijkt mij zonneklaar dat de muzikale inhoud aan betekenis wint, er een extra dimensie aan wordt toegevoegd vanuit het literaire perspectief. Al valt uiteraard niet te ontkennen dat de toenmalige gevoels- en gedachtewereld zich niet in genen dele nog verhoudt tot de onze.

In het tweede jaar van de cyclus bevinden we ons in het Italië van de schilders, beeldhouwers en dichters: Spozalizio (bruiloft) verwijst naar het bekende schilderij Het huwelijk van de maagd, van Rafael Santi en voor Il pensieroso heeft de denker van Michelangelo model gestaan. De lieflijke Canzonetta del Salvator Rosa (de titel spreekt voor zich) wordt gevolgd door drie diepgravende sonnetten van Petrarca en afgesloten door de Dante-sonate die qua omvang zelfs Valléé d'Obermann nog overstijgt. Geen wonder, want er valt er niet te overpeinzen na de Lecture van Dante in dit als Fantasia quasi sonate aangeduide, zo facetrijke slotstuk!

Maar er volgen toch nog drie ‘toegiften': Venezia e Napoli, bestaande uit Gondoliera, Canzone en Tarantella, alle gecomponeerd in 1840 maar alsnog ingrijpend gereviseerd in1859 en in 1861 apart gebundeld uitgegeven. Het betreft hier twee betoverend vormgegeven liederen, de eerste (Gondoliera) gebaseerd op La biondina in gondoletta van Peruchini en de tweede, de Canzone, op de bekende aria Nessun maggior dolore uit Rossini's opera Otello. Het slotstuk is een onvervalste tarantella, vrij naar een aantal thema's van Cottrau.

Het derde jaar speelt zich eveneens in Italië af en heeft ditmaal wel een hoog topografisch karakter, met geweeklaag aan de voet van de cipressen rond de Villa d'Este, waaraan het deels lichtvoetige en stichtelijke Angelus! Prière aux anges gardiens voorafgaat. Na het spelen op het water volgen twee stukken die het aardse tranendal weerspiegelen: Sunt Lacrymae Rerum, en een onvervalste treurmars in de ´Hongaarse modus´ als diep gevoeld memento mori. Het slot van de Années is dan weer verkwikkendm, mede dankzij het in de linkerhand hardnekkig repeterende Sursum corda, ‘verhef het hart'. Alsof Liszt heeft willen uitdrukken dat dit de belangrijkste boodschap voor ons allen is.

Heeft het werk onder invloed gestaan van die romance tussen Liszt en de zes jaar oudere d'Agoult, moeder van twee kinderen en schrijfster (ze publiceerde onder het pseudoniem Daniel Stern)? Ongetwijfeld*. In haar latere memoires liet ze er geen misverstand over bestaan dat Liszt de meest bijzondere persoonlijkheid was die ze ooit in haar leven had ontmoet, de relatie beschrijvend ´als 15cm sneeuw boven 6m lava'. Het moet er tussen die twee zeer romantisch aan toe zijn gegaan! Dat kan eigenlijk alleen nog maar het toch al aanzienlijk literair-romantische gehalte van deze Années versterken. Geen wonder dat het werk wordt gerekend tot hoogtepunten van de ‘verhalende' pianowerken uit de negentiende eeuw.

Dan is er Suzana Bartal (klik hier), die mij – en ik zeg dit niet zonder enige schaamte – volkomen onbekend was, totdat deze formidabele set in mijn brievenbus belandde. In het cd-boekje verklaart ze dat de Années deel uitmaken van haar muzikale DNA en zoals dat in de muziek altijd geldt: hearing is believing. En inderdaad, haar vertolking is in een woord overrompelend, ingegeven door een fenomenale techniek die het hechte fundament vormt voor het fonkelende kleurenspel dat terecht grote romantische uitslagen kent en waarmee ze werkelijk volmaakt de verbinding legt tussen het landelijke Suisse met zijn fabuleuze natuurschilderingen en de betoverende wereld van Dante, Petrarca, Michelangelo en Rafael. Fenomenaal ook hoe zij het derde jaar, met als expressief middelpunt de Villa d'Este met zijn sublieme renaissance-paleis en de schitterend aangelegde tuinen (ik was er en kan het zeker navoelen), niet door pure virtuositeit laat vervlakken, maar ook de mystieke vergezichten tot volle wasdom laat komen. Dit is spel dat wordt gedragen door aristocratisch raffinement waaruit zoveel adembenemende details worden losgemaakt dat het een ware lust voor het oor en het gemoed is. Dat strekt zich ook uit tot de drie deeltjes die het supplement ‘Venezia e Napoli' omvatten: ook hier zijn muzikanteske verbeelding, perfecte articulatie en dynamische precisie voortdurend aan het woord, waarmee ze dan bijna en passant maar wel onomstotelijk het bewijs levert van Liszts geniale schrijfwijze. Dan is er de opname die dankzij de glanzende sonoriteit in alle registers van de perfect gestemde concertvleugel eveneens aanzienlijk bijdraagt aan dit grandioze luisterfeest.

_________________
* De muziekgeschiedenis kent meer van dergelijke bijzondere relaties die even bijzondere muziek hebben opgeleverd, waaronder Berlioz en Harriet Smithson, Brahms en Clara Wieck, Chopin en George Sand, Beethoven en de zusters Therese en Josephine Brunsvik, enz.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links