CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2008


 

Korngold: Pianotrio nr. 1 in D, op. 1 - Suite op. 23.

Trio Parnassus.

MDG 303 1463-2 • 69' •

 

 

 

 


Erich Wolfgang Korngold (1897-1957), de zoon van Julius Korngold (1860-1945), de Weense muziekpublicist en protégé van de alom gevreesde criticus Eduard Hanslick, leek net zo'n wonderkind als Mozart: hij was nauwelijks negen jaar jong toen hij al zijn cantate 'Gold' afleverde. Gustav Mahler - die door de invloedrijke Julius in de pers door dik en dun werd verdedigd - was daar zo enthousiast over dat hij de piepjonge componist prompt tot 'genie' bestempelde en ervoor zorgde dat hij lessen kon volgen in de compositieklas van Alexander von Zemlinsky. Al spoedig daarna werd de aan het Weense conservatorium verbonden Robert Fuchs zijn leraar.

Het was Zemlinsky die op 4 oktober 1910 Korngolds kersverse ballet 'Der Schneemann' aan de Wiener Hofoper introduceerde, waarna het stuk niet zonder succes her en der in Duitsland en Oostenrijk werd uitgevoerd. Ook andere componisten van naam onderkenden Korngolds talenten. Zo roemde niemand minder dan Richard Strauss de vormvastheid en de stijl in de composities en hij stak evenmin onder stoelen of banken dat die 'dekselse knaap' toch wel erg veel in zijn mars had. Wie kon nog zo jong zulke muziek met zoveel uitdrukkingskracht schrijven?

Zeker, Korngold hanteerde alle stilistische elementen van de hoogromantiek, maar hij componeerde per saldo toen zelfs nog onverschrokkener dan zijn collega Arnold Schönberg, die in 1911 in Wenen zijn eveneens hoogromantische 'Gurre-Lieder' voltooide, en het mede had gezocht in grootschaligheid (bezetting: 145 musici, 120 koorleden en solisten). Dan was er het door Schönberg in 1899 gecomponeerde strijksextet, 'Verklärte Nacht', dat de componist in 1917 voor strijkorkest bewerkte en waarin de poëzie van de al niet minder romantische dichter Richard Dehmel centraal staat.

Korngold was nog geen twintig toen ook Bruno Walter zich over zijn geesteskinderen ontfermde. Al in 1916 dirigeerde Walter niet minder dan twee opera's van Korngold: Violante en Der Ring des Polycrates, beide in het Zuid-Duitse operawalhalla, de Staatsopera in München. Welke zo jonge componist was dat ooit in de schoot geworpen? Zeker, ze zaten weliswaar boordenvol Tristan-chromatiek, echter vrijwel iedereen kon in het originele, zelfs tamelijk overmoedige gebruik van o.a. tritonus en overmatige septiem de vooruitstrevende harmonieën in deze muziek herkennen.

De opera Die tote Stadt beleefde in 1920 in Hamburg zijn première, direct gevolgd door uitvoeringen in Keulen. De 23-jarige chef van de Staatsopera in Hamburg kreeg weliswaar alle gelegenheid zijn eigen werk uit te voeren, maar dat nam niet weg dat het succes uiteindelijk toch door het grote publiek werd bepaald. Het leek er evenwel op dat een definitieve doorbraak in het verschiet lag (de opera staat ook vandaag nog op het repertoire van alle bekende operahuizen), maar het pakte anders uit.

 
  Erich Wolfgang Korngold

Naarmate de jaren twintig vorderden en de Tweede Weense School, in gang gezet door de 'atonalist' Arnold Schönberg, verder oprukte vond Korngold als 'moderne' componist daarin meer en meer zijn Waterloo. Hem werd wijd en zijd verweten dat hij bleef vasthouden aan de tonaliteit, geen aansluiting zocht bij de avant-garde en de 'Neue Sachlichkeit' niet wenste te omarmen. Waarom hij wel werd geslachtofferd en de aan de postwagneriaanse chromatiek vasthoudende Richard Strauss niet, kan mogelijk worden verklaard uit het feit dat Strauss, toen rond de zestig, dieper en breder in het muzikale leven stond, over de betere (pers)relaties beschikte en meer potten op het vuur had. Hoe het ook zij, Korngolds mysterieopera Das Wunder der Heliane uit 1927 (hij vond het zijn beste werk tot nu toe) moest het afleggen tegen Ernst Kreneks jazzy opera Jonny spielt auf, die in 1929 in Leipzig zijn eerste uitvoering beleefde en de componist daarmee gelijk op de kaart zette.

