CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2013

 

Musicalischer Seelen-Frieden (Nürnberg 1697)

Krieger: Herr, auf dich trau ich (Psalm 31) - Sonata Sesta à doi in a, op. II - Es stehe Gott auf (Psalm 68) - Sonata Quarta à doi in F, op. II - Gott, man lobet dich in der Stille (Psalm 65) - Sonata Quinta 1a doi in G, op. II - Ecce nunc benedicite Domino (Psalm 134)

Dorothee Mields (sopraan), Hamburger Ratsmusik o.l.v. Simone Eckert (viola da gamba)

Carus 83.372 • 59' •

Opname: mei 2012, Refektorium, Heilsbronn (D)

   

Als aan het hof de dood zijn intrede doet is het letterlijk uit met de pret: zwarte banieren waaien in de wind, de muziek zwijgt, de bedienden bewegen zich op kousenvoeten door de kamers en iedere vorm van frivoliteit is uitgebannen. Wat er zich achter de gesloten deuren afspeelt weet slechts een enkeling, maar er wordt alom gerouwd; en niet voor een paar dagen of weken, maar een jaar lang: het is 'Trauerjahr'. Alleen in de kerk zingt de gemeente nog, zij het uitsluitend a cappella, want zelfs het orgel laat niet van zich horen.
Ook financieel moeten offers worden gebracht: zonder muziek zijn componisten en musici immers overbodig. Als ze geluk hebben mogen ze hoogstens op een hovaardige aalmoes rekenen, maar meestal moeten ze zelf maar zien om in het 'Trauerjahr' aan de kost te komen. Bovendien is terugkeer vaak ongewis omdat nieuwe meesters vaak nieuwe wetten met zich meebrengen, of dat het geld dat eerst voor de 'kunst' was gereserveerd, krijgt een andere bestemming (dat kan ook het hoffelijke spaarvarken zijn). Als er tenminste van een nieuwe meester sprake is, want de dood van een dergelijke notabele bracht nogal eens een glijvlucht naar een ondraaglijke schuldenlast en ten slotte het faillissement met zich mee. Wat eerst voor de buitenwereld zo lang mogelijk verborgen werd gehouden kwam nu in de openbaarheid. Zo kon de dood in meerdere opzichten hard worden gevoeld.

De financiële toekomst van de componist en musicus Johann Philipp Krieger (1649-1725) leek op 4 juni 1680 aan een zijden draad te hangen nadat zijn werkgever, de bij hem hoog in aanzien staande hertog August von Sachsen-Weißenfels, in Halle was gestorven. Maar als geluk bij een ongeluk arriveerde daar al na korte tijd Johann Adolph I, de rechtmatige opvolger van August, die niet alleen ruim bij kas zat maar ook de muziek hoog in zijn vaandel had staan. Dat bood Krieger nieuwe perspectieven, al moest hij zich eerst door een ingrijpende verhuizing worstelen. Het hem zo vertrouwd geworden Halle bleek plotsklaps een gepasseerd station, want de nieuwe hertog hield nu eenmaal residentie in het nabijgelegen Weißenfels. Of die verhuizing een forse duit heeft gekost vertelt de geschiedenis niet, maar vaststaat wel dat Krieger in die periode bepaald niet in de slappe was zat en gedwongen door geldzorgen een groot aantal van de in zijn bezit zijnde partituren moest verkopen.

Maar eenmaal in Weißenfels kreeg Krieger de kans van zijn leven: hem werd de post van Hofkapellmeister' zomaar in in de schoot geworpen, in vaste dienst van Johann Adolph. Tegenover de vaste en eerbiedwaardige positie stonden wel omvangrijke taken. Zo moest hij de bestaande 'Hofkapelle' drastisch uitbreiden en tevens naar een hoger niveau brengen, dit met uiteraard eersteklas musici. Daarnaast moest hij veel nieuwe muziek voor kerk en tafel componeren en alsof dat nog niet genoeg was werden van hem tevens grote 'theatrale' composities, Singspielen en zelfs opera's verwacht. Dan was er ook nog eens de tijdsdruk, zoals in 1682, toen de nieuwe slotkerk moest worden ingewijd en Krieger ter opluistering daarvan passende muziek diende te leveren.

In 1684 was hij echter bepaald nog niet moegestreden, want in dat jaar trouwde hij en zouden er uit dit huwelijk negen kinderen worden geboren. Maatschappelijk ging het hem uitstekend, niet in de laatste plaats door een nieuw kerkelijk decreet waarin de kerkmuziek een belangrijke plaats kreeg toegemeten, wat ook componisten geen windeieren legde. Voor Krieger was dit het sein om zijn composities nauwgezet te catalogiseren, met als resultaat een zo'n 700 pagina's tellend overzicht dat zijn onvermoeibare compositorische arbeid documenteert. Kriegers vijfenveertig 'dienstjaren' leverden alleen al zo'n 2150 cantates op (bij Bach waren dat er 325, voor zover overgeleverd, bij Buxtehude zo'n 400). De kwaliteit van de cantates in aanmerking genomen is het uitermate spijtig dat er niet meer dan zo'n 80 bewaard zijn gebleven. Al tijdens zijn drukke leven werden Kriegers composities in veel muzikale kringen, ook ver buiten de hofmuren, zeer gewaardeerd en uitgevoerd.

Krieger was niet altijd ingenomen met de uitvoering van zijn muziek. Er waart een kritische geest door zijn annalen. Zo valt daarin onder meer te lezen: '2. Advent 1708 - ein Stümper eine Cantata musiciret in meiner Abwesenheit'. En een week later 'hat wieder ein Stümper in meiner Abwesenheit den Text und ein ander die Komposition gemacht'.

Toch is de dood weer spelbreker, en wel op Tweede Pinksterdag 1697, als het Krieger tijdens een geplande feestelijke uitvoering in de slotkerk ter ore komt dat zijn broodheer stervende is. Zijn eerste daad na dit vreselijke nieuws is om de feestelijke trompetten door minder uitbundige violen te vervangen. Eenmaal thuis gekomen schrijft hi in zijn dagboek::

ist auch der Gottseelige , Theure Fürst und Herr zu Mittag mit dem Schlag half Zwölff, Sanft und Seelig in Gott entschlaffen, und dadurch die nachmittags Music und zugleich alle andre Vergnügung eingestellet worden. Gott tröste uns und laß uns sein antlitz leuchten, so genesen wir. Amen! Ach Gott! Amen!

Het huis Sachsen-Weißenfels is op slag in diepe rouw gedompeld. Voor de tweede keer in zijn bestaan moet Krieger meemaken dat de 'Music' moet zwijgen. Hij maakt echter van de nood een deugd en gebruikt de 'lege' tijd om een aantal manuscripten voor eerste druk gereed te maken om ze dan vervolgens in zijn geboortestad Neurenberg te laten drukken. Daaronder ook de aan de gestorven hertog Johann Adolph opgedragen, uit twintig geestelijke concerten bestaande 'Musicalische Seelen-Frieden', een werk dat de overleden hertog aan het muzikale hart gebakken was. Het is daarmee voor zover bekend de enige kerkelijke compositie van Krieger die ooit in druk is verschenen.

Johann Adolph werd opgevolgd door diens zoon Johann Georg die net als zijn vader veel van muziek hield en daaraan grote waarde toekende. Maar anders dan zijn oude heer liet de zoon het geld heel wat ruimhartiger rollen. Er kwamen meer en meer grote theater- en operaproducties, grote muzikale evenementen die ook bekende musici en toneelspelers naar Weißenfels lokten. Zo was in 1704 Georg Philipp Telemann daar te vinden en in 1710 Johann Krieger, de broer van kapelmeester Johann Philipp. In 1727 viel echter definitief het doek: de hofkapel legde als een van de eerste instituten het loodje in een inmiddels onvermijdelijk geworden schuldsanering, De meeste zaken van plezier werden uiteraard het eerst geschrapt. Johann Philipp Krieger hoefde dat echter niet meer mee te maken: hij was twee jaar eerder al overleden, op 5 februari 1725 in Weißenfels, kort voor zijn zesenzeventigste verjaardag.

Krieger was, zoals de meeste van zijn componerende tijdgenoten, praktisch ingesteld: ze waren meestal niet alleen componisten maar ook uitvoerende musici die naast het werk van anderen eigen composities speelden.
Voor zijn 'geistliche Konzerte' hanteerde Krieger een weliswaar simpel maar wel effectief model: ze zijn gezet voor zangstem (sopraan, alt, tenor of bas, al naar gelang op dat moment voorhanden was), waarbij in geval van nood de beide violen konden worden weggelaten en de basso continuo partij gemakkelijk door het orgel kon worden overgenomen. Het getuigt bovendien van een zowel vooruitziende als zakelijke blik om de concerten in zekere zin 'multifunctioneel' te maken: ze waren niet bestemd voor een specifieke zondagsdienst of gebeurtenis in het kerkelijk jaar. De psalmtekst zorgde voor een nauwe band tussen woord en muziek, met voldoende afwisseling in een inventief vormgegeven concerterende en cantabile stijl, aangevuld met ingevlochten recitatieven en accompagnati-accenten. De concerten zijn opgebouwd vanuit het principe van het geestelijk motet, met als slot een steevast jubelend-virtuoos Alleluja of Amen. De tempoaanduidingen variëren van Adagio tot Prestissimo, terwijl de instrumentale partijen zich consequent imiterend naar de (altijd dominante) zangstem voegen. Door de vele dynamische spanningswisselingen in deze concerten wordt het gehele discours nog eens extra verlevendigd. Zowel in compositietechnisch opzicht als qua expressie zijn deze werken waardige opvolgers van de geestelijke concerten en solomotetten van een gigant als Heinrich Schütz, een compliment dat Krieger zeker toekomt..

Dan is er de Duitse sopraan Dorothee Mields (Geldenskirchen, 1971) die gespecialiseerd is in het zeventiende- en achttiende eeuwse barokrepertoire. Ik hoorde haar nog eerder dit jaar tijdens het Bachfest in Leipzig, waar ze in de Nikolaikerk met het Amsterdam Baroque Orchestra onder leiding van Ton Koopman in twee Bach-cantates het publiek tot ademloos luisteren dwong. Ook nu weer is het haar sterk geëngageerde glanzende vocalistiek die Kriegers 'Seelen-Frieden' laat sprankelen en flonkeren. Het ensemble Hamburger Ratsmusik (twee barokviolen, theorbe, cembalo, orgel en viola da gamba) hoorde ik op deze cd voor het eerst. Wat mij betreft een bijzonder geslaagde kennismaking. We hebben de tijd gelukkig alweer ver achterons dat historiserend musiceren synoniem was aan een gevoel- en vreugdeloze houterigheid, waaraan menig ensemble zich in die tijd te buiten ging. Niet alleen Dorthee Mields sprankelt, maar ook de Hamburger Ratsmusik, zowel in de begeleiding van de vier psalmen als in de drie sonates; en dan is het geheel ook nog heel mooi opgenomen, met een ideale balans tussen stem en ensemble. Krieger zou er heel blij mee zijn geweest, denk ik zo! Geen ' Stümper die eine Cantata musiciret in seiner Abwesenheit'!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links