CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2014

 

Keiser: Brockes-Passion

Vox Luminis: Zsuzi Tóth (sopraan: dochter van Zion, Derde maagd, Gelovige ziel) - Jan van Elsacker (tenor: Evangelist) - Peter Kooij (bas: Jezus) - Caroline Weynants (sopraan: Eerste maagd,
Gelovige ziel) - Sara Jäggi (sopraan: Tweede maagd, Maria, Gelovige ziel) - Jan Kullmann, Barnabás Hegyi (altus) - Fernando Guimarães (tenor: Petrus,
Gelovige ziel) - Robert Buckland (tenor: Jacobus, Judas, Soldaat, Gelovige ziel) - Hugo Oliviera (bas: Johannes, Gelovige ziel, basaria) - Lionel Meunier (Kajafas, Pilatus, Hoofdman, Gelovige Ziel, koorrepetitor)

Les Muffatti

Algehele leiding: Peter van Heyghen

Ramée RAM 1303 • 1.21 • (2 cd's)

Opname: juli 2012,
Augustinus Muziekcentrum, Antwerpen

   

'Tradition ist Schlamperei' (Mahler)
Het is tekenend voor het door traditie en gemakzucht (ze horen bij elkaar, heeft Gustav Mahler eens gezegd) beheerste vaderlandse muziekleven dat we rond Pasen worden vastgenageld op de twee grote passiemuzieken van Johann Sebastian Bach: de Matthäus-Passion en de Johannes-Passion, in die volgorde. Geen enkel misverstand daarover: dit is grote muziek, en waarschijnlijk het beste dat de barok op het gebied van de Goede Vrijdag-muziek heeft voortgebracht. Het kan in de geschiedenis raar lopen: na Bachs dood werden de passiemuzieken keurig opgeborgen en was het Felix Mendelssohn die maar liefst 79 jaar later, op 11 maart 1829, in de 'Werkstätte' van de grote Thomascantor de Matthäus voor het eerst weer uitvoerde, zij het met stevige coupures en in een 'Mendelssohn-Fassung'. Maar goed, het werk stond tenminste weer in het volle licht. In 1870 werd de Matthäus voor het eerst in Nederland uitgevoerd door het door Woldemar Bargiel gedirigeerde Rotterdamse Toonkunst. Het Concertgebouworkest voerde de Matthäus voor het eerst uit in Amsterdam op 8 april 1899, toen met een gigantische bezetting van rond de 450 deelnemers. Mengelberg schroomde er niet voor het werk behoorlijk in te korten en sommige instrumenten te vervangen. Niet iedereen was daar gelukkig mee, kritiek was er in overvloed, maar dit was wel het begin van de jaarlijkse 'Matthäus-traditie' op Palmzondag die, eenmaal gevestigd, inmiddels niet meer weg te denken valt.
In 1921 was het de Nederlandse Bachvereniging (toen nog geschreven met twee ee's) die in de Grote Kerk in Naarden een tegenwicht ging vormen tegen de uitvoeringen in Amsterdam. Ook dit initiatief groeide uit tot een traditie die tot vandaag heeft standgehouden.
Wat die traditie tevens goed duidelijk heeft gemaakt is dat er in ons muziekbedrijf voor andere componisten die zich aan Goede Vrijdag-muziek hebben gewaagd, niet of nauwelijks nog plaats is. Alsof die werken eenvoudigweg niet (meer) bestaan. De enige manier om er toch kennis van te nemen is via bladmuziek, buitenlandse omroepen, cd's en - in veel mindere mate - dvd's. Het is een treurige toestand die echter niet als zodanig wordt (h)erkend. Men kan er een nogal eenzame strijd tegen voeren, maar veel helpen doet dat niet. Wie het anders wil blijft waarschijnlijk zitten met dezelfde frustraties als toentertijd Gustav Mahler (' Was Ihr Theaterleute Tradition nennt, das ist nichts anderes als Eure Bequiemlichkeit und Schlamperei') . Een feit is dat in ons land (elders bestaat die merkwaardige traditie niet) de ensembles elkaar vrijwel letterlijk kopiëren, met als gevolg een enorm aantal uitvoeringen van de Matthäus en - wat minder frequent - de Johannes, waardoor er geen plaats meer is voor andere componisten. En om eventuele kritiek gelijk maar voor te zijn: goede uitzonderingen uiteraard daargelaten (minder tot veel minder bekende ensembles durven het soms wel aan om onbekende passiemuziek op het repertoire te nemen).

