CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2012

 

 

Krenek: Complete Symphonies

Symfonie nr. 1 op. 7 (1921) - nr. 2 op. 12 (1923) - nr. 3 op. 16 (1923) - nr. 4 op. 113 (1947)* - nr. 5 (1949) - Concerto Grosso op. 25 nr. 2 (1924)* - Potpourri op. 54 (1927)

Volker Worlitzsch (viool), Dimitar Penkov (altviool), Nikolai Schneider (cello) (op. 25), Radio-Philharmonie Hannover des NDR o.l.v. Takao Ukigaya en Alun Francis*

CPO 777 695-2 (4 cd's)

Opname: 1993/1994/1995/2006

http://krenek.at/


De Oostenrijkse componist Ernst Krenek werd in 1900 in Wenen geboren en overleed in 1991 in het Amerikaanse Palm Springs. Daartussen liggen 68 orkeststukken en soloconcerten, 53 vocale en koorwerken met en zonder orkestbegeleiding, 102 kamermuziekwerken, 23 opera's, 5 balletten, 7 stukken in het elektronisch-akoestische domein en nog zijn editie van Mahles onvoltooid gebleven Tiende symfonie. Nee, Krenek heeft zeker niet stilgezeten, maar ondanks dit toch wel grote oeuvre dankt hij zijn (nog steeds bescheiden) populariteit aan slechts één werk: zijn opera Jonny spielt auf uit 1927. Dat zegt overigens niets over de kwaliteit van zijn werk, afgezien van het feit dat de tijd nog veel te kort is om hierover überhaupt een enigszins zinnig oordeel te vellen (hij stierf nog maar nauwelijks twee decennia geleden).

Evenals zijn tijdgenoot Bohuslav Martinu (1890-1959) legde Krenek zich niet vast op een of hoogstens een paar stijlen maar maakte hij zich meester van alles wat stilistisch los en vast zat. Dat begon al tijdens zijn studie bij de nog in de laatromantiek wortelende componist Franz Schreker, die hem de fijnere knepen van de polyfonie en de 'verwijde tonaliteit' bijbracht. Wat dat laatste precies is kunnen we lezen in Ton de Leeuws Muziek van de Twintigste Eeuw:

Bij de verwijde tonaliteit blijft een centrale, middelpuntzoekende werking aanwezig, ja, deze is zó krachtig, dat zelfs vrij complexe harmonische structuren haar niet kunnen ondermijnen. Elementaire harmonische functies komen nog wel voor, maar dikwijls zijn de centraal werkende krachten van horizontale aard.

En:

Wat voor een ongeschoolde luisteraar wellicht chaotisch en ‘atonaal’ klinkt, kan voor de insider een perfecte samenhang hebben; wat men in 1920 voor polytonaliteit aanzag is heden ten dage monotonaal, als we maar in staat zijn alle partijen op één centrum te betrekken.

Na Schreker trok Kreneks belangstelling naar de pregnante ritmen en percussieve elementen in de muziek van Béla Bartók. Zijn Eerste strijkkwartet uit 1921 is daarvan een goed voorbeeld. Het oorspronkelijkheidsgehalte is relatief laag maar het stuk is wel knap, om niet te zeggen veelbelovend gecomponeerd. Dat kan eveneens worden gezegd van een aantal grotere werken dat in diezelfde periode ontstond: de Eerste symfonie uit 1921, de Tweede en de Derde uit 1922/23 en het Vioolconcert uit 1924 (in dat jaar trouwde Krenek met Anna, de dochter van Gustav Mahler). Dat zijn bepaald geen doetjes, maar ze lijden enigszins onder Kreneks toen nog creatief impulsief karakter. De componist had bovendien enigszins moeite met een logisch doorgewerkte structuur. Het ging allengs beter toen hij kennismaakte met de muziek van de Groupe des Six, die voor hem min of meer de veilige tonale haven betekende, niet in de laatste plaats door de kruidige jazzfolklore die daarin een belangrijke rol speelde. We horen het duidelijk en onversneden in Jonny spielt auf. De populariteit van deze opera had daarin ook zijn oorsprong: het was toen al vrij gemakkelijk aanspreekbare muziek met een pakkend verhaal, waarin Jonny, een 'zwarte' jazzviolist centraal staat. Alleen al in het eerste seizoen, in 1927, werd de opera in Duitsland ruim vierhonderd keer op de planken gebracht. In die tijd was Krenek al een welgesteld man die alom aanzien genoot, maar dat beeld begon te kantelen na de opkomst van de Oostenrijkse bruinhemden en later de nazi's. De gewijzigde politieke omstandigheden en een mandvol repressieve maatregelen leidden uiteindelijk tot een algeheel verbod op de uitvoering van zijn werk. Aan de andere kant van de oceaan begonnen de dollars evenwel te rinkelen: de Amerikaanse première in New York in 1929, midden in de economische crisis, bleek al prompt een kassucces, al werden er in het eerste jaar niet zoveel voorstellingen gehaald als in Europa.

 
  Ernst Krenek in de jaren dertig

De neoromantische stijl die Jonny zo kenmerkte vinden we tevens terug in Kreneks opera Das Leben der Orest en in de liederencyclus Reisebuch aus den österreichischen Alpen, beide in 1929 voltooid. Maar ook daarin bleef Krenek niet al te lang hangen. Na zijn kennismaking in Wenen met Arnold Schönberg en Anton Webern stortte Krenek zich vol overgave op de twaalftoonsystematiek, met in 1933 als belangrijkste uitkomst de opera Karel V, die tussen de librettoregels door kritiek leverde op de nationaalsocialisten. Ze maakten er al snel korte metten mee. Voor Krenek was het intussen duidelijk geworden dat hij in dit Oostenrijk en in dit Europa niets meer te zoeken had. Na de 'Anschluss' in 1938 lonkte de VS voor de als cultuurbolsjewiek gebrandmerkte componist, met de succesvolle uitvoeringen van Jonny spielt auf nog in vers in herinnering.. Daar kreeg Krenek als docent al snel werk, eerst aan het Vassar College in Poughkeepsie (New York) en vervolgens aan de Hamline University in St. Paul. Dankzij een vast inkomen kon Krenek naar hartenlust componeren en experimenteren met elektronische en akoestische fenomenen. Daarnaast had de aleatoriek zijn belangstelling gewekt. In 1945 werd Krenek Amerikaans staatsburger, Amerika was zijn nieuwe vaderland en zou dit tot zijn dood in 1991 blijven..

Eenmaal in Amerika pakte hij de symfonie weer op. De Vierde ontstond in 1947. Het werk neemt ongeveer een halfuur in beslag en verwijst duidelijk naar het klassieke Weense model: de opzet is driedelig, met in de beide hoekdelen goed herkenbare 'restanten' van de sonate- en rondovorm. Toch zei Krenek er later zelf over dat de symfonische vorm tot en met Gustav Mahler zijn tijd al lang en breed had gehad en dat pogingen van zijn eigentijdse collegae hem in die opvatting eerder hadden gesterkt. Dat schreef een componist die een kwarteeuw eerder, in 1922, zijn Tweede symfonie nog had geschreven in de typisch laatromantische Mahler-Strauss-traditie. Dat neemt niet weg dat de ferme stap in de jaren veertig in de twaalftoonstechniek Kreneks kameleontische wendbaarheid als componist dubbel en dwars onderstreepte, zij het dat hij die niet klakkeloos toepaste maar in verbinding bracht met de polyfonie van de vijftiende- en zestiende-eeuwse meesters op dit vlak zoals Jacob Obrecht, Johannes Ockeghem en Josquin des Prez

In die periode wendde hij zich ook tot de religieuze muziek, geïnspireerd door zijn katholieke geloof. Dat leverde een groot aantal geestelijke werken op, met in 1942 de voltooiing van zijn grootste koorwerk, de zeer navrante Lamentatio Jermeiae prophetae, de volmaakte symbiose van de Zuid-Nederlandse en Franse polyfonisten en de reeksentechniek van de Tweede Weense School.

