CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2019

 

Kerll: Requiem

Fux: Requiem (Kaiserrequiem)

Vox Luminis, Scorpio Collectief, L'Achéron o.l.v. Lionel Meunier

Ricercar RIC 368 • 66' •
Opname: oktober 2015, Église Saint-Jean-Baptiste, Beaufays (Kerll); november 2015, 'Eglise Saint-Sebastien, Stavelot (Fux)

https://www.youtube.com/watch?

   

In de Barok ontstonden er requiems bij de vleet. Veel componisten waren in dienst van vorsten of mecenassen en als hun broodheer niet overleed, dan wel de echtgenote of anders een kind van het adellijke echtpaar. Zoals ook menige feestelijke mis ontstond omdat er naar kerkelijk gebruik of anderszins iets te vieren was en aldus muzikaal luister moest worden bijgezet.

Het requiem als in muziek gevatte uiting van zowel rouw als - het ging in een adem - respect. Maar ook later, in de periode van de Weense Klassiek, speelde de dodenmis, de missa pro defunctis (de mis voor de overledenen), als opdrachtwerk een nog steeds belangrijke rol. Zo ontstond in 1791 ook het Requiem van Mozart, dat door de dood van de componist onvoltooid moest blijven. Het was ook Mozart die in april van datzelfde jaar had gesolliciteerd naar de positie van 'Kapellmeister' van de Weense Stephansdom, als opvolger van Leopold Hoffmann, die toen ernstig ziek was. Misschien heeft hij toen wel in de muziekbibliotheek van de kathedraal rondgesnuffeld en daar de werken gevonden van Johann Caspar Kerll (1627-1693) en Johann Joseph Fux 1660-1741), in dat grijze verleden respectievelijk organist en 'Kapellmeister' van dezelfde Stephansdom.

Het belang van een componist in diens tijd kan enigszins worden afgelezen van het aantal gedrukte partituren dat op zijn naam staat. Zeker in dit opzicht is het belang van zowel Kerll als Fux onmiskenbaar.

Twee dodenmissen uit twee tijdperken: het Requiem van Johann Caspar Kerll (1627-1693) dat in 1689 tezamen met vier van zijn andere missen verscheen, en dat van Johann Joseph Fux (1660-1741) uit 1720. Wat de beide werken met elkaar verbindt is de Rooms-Duitse keizer Leopold I (1640-1705): Kerll droeg zijn Requiem aan hem op en Fux schreef zijn dodenmis naar aanleiding van de dood in 1720 van Eleonora van Palts-Neuburg, de weduwe van Leopold (zij wordt in het cd-boekje ten onrechte als Eleonora de Gonzaga afgeschilderd, de stiefmoeder van Leopold). Een andere overeenkomst tussen de beide Requiems is de zetting voor vijf stemmen, zij het dat bij Fux de nadruk ligt op de hoge stemmen: twee sopranen, alt, tenor en bas, bij Kerll op de lagere: sopraan, alt, twee tenoren en bas.

Het Requiem in het algemeen kent zowel evocaties van diepe treurnis als invocaties van verheffing naar het eeuwige licht, gescheiden door het afschrikwekkende Dies irae (hoewel sommige componisten doelbewust van de Sequentia hebben afgezien of gekozen hebben voor een 'milde' vorm). De dodenmis is bij uitstek een gelegenheidswerk in het (rooms)katholieke liturgisch domein. Dat Bach zich er niet mee heeft ingelaten hangt ongetwijfeld samen met het lutherse gedachtegoed (als hij er al zin in zou hebben gehad).

In tegenstelling tot Kerll heeft Fux zijn 'Missa pro defunctis' (Mis voor de doden) gestalte gegeven in de vorm van het Franse 'grand motet': de vijf solostemmen worden begeleid door strijkers (met ritornelli), contrasterend met een groter ensemble bestaande uit de ripieno-stemmen en ter verdubbeling daarvan kornetten, trombones en fagot. Solo- en ripieno-groep wisselen elkaar beurtelings af.

Bij Kerll zijn de vocale partijen in secties verdeeld, hetzij uitsluitend voor de solisten, hetzij voor zowel solisten als ripieno. Voor iedere vocale stem is er een eigen partij voorhanden, dus zowel voor de solist(e) als voor zijn of haar ripieno-collega.