Brockes-Passion
Dan is daar ineens, als kwam het uit de lucht vallen, de Brockes-Passion van Reinhard Keiser (1674-1739), een tijdgenoot van Bach, en een Duitser bovendien, een rusteloze ziel die voortdurend van positie wisselde en als componist een enorme productie liet bijschrijven. Met alleen al een operaproductie van zo'n vijf per jaar mag hij met recht een veelschrijver worden genoemd. Hij schreef er uiteindelijk 116, waarvan slechts een twintigtal is overgeleverd. Johann Mattheson, een tijdgenoot van Keiser en op muziekgebied bepaald geen kleine jongen, noemde hem de grootste operacomponist ter wereld (hoe groot die 'wereld' toen was weten we uiteraard niet, maar die moet een heel stuk kleiner zijn geweest dan nu). En het zegt ook wel iets dat zijn Markus-Passion door Bach van begin tot eind werd overgepend en dat we dankzij die noeste arbeid het werk bezitten. Maar wat Bachs Matthäus-Passion overkwam, geschiedde ook Keiser, en nog in veel grotere mate: zijn werk was in korte tijd vergeten. Er waren 'grotere geesten' die toen de aandacht opeisten: Telemann, Händel, Bach. Pas aan het eind van de vorige eeuw ontwaakte de belangstelling weer voor het werk van Keiser.
Kenmerkend voor Keisers aanpak is zijn vitale kijk op het muziektheater: het sprankelt, bruist, met forse contrasten, levendige dialogen, een geraffineerde ensembletechniek en een orkestratie om u tegen te zeggen. Bij Keiser is niets statisch, alles lééft, het is van vlees en bloed, het soort theater dat dicht bij de mensen staat, maar door Keisers fantasierijk aanpak ver van de routine vandaan blijft. Effect en affect, het loopt dwars door elkaar heen, en het kan natuurlijk niet anders dan dat hij bij zijn tijdgenoten bewondering afdwong. Georg Friedrich Händel zat in Hamburg als jonge violist in zijn operaorkest (Keiser was vanaf 1702 directeur van de opera aldaar, het enige voor een groot publiek toegankelijke muziektheater, tot het in 1706 door enorme kostenoverschrijdingen failliet ging). Het was ook Keiser die Händels eerste muziekdramatische werken uitvoerde.

Invloed
Het libretto van de Brockes-Passion is van de hand van de Duitse dichter Barthold Heinrich Brockes (1680-1747), wiens werk ook van invloed is geweest op bekende tekstdichters als Christian Friedrich Henrici alias Picander (1700-1764), die Bach van (vrije) teksten voorzag voor een groot aantal cantates, maar ook voor de Matthäus-Passion en het Weihnachtsoratorium.
Brockes inspireerde meerdere componisten: Händel, Georg Philipp Telemann, de reeds genoemde Mattheson, Johann Friedrich Fasch, Gottfried Heinrich Stölzel en natuurlijk Keiser. Het onderwerp was er ook naar: 'Der für die Sünde der Welt gemarterte und sterbende Jesus'. Na de eerste publicatie in 1712 werd het zo populair dat er in de daarop volgende vijftien jaar maar liefst ruim dertig edities van verschenen.

Er is geen enkele twijfel over: het is Händels Brockes-Passion HWV 48 (voor het eerst uitgevoerd in Hamburg in 1719) die het meest bekend is geworden, hoewel in het buitenland ook die van Telemann nogal eens op het programma verschijnt. In Duitsland geldt een andere traditie, met name in het gebied rond Leipzig, waar (gelukkig!) ook ruimte wordt gemaakt voor de Brockes-Passion van andere componisten. Dat die van Keiser ergens in de schaduw daarvan is blijven hangen laat zich niet zo gemakkelijk verklaren, want het is zeker niet zo dat deze passiemuziek van Keiser de mindere is van die van Händel en Telemann; ook niet na een kritische vergelijking. Op sommige punten is het toch wellicht Händel die het hoogste 'scoort', zoals in het werkelijk subliem getoonzette duet tussen Maria en haar Zoon. Händels ensembletechniek getuigt hier en daar van net iets groter raffinement, maar Keisers verbeeldingskracht doet er zeker niet voor onder. En net als Händel heeft hij een sterk 'operagevoel' dat in de Brockes-Passion net zo verbeeldend, zij het uiteraard religieus omkadert, uitpakt als in zijn meest bekende opera's Großmütige Tomyris  uit 1717 en  Croesus  uit 1730. Het is overigens niet minder treffend dat Bach grote delen van Händels Brockes-Passion overschreef en dat het werk zeker in zijn Johannes-Passion meerdere sporen heeft achtergelaten.
In zijn Brockes-Passion laat de componist Keiser in ieder geval het beste van zichzelf horen: hoogst inventief en geïnspireerd, prachtig georkestreerd, het drama veelkleurig verbeeld en het verhalende karakter ervan een sterke dramatische muzikale lading meegevend. Veel vrijer gecomponeerd dan bijvoorbeeld de passiemuzieken van Bach (de evangelist volgt de evangelietekst op de voet) heeft Kreiser al zijn expressieve registers opengetrokken. Het is aan de vertolkers om dit gevarieerde en evocatieve palet tot volle rijkdom te brengen. Vox Luminis en Les Muffatti is dat onvoorwaardelijk gelukt.

Bronnen
Welke bronnen werden daarbij gebruikt? Zowel In de universiteitsbibliotheek van Kopenhagen (klik hier) als in de slotbibliotheek in het Duitse Sonderhausen bevindt zich een autograafpartituur uit ca. 1722. In Sonderhausen bevinden zich tevens een aantal stemboeken uit 1727. Partituur en stemboeken (gericht op de uitvoering) lieten zich daardoor althans deels gemakkelijk vergelijken. Cosimo Stawiarski gebruikte dit materiaal voor de publicatie door het Duitse uitgevershuis Edition Musica Poetica.Voor de uitvoering werd deze gedrukte uitgave als hoofd- en het autograaf als nevenbron gebruikt.
Het instrumentarium bestaat uit twee blokfluiten, dwarsfluit, twee hobo's, drie fagotten, zes violen, twee altviolen, twee celli, violone, klavecimbel en luit. Solisten en koor bestaan uit drie sopranen, twee manlijke alten, drie tenoren en drie bassen. Een klein ensemble dus, overeenkomend met wat in die tijd gebruikelijk was. Deze 'authentieke' insteek levert - met veel dank ook aan het opnameteam - een doorzichtig klanktapijt op, waaruit het gehele discours als een heldere ster voortdurend oplicht. Dat is tevens de enorme kracht van deze uitvoering, die excelleert in zoveel kleur, fleur en overtuigingskracht dat het menigmaal mij zelfs de adem benam. En dan te bedenken dat er twee uur lang geen enkele zwakke plek valt te ontdekken! Er wordt van begin tot eind één lange spanningsboog getrokken, de contouren zijn messcherp getrokken: voor een larmoyante benadering is gelukkig geen enkele plaats ingeruimd. Het drama ontwikkelt zich geheel vanuit deze verhalende, verbeeldingsvolle muziek. Voor het eerst op cd (van Keisers Markus-Passion bestaat wel een cd-uitgave) en dan gelijk dit hoogste niveau. Ongelooflijk!

Bijzondere pastiche in Rotterdam
Misschien is het goed om hier eveneens te vermelden dat het Rotterdams Vocaal Ensemble de kaders van de uitvoeringstraditie op 12 april a.s. in de Prinsekerk behoorlijk gaat opschudden met een wel heel bijzondere uitvoering van de Brockes-Passion in de vorm van een pastiche: dirigent Geert van den Dungen en countertenor Oscar Verhaar hebben aan de hand van de beschikbare bronnen van drieën één gemaakt door delen uit de Brockes-Passion van Händel, Telemann en Keiser als het ware samen te voegen tot een geheel, een proces dat we in de zeventiende en achttiende eeuw wel vaker tegenkomen, zij het niet zo ingrijpend als hier. Het lijkt een huzarenstuk dat heel veel voorbereidend werk heeft gekost. Volgens de website van ