CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2019

Liszt: Pianosonate in b, S 178 - Deux Légendes S 175 - Années de pèlerinage: Deuxième année S 161 nr. 7 (Après une lecture de Dante) - Csárdás obstinée S 225 nr. 2

Joseph Moog (piano)
Onyx 4195 • 64' •
Opname: augustus 2018, SWR Studio, Kairserslautern (D)

   

Je moet als pianist van wel zéér goede huize komen om Liszts (enige) pianosonate alleen al in technisch opzicht zonder inzinkingen aan te kunnen. Het lijkt wel alsof de componist voor de executant in een tijdsbestek van nog geen halfuur een soort van pianistische Himalaya heeft willen optrekken. Daarachter gaat echter nog een stevige moeilijkheid schuil: de interpretatie van al die noten. Zes delen die zonder onderbreking in elkaar overgaan betekenen bovendien een rechtstreekse aanslag op de minder vormvaste pianist en niet zonder spijt lijkt het mij toch dat de Duitse klavierleeuw (want daar heeft het alle schijn van) Joseph Moog (1987) zich tot die categorie moet rekenen.

Jazeker, het klinkt bijna oogverblindend virtuoos, iedere noot staat als een huis, hij schudt de dubbeloctaven moeiteloos uit zijn mouw en zelfs in de meest complexe passages (en dat zijn er op de keper beschouwd toch wel heel erg veel) blijft zijn toon nobel, terwijl zelfs in het meest delicate pianissimo de kern overeind blijft. En toch. het overtuigt niet. Omdat onder zijn handen de structurele aspecten nauwelijks gewicht in de schaal leggen en menigmaal zelfs los zand aan elkaar hangen. Zoals de zich vanuit het motief ontwikkelende thematiek door Moog ernstig te lijden heeft van een gebrek aan cohesie, zo maken de (vele) transities geen organisch deel uit van hetr daarmee verbonden discours. Terwijl Liszt nu juist zozeer zijn best heeft gedaan om aspecten als thematische verplaatsing en ingenieuze (gedaante)verwisseling juist wel structureel goed in te bedden. Wat hem overigens uitstekend is gelukt.

Wat Moog zeker parten heeft gespeeld is zijn hang naar bijna obsessieve, zich in een flits voltrekkende tempowisselingen waardoor de toch al op de loer liggende verbrokkeling van het thematisch materiaal nog verder wordt uitvergroot. Zijn spel kent ook te weinig bezonkenheid en daarmee stabiliteit: hij vervalt van de ene driftige akkoordenreeks in de andere en zet daarbij het contrast tussen langzaam en snel nog verder op scherp. De uitkomst daarvan is voortdurende onrust. Waarom? Met welk doel? Om een bepaalde spanning te creëren? Maar dan ongetwijfeld alleen in zijn hoofd, want voor de luisteraar wordt het zo een uitermate lastige exercitie. Natuurlijk kent deze sonate een althans deels rusteloze puls, maar die is van een geheel andere orde dan Moog ons wil doen geloven.

Dat beeld herhaalt zich net zo onverschrokken en overmoedig in de Dante-sonate (het zevende deel uit het tweede jaar van Lisztz muzikale pelgrimage): er is geen thematische cohesie en de diepe gelaagdheid van het stuk wordt bij herhaling uit zijn verband gerukt. En hoe is het toch mogelijk dat in de beide Légendes de lyriek het moet afleggen tegen een op snelheid geënte verbetenheid die de beide stukken compleet van hun betovering berooft? De afsluitende Csárdás is wel van Hongaarse snit, maar toch vooral harkerig. Nee, dit is geen recital om naar terug te keren.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links