Vrij ongebruikelijk is dat de Sequentia bij Kerll in een andere toonsoort genoteerd staat: het contrast tussen c-klein en F-groot is zeker voor de toenmalige begrippen op zich al afschrikwekkend, maar dat valt als zodanig natuurlijk alleen op als Kyrie en Dies israe elkaar in snel tempo opvolgen, wat in een kerkdienst die volgens de liturgische mores verloopt uiteraard niet het geval is. Omdat Kerll dit 'effect' duidelijk en doelbewust heeft nagestreefd lijkt het onwaarschijnlijk dat zijn dodenmis specifiek voor een liturgische dienst was bedoeld. Of dat hij voorzag dat het in de toekomst anders zou verlopen. Het lijkt er in ieder geval sterk op dat Kerll het zwaartepunt van de mis bij de Sequentia heeft gelegd.

Ondanks de reeds aangestipte overeenkomsten tussen de beide dodenmissen zijn de verschillen groot. Kerll componeerde zijn mis aan het eind van zijn leven, duidelijk intens bij de tekst betrokken, meer persoonlijk en zelfs menigmaal emotioneel, terwijl het 'Kaiserrequiem' van Fux eerder een ceremonieel karakter heeft en primair ervoor bedoeld was om in volle luister de eredienst aan het keizerlijk hof extra cachet te verlenen.

Kerll had het Requiem niet voor de een of andere vorst, maar puur voor zichzelf bestemd. Het werk maakt deel uit van een in 1689 gepubliceerde laatste band met vijf missen (de titel van de band: 'Missae sex, cum instrumentis concertantibus, e vocibus in ripieno adjuncta una pro defunctis cum seq. Dies irae'). Dat was vier jaar voor zijn dood. In de basso continuo-partij had Kerll een persoonlijke noot toegevoegd:

Da der Name Missa pro Defunctis auf der Titelseite steht, finde ich nichts mehr, was ich zu diesem Thema sagen könnte, es sei denn, dass ich alle für die Musik verantwortlichen Herren (die ich voll Freundschaft umarme) inständig bitte, diese Messe von ihren Untergebenen mit der Sequenz Dies Irae für die Ruhe meiner Seele singen zu lassen und zu meinen Günsten Trost zu verbreiten, wenn sie hören, dass der höchste Herr des Himmels und der Erde mich aufgefordert hat von diesem Leben ins andere zu ziehen. Das wünschen sich alle Seelen zutiefst, die in den reinigenden Flammen gefangen sind, und dass erwarten sie auch von ihren streitbaren Brüdern in diesem Tal der Tränen. Um die Befreiung dieser betrübten Seelen zu beschleunigen, verschenke auch ich all die Mühe, die ich für dieses Werk aufbringe, ich erkläre und widme sie der wohlwollenden Gottheit.

Uiterlijke pracht en paal bij Fux, meer naar binnen gekeerd, intiem zelfs bij Kerll. Dat is ook waarvoor het gehele ensemble onder leiding van Lionel Meunier zich in deze opname sterk heeft gemaakt en dat als zodanig op de luisteraar afstraalt. We weten allang dat de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk bij Meunier cum suis in uitstekende handen is, wat tevens zoveel wil zeggen dat kennis van het verleden de muzikale spontaniteit van het heden niet in de weg staat. Het zijn fonkelende uitvoeringen waarin vocalisten en instrumentalisten naast volmaakte stemvoering getuigen van grote betrokkenheid en bevlogenheid. We horen verder een heldere en doorzichtige ensemble- en koorklank en een volmaakte uitspraak van het Latijn. De vocale trillers in het Requiem van Kerll zal voor menigeen even wennen zijn, maar ze horen er uitdrukkelijk bij.

Hoe we ons precies de eerste uitvoering(en) in dat verre verleden van beide requiems moeten voorstellen zal in de schoot van diezelfde historie verborgen moeten blijven, maar het lijkt mij zo dat van deze vertolking Kerll er de tranen van in de ogen zal hebben gekregen en dat Fux toch op zijn minst een goedkeurend knikje heeft gegeven.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links