In de jaren daarna raakte hij meer en meer geïnteresseerd in de seriële muziek, maar hij wilde zich niet bij voorbaat vastleggen op al gevestigde, avant-gardistische stromingen. Hij gaf er zijn eigen, persoonlijke invulling aan, al werd het grondhout gevormd door de uitkomsten van de mathematische berekening van (metrum, ritme, dynamiek, timbre, toonhoogte en toonduur), waarvan zijn nogal abstracte Vijfde symfonie uit 1949 duidelijk getuigenis aflegt. En natuurlijk was Krenek zijn lessen bij Schönberg en Webern niet vergeten, zoals blijkt uit het in 1956 gecomponeerde, al evenmin toegankelijke oratorium Spiritus intelligentiae sanctus ('Pfingstoratorium für Singstimmen und Elektronische Klänge').

Van 1947 tot 1967 woonde Krenek in Californië, waar hij als docent aan meerdere universteiten was verbonden. In 1950 trouwde hij met de componiste Gladys Nordenstrom, met Palm Springs met zijn aangename klimaat en fraaie landschap als hun nieuwe thuishaven. Europa liet hij echter niet in de steek. Zo was hij regelmatig in Darmstadt te vinden, waar hij doceerde aan de bekende Ferienkurse für neue Musik.

Aan het einde van zijn leven kreeg het contemplatieve element in zijn muziek de overhand, ongetwijfeld beïnvloed door zijn religieus perspectief. Misschien heeft dat per saldo het allermooiste resultaat opgeleverd in het oratorium Opus sine nomine, dat hij ruim twee jaar vóór zijn dood voltooide. Ernst Krenek kreeg zijn laatste rustplaats in Europa, in een Weens eregraf. Het was een postume erkenning van zijn belang als Oostenrijkse componist.

Van de beide aanvullingen in deze cd-uitgave is - in tegenstelling tot de Potpourri uit 1927, een schoolvoorbeeld van het toen modieuze polystilisme - is het Concerto grosso op. 25 een echt substantieel werk. Het ontstond in 1924, vrij kort na de Tweede symfonie. Daarmee zitten we midden in het neoclassicisme. Geen wonder dus dat hij zich in die zin verbonden voelde met Igor Stravinsky en dan in het bijzonder diens Pulcinella, waarvan hij de door de componist zelf samengestelde suite voor het eerst hoorde in Winterthur, op 19 december 1923. Hij schreef er later over dat hij op dat tijdstip klaar was voor een heroriëntatie, zoals die zich ook bij collega's als Paul Hindemith aankondigde. De solistische bijdragen zijn geraffineerd uitgewerkt, met een fraaie contrastwerking tussen ripieno en het concertino (viool, altviool en cello), al wordt er veelvuldig leentjebuur gespeeld bij Bachs Brandenburgse concerten: het openingsritornello lijk zo van het Eerste Brandenburgs concert te zijn weggelopen.

Het is me al vaker opgevallen: orkesten die doorgaans niet tot de topklasse worden gerekend en worden geleid door vrij onbekende dirigenten, maar wel de sterren van de hemel spelen. Ik herinner in dit verband maar weer eens aan de zeer succesvolle NEOS-serie met muziek van Bruno Maderna, door het hr-Sinfonieorchester/Frankfurt Radio Sinfonieorchester o.l.v. Arturo Tamayo. De naam van orkest en dirigent zal niet op ieders lippen liggen, maar toch kan ik mij eenvoudig geen betere pleitbezorgers van dit soms zeer complexe en vaak ook nog abstracte repertoire voorstellen. Hetzelfde geldt voor het omroeporkest uit Hannover en de dirigenten Takao Ukigaya en Alun Francis: de greep op deze buitengewoon lastige materie is zeer indrukwekkend, maar net zo belangrijk is de liefde voor deze muziek die van de interpretaties als het ware afstráált. Zelfs de in de seriële abstractie schuilende evocatieve krachten worden meesterlijk aan de oppervlakte gehaald. Dan is er nóg een gelukstreffer: de fabuleuze opnamekwaliteit die in al die jaren (van 1993 tot 2006) consistent is gebleven en deze ook voor de toehoorder zeker niet gemakkelijke partituren zeer aanschouwelijk maken. Zeker complexe muziek die groezelig uit de luidsprekers komt verliest al heel gauw haar aantrekkingskracht. Kortom, deze Krenek-box is een schot in de roos.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links