Gedesillusioneerd gooide Korngold het over een geheel andere boeg, die van de operette, daartoe aangespoord door Max Reinhardt, de theaterregisseur die samen met de schrijver en librettist Hugo von Hofmannsthal en Richard Strauss de Salzburger Festspiele had gegrondvest. Korngold boekte in het lichtere repertoire zeker succes, maar het opkomende antisemitisme maakte hem het leven steeds moeilijker. Vanaf 1934 haalde Reinhardt hem naar Hollywood, toen al het mekka van de filmindustrie, voor de filmmuziek bij Shakespeares Midzomernachtsdroom. Na een korte onderbreking in Wenen (daar voltooide Die Kathrin, zijn laatste opera) vestigde hij zich in Hollywood, waar hij een graag geziene componist van filmmuziek was. Het legde hem geen windeieren. Zijn vruchtbare verbintenis met Warner leverden zelfs twee Oscars op: 'Anthony Adverse' in 1936 en 'The adventures of Robin Hood' in 1938.

Na de oorlog had Korngold goede hoop dat hij zich in Oostenrijk weer als belangrijk componist kon vestigen, maar de lokale pers sloeg die nogal hardhandig de bodem in. Men zag niets meer in de 'componist van filmmuziek', die er bovendien nog een ouderwetse componeerstijl opnahield. De Weense première van Die Kathrin werd een regelrechte flop, de evident laatromantische stijl tot op het bot neergesabeld in de pers. Er vloeide nog wel het nodige uit zijn pen, zoals het Derde strijkkwartet, het Vioolconcert (Jascha Heifetz was er in die jaren de belangrijkste pleitbezorger van) en de Symfonie in Fis, maar het gebrek aan 'Resonanz' maakte van Korngold tenslotte toch een verbitterd mens. Zo stierf hij ook in 1957, in zijn geliefde Hollywood.

Uitvoering

Het Trio Parnassus, bestaande uit de violist Yamei Yu, de cellist Michael Groß en de pianist Chia Chou (in de Suite op. 23 bijgestaan door de violist Matthias Wollong), hebben hoorbaar een grote affiniteit met deze grillige muziek, die - zoals in het Pianotrio - deels zelfs het karakter van een collage aanneemt. In op. 1 (1910) treffen de voortdurende rusteloosheid, de grote harmonische sprongen en het vaak stormachtige, zo niet overmoedige parcours, alles verpakt in een virtuoze schrijfstijl die technisch zeer hoge eisen stelt. Bepaald geen kinderachtige kost dus, al is die dan geschreven door een dertienjarige.

De Suite voor 2 violen, cello en piano (alleen de linkerhand!) ontstond in 1930, twintig jaar later dus. Het werd gecomponeerd voor het Rosé kwartet en de pianist Paul Wittgenstein (Korngold had al eerder zijn Pianoconcert voor de Linkerhand in Cis aan deze pianist opgedragen, die in de Eerste Wereldoorlog zijn rechterarm had verloren), die op 21 oktober 1930 in Wenen de première ervan gaven. Hierin is Korngold duidelijk op zoek naar nieuwe oplossingen voor oude problemen, waaronder die van de zozeer beproefde klassieke sonatevorm, die hij in de Suite weliswaar als uitgangspunt nam, maar tegelijkertijd nieuw leven inblies. De namen van de verschillende karakterstukken spreken al boekdelen: 1. Präludium und Fuge, 2. Walzer, 3. Groteske, 4. Lied en 5. Rondo-Finale (ondanks de conventionele benaming toch origineel vormgegeven). Het is een zeer merkwaardig stuk, waarin de vele stemmingswisselingen dominant zijn en waarvan de technische uitmonstering werkelijk adembenemend is. De instrumentalisten moeten echt van zeer goede huize komen om zonder kleerscheuren de dubbele maatstreep te halen. Dát doet het ensemble ook, met volle overtuiging, wat op de toehoorder een overrompelende indruk moet maken. Betere pleitbezorgers van dit repertoire zijn volgens mij niet te vinden. Aangezien de opname ook van grote klasse is hoeft niets u ervan te weerhouden om met deze twee fascinerende stukken op deze wijze kennis te maken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links