CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2019

Liszt - O Lieb!

Liszt: Hohe Liebe S 307 - Jugendglück S 323 - Liebestraum 'O Lieb!' S 298 - Morgens steh' ich auf und frage S 290/2 - Es rauschen die Winde S 294/2 - Die Loreley S 273/2 - Freudvoll und Leidvoll II S 280/2 - Vergiftet sind meine Lieder S 289 - Bist du S 277 - Was Liebe sei S 288/1 - Die Zelle in Nonnenwerth S 274/2 - Nimm einen Strahl der Sonne S 310 - Lasst mich ruhen S 314 - Schwebe, schwebe blaues Augen S 305/1 - Der Fischerknabe S 92/1 - S'il est un charmant gazon S 284/1 - Enfant, si j'etais roi S 283/2 - Oh! quand je dors S 282/2 - Comment, disaient-ils S 276/2 - Angiolin dal blondo crin S 269/2 - Drie sonnetten van Petrarca: Pace non trovo - Benedetto sia 'l giorno - L' vidi in terra angelico costumi

Cyrille Dubois (tenor), Tristan Raës (piano)
Aparté AP200 • 83' •
Opname: oktober 2018, Parijs

   

Het Literatuurmuseum in Den Haag beschikt over een belangrijke, aan Simon Vestdijk gewijde collectie manuscripten en memorabilia, waaronder vier handgeschreven cahiers die samen de roman ‘De onmogelijke moord' vormen. Met het vierde, tevens laatste cahier is iets heel bijzonders aan de hand: Vestdijk onderbrak midden in het verhaal spontaan de verhaallijn en zette zich, in datzelfde schrift, aan iets geheel anders: een essay getiteld ‘Muziek en literatuur'. Volgens de conservator van het museum is dit uniek in Vestdijks literaire nalatenschap. Of dat essay ooit voor publicatie bestemd is geweest is onbekend, maar de nogal complexe schrijfstijl en de vele doorhalingen doen vermoeden dat Vestdijk het eerder voor persoonlijk gebruik zal hebben bedoeld. Of om het later alsnog aan te vullen of om te werken, waar het dan niet meer van is gekomen.

Wat in het essay vooral opvalt is Vestdijks laatdunkende mening over de betekenis van de dichtkunst: hij kent haar, zo wordt al snel duidelijk, een beduidend lagere rangorde toe dan de muziek. Ietwat gezwollen schrijft hij dat de poëzie (en a fortiori het proza) achtergesteld is aan de ‘kunst der tonen'. Hij ziet een componist voor zich die een lied wil schrijven en daarvoor de dichtkunst nodig heeft. De zanger moet immers een tekst hebben, terwijl de muziek een bepaalde sfeer moet oproepen. Dat laatste lijkt het belangrijkste, want zangmelodie en begeleiding hoeven volgens Vestdijk niet van enigerlei literaire smaak te getuigen. Hij zet het argument zelfs kracht bij door naar Brahms te verwijzen, de componist die aldus Vestdijk met de ‘meest onbeduidende ‘versjes' genoegen nam zonder het uiteindelijke resultaat ook maar enigszins in de waagschaal te stellen'.

Vestdijk wijst er bovendien op dat wie naar een lied luistert lang niet altijd de betekenis ervan (de tekst) meekrijgt, om eraan toe te voegen dat het in de muziek daar ook niet per se om draait. Simpel gezegd is het woord achtergesteld aan de klank en is het de muziek die de poëzie opslokt. Anders dan de literatuur blijft de muziek onder alle denkbare omstandigheden zichzelf. Poëzie daarentegen zou – volgens Vestdijk – ‘graag muziek willen zijn'. En dat ‘de beste verbinding van muziek en literatuur waarschijnlijk het schrijven óver muziek is, in prozavorm', niet toevallig een genre dat Vestdijk zelf intensief heeft bedreven (denk alleen maar aan het grote aantal muziekessays van zijn hand, waaronder een breed opgezette verhandeling over de Bruckner-symfonieën).

Het gedicht delft het onderspit, de muziek triomfeert. Dat zo ongeveer Vestdijks gedachtegang. Zijn gelijk kan alleen worden bevestigd (of ontkend) door het individu: een grootste gemene deler is er immers niet. Ik kwam erop toen ik in het cd-boekje de kop van de toelichting las: ‘A strange and powerful melody', The voices of Liszt, met in de marge daarvan: ‘Das hat eine wundersame, Gewaltige Melodei' (een citaat uit ‘Die Loreley' van Heinrich Heine).

Wat uiteraard wel helpt is een zorgvuldige tekstkeuze van de componist (dus niet in de trant van die ‘onbeduidende versjes'). De keuze van Liszt wijkt niet af van de gebruikelijke romantisch getinte thema's zoals daar zijn natuur, liefde (met het verdriet dat er ook bijhoort), jaargetijden (met name de lente), eenzaamheid, treurnis en dood. Thema's dus die in de negentiende eeuw niet alleen dichters maar ook componisten bijzonder inspireerden. De onderwerpen mogen tijdloos zijn, de karakterisering ervan in de dichtkunst is dat vaak niet. Wat voor de daarmee verbonden muziek absoluut niet hoeft te gelden.

Liszt de hooggestemde romanticus avant la lettre, heeft - en hij was voorwaar de enige niet - de lyriek dankzij zijn muziek boven zichzelf uitgetild. Zelfs als we in aanmerking nemen dat het ‘ideaal' van het negentiende-eeuwse lied dat van de eenvoud was. Want daarvan heeft Liszt zich geen zier aangetrokken: het kon hem op het expressieve vlak in muzikaal opzicht niet gelaagd genoeg zijn, met ingewikkelde texturen tot gevolg. Ergo, het is die gelaagdheid die sterk contrasteert met menige eenvoudige liedtekst. Wat ook aangeeft dat hij als componist vaak genoeg niet eens een onderscheid wenste te maken tussen een eenvoudige, zo niet oppervlakkige en een (veel) dieper woelende tekst. Daardoor komt Liszt overigens wel dichter bij het standpunt van Vestdijk!

Wie als liedzanger op simpele teksten stoot wil er misschien vanuit de interpretratie meer uithalen dan er feitelijk in zit. De muziek moet dan te hulp komen, want een alternatief bestaat niet (of het zou een gekunstelde aanpak moeten zijn). Als de tekst het niet of onvoldoende 'doet', moet het van de muziek komen. Niet alleen de interpreet loopt hier tegenaan, maar ook de componist! Met andere woorden: 'onbeduidende versjes' kunnen schitterende muziek opleveren en in het verlengde daarvan een indrukwekkende interpretatie.

De teksten verder daargelaten schieten de liederen van Franz Liszt zeker niet tekort, niet voor de zanger en de pianist, niet voor de toehoorder. Op het instrumentale vlak zal de pianist zich hee gelukkig voelen dankzij Liszts enorme ervaring als pianist en het modernistisch cachet dat hij aan zijn harmonieën heeft meegegeven. Sterker nog: die pianopartij alleen al is zowel een lust voor het oor als een krachttoer. Dat laatste niet alleen vanuit het perspectief van de virtuositeit, maar ook door de complexe harmonische textuur. Tristan Raës voelt zich in Liszts fascinerende verkenningen hoorbaar als een vis in het water.

De Franse tenor Cyrille Dubois excelleert niet alleen in pure lyriek, maar ook in stilistisch wonderschone expressiviteit. Het is zelfs bijzonder indrukwekkend hoe hij zich als een kameleon door dit oeuvre beweegt dat al zozeer de richting van de moderniteit aangeeft. Deze liederen dateren uit de scheppingsperiode 1850-1860, dus staan ze qua tijdsbeeld nog vrij ver verwijderd van het harmonisch wrange ‘Via Crucis' (ca. 1877), laat staan de uitgebeende late pianowerken (ca. 1880), maar desondanks laat de de vooruitstrevende koers niets te raden over. Met grote souplesse, volmaakte dictie, groot inlevingsvermogen en een goed gevoel voor timing schetst Dubois met afwisselend fijne en dikke penseelstreken deze wonderbaarlijke miniaturen. Tristan Raës doet eigenlijk precies hetzelfde: twee zielen, een gedachte lijkt het wel, ze voelen elkaar ook intuïtief aan. Vrijheid in gebondenheid, dat is het.

Dit veeleisende, drietalige programma (Duitse, Franse en Italiaanse teksten) vereist grote verbeeldingskracht en het scheppen van de bij ieder lied passende, juiste sfeertekening. De ‘hulpmiddelen' zijn evident, zowel in de vocale als in de pianopartij: perfecte articulatie en frasering, vloeiend legato naast scherp gestoken ritmiek, gevoel voor dynamische proportie en contrastwerking (dat laatste hangt dan tevens samen met de opbouw van het programma), maar ook wat de zanger betreft volmaakte dictie en uitspraak. Allemaal aspecten die deze cd tot een fascinerende luisterervaring maken. Het is Duits, het is diep romantisch, het is bij tijd en wijle zelfs ‘schwärmerisch' (wat toch vooral voor rekening van de componist komt), maar tegelijkertijd overrompelend en betoverend. Wat daarbij zeker een belangrijke rol speelt is dat zowel Dubois als Raës zich muzikaal volledig met de teksten hebben weten te identificeren. Het levert op wat Vestdijk in zijn essay buiten spel liet: pure synergie. Alleen zo blijft de aandacht gevangen, ruim tachtig minuten lang. Een prestatie van groot formaat.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links