CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2019

 

Liszt: Via Crucis S 53 - Salve Regina S 66 - Vater unser S 29* - Ave Verum Corpus S 44*

Marnix de Cat (orgel)*, Collegium Vocale Gent o.l.v. Reinbert de Leeuw (piano)
Alpha 390 • 50' •
Opname: juni 2017, Sint-Machariuskerk, Gent (B)

 

Met Pasen in aantocht ‘regent' het binnenkort ongetwijfeld weer van de Matthäusen en Johannesen. waar overigens niets mis mee is. Wat niet kan worden gezegd van zoiets vreselijks als Jesus Christ Superstar , een met Nederlandse popartiesten volgeladen platvloers karkas dat iets moet verbeelden dat ver buiten de horizon van menige gelovige ligt. Maar zoals het in ons land zo vaak gaat: zowel het goede als het slechte wordt uiteindelijk traditie.

Passiemuziek is in ons land heel diep ingeburgerd. Maar er is veel meer dan alleen die Matthäus- en Johannes-Passion van de grote Johann Sebastian Bach, zoals die door de eeuwen heen werden gecomponeerd. Collega Emanuel Overbeeke heeft er een alleraardigst boekje aan gewijd (ik weet het: dit is prediking voor de eigen parochie): ‘ 'Ruhe sanfte, sanfte Ruh!' van mijn collega Emanuel Overbeeke. Vanzelfsprekend wordt daarin ook de 'Via Crucis', de 'Kruisweg', van Franz Liszt behandeld, waarvan Reinbert de Leeuw, de éminence grise van de moderne muziek, maar intussen ook van Bachs Matthäus- en Johannes-Passion, een nieuwe opname heeft gemaakt.

Grensverleggend
Het lijkt wat kort door de bocht om 'Via Crucis' (1878) als een gecondenseerde Matthäus-Passion voor te stellen, maar een feit is wel dat Franz Liszt (1811-1886) aan het einde van zijn turbulente leven een geloofswerk componeerde dat - evenals in de overige late werken van deze componist - is ontdaan van iedere vorm van franje. Een overvloed van klankkleuren en epaterende virtuositeit heeft plaats gemaakt voor een tot op het bot afgekerfd discours dat geen enkele ruimte meer laat voor een muzikaal opgesmukt lijdensverhaal. Dit alleen al vereist uiterst geconcentreerd luisteren, wat in deze van een onstuitbare zapcultuur getuigende tijdgeest voor velen onder ons een behoorlijke opgave lijkt te zijn geworden. Liszts verklanking van de veertien kruiswegstaties, voorafgegaan door een proloog, is niet meer het werk van een op het effect beluste pianovirtuoos, maar van een op het affect gerichte vernieuwer die de grenzen van de tot dan zo vast verankerde, zo vertrouwde tonaliteit doelbewust heeft opgezocht en die al danig aan haar kettingen rukt. De vaak uitgesproken onwelluidende, ongemakkelijke retoriek die zich ontrolt lijkt symbool te staan voor een troosteloos en kaal landschap waarin Jezus zijn lot moet ondergaan. Daarmee zijn we tevens aanbeland in de klankwereld van 'La lugubre gondola' en 'Nuages gris', twee stemmingsstukken voor piano solo die ook al het einde van een tijdperk inluiden. De grenzen worden echter nog niet geslecht: het zou op de kop af nog veertig jaar duren alvorens de eerste atonale composities van Arnold Schönberg ontstonden, waaronder 'Pierrot Lunaire'. Maar niet alleen Liszt: ook Anton Bruckner leek, ruim een decennium na 'Via Crucis', in het Adagio van zijn Negende symfonie schoorvoetend op weg naar de atonaliteit, een proces dat in die kolossale clusters in het Adagio van Mahlers Tiende symfonie (1910 zijn progressieve bevestiging vond.

 

 

Abbé Liszt

Hoe groot voor Liszt die stap naar de uitgebeende en grensverleggende 'Via Crucis' moet zijn geweest valt niet meer te achterhalen, maar niets komt uit zichzelf voort. Hij had zich inmiddels teruggetrokken uit het openbare muziekleven, de pandjesjas van rondreizend pianovirtuoos aan de wilgen gehangen en de Hofkapelle in Weimar vaarwel gezegd. Hij ging naar Rome, kreeg daar een honoraire titel van geestelijke en noemde zich voortaan Abbé Liszt '. Niet alleen zijn levensstijl was beduidend soberder geworden, ook zijn noten waren dat. Hij vond daarin al snel de weg naar een klanktaal die zich door zijn diepgang en beeldende kracht duidelijk van al het andere onderscheidde.

Verlate première
Voor Liszts uitgever was de stap in ieder geval veel te groot. Toen Liszt het werk in 1884 wilde laten drukken stuitte hij bij zijn uitgever op een muur van onbegrip. Een niet minder belangrijke hindernis op weg naar de verspreiding ervan was het Vaticaan, dat er niets van wilde weten. Men vond het te modern, maar bovenal onbegrijpelijk. Zeker in die tijd in een dogmatische omgeving niet geheel onbegrijpelijk. Eerst in 1929 kon er sprake zijn van een heuse première, in Boedapest, op Goede Vrijdag, bijna 43 jaar na de dood van de componist.

De veertien staties hebben alle een Duitse titel. Ze komen overeen met de kruisweg zoals die vanaf 1741 in alle rooms-katholieke kerken werd gepredikt. Toch heeft Liszt zich niet consequent aan het verloop ervan gehouden: de delen III, VI, VII en IX ('Ieus cadit' en 'O Haupt voll Blut und Wunden') zijn niet letterlijk aan het evangelie ontnomen. De proloog, een Andante maestoso, is ontleend aan een tekst ('Vexilla regis prodeunt', 'Christus' vaandels verschijnen') van de zesde-eeuwse dichter Venantius Fortunatus (hij werd later bisschop in Poitiers).

Die D 
Reinbert de Leeuws fascinatie voor 'Via Crucis' gaat al meer dan drie decennia terug. Verwonderlijk is dat niet, getuige zijn sterke affiniteit met de muziek van de Tweede Weense School, en dan met name met die van Schönberg. In 2012 nam hij de versie voor piano solo op, in 1986 voorafgegaan door zijn met een Edison bekroonde opname van het werk in de oorspronkelijke versie voor koor en piano (de orgelversie stamt overigens niet van Liszt). Liszts radicaliteit en dan met name de muziek van de late Liszt past De Leeuw als een handschoen. Menigeen zal zich zijn bevlogen toelichting in een uitzending van DWDD herinneren, waarin hij 'een van de mooiste D's uit de muziekgeschiedenis' mocht toelichten (dat zijn bijdrage merendeels toch in het water viel lag niet aan De Leeuw, maar aan het koortsachtige tempo waarin dit tv-programma zich blijkbaar moet afspelen). Die inmiddels 'beroemde' D vinden we in de vierde statie, wanneer Jezus zijn moeder ontmoet. Tergend langzaam voltrekt zich dat proces in een volkomen leegte, we horen een verbrokkelde melodie, akkoorden die zich maar niet op laten lossen, tot die D verschijnt en het lijkt alsof de moeder - en daarmee Jezus - plotsklaps door een schitterend licht wordt omhuld. En dat in een stuk waarin we voortdurend geen vaste grond onder de voeten hebben en we bijna tastend verder moeten. Het is alleen de structuur en niet de muziek die ons houvast biedt. Al zijn er bijna bevestigende, zo u wilt 'comfortabeler' momenten, zoals in VI (het bekende koraal 'O Haupt und Blut und Wunden') en XII ('O Traurigkeit, o Herzeleid'). Luther die tussen de onherbergzame coulissen contemplatie en verademing schept op de valreep tussen tonaliteit en atonaliteit.

Van de 'Via Crucis' hadden we dus al een schitterende opname, toen nog op het Philips-label, met in de hoofdrol het sublieme Nederlands Kamerkoor en bekroond met een Edison. Nee, daar viel ogenschijnlijk niets meer aan te 'verbeteren', maar toch is aan de hand van deze nieuwe opname wel degelijk verklaarbaar waarom De Leeuw in juni 2017 naar de Sint-Machariuskerk in Gent toog. Met de koorkwaliteit heeft dit niets van doen: u zult wel van mij willen aannemen dat het Nederlands Kamerkoor niet onderdoet voor het Collegium Vocale Gent (dat geldt tevens voor de solistische rollen van Christus en Pilatus), maar toch durf ik deze nieuwe vertolking wel degelijk nog iets sterker aan te bevelen omdat De Leeuw daarin nieuwe inzichten etaleert, vooral op het punt van de dynamiek, agogiek en contrastwerking (het bijna breekbaar ingetogen Nolite flere super me, de sereniteit va het Stabat mater dolorosa en de meedogenloze hamerslagen in het Crucifige). De tempi liggen in de nieuwe opname bovendien beduidend hoger. Vier voorbeelden: het aan de 14 staties voorafgaande 'Vexilla Regis Prodeunt' 4 versus 5:16, statie 5 2:48 versus 3:37, statie 13 3:16 versus 4:22, statie 14 3:24 versus 5:58. Sneller betekent echter niet minder gravitas, integendeel zelfs. Het werk staat volkomen in het teken van één grote spanningsboog die De Leeuw van begin tot eind consequent doortrekt en waarbij de pianopartij evenzeer sterk deel uitmaakt als het koor. De versmelting is menigmaal zelfs optimaal. Het nieuwe album biedt bovendien drie aanvullende koorwerken: Salve Regina, Vater unser en Ave Verum Corpus. Koorzang (vier sopranen, vier alten, vier tenoren, vier bassen, waaronder ook solistische rollen) die om superlatieven vraagt, pianospel van grote expressieve schoonheid en een opname die het allemaal feilloos weergeeft. Nee, dit is bepaald geen overbodige, nieuwe uitgave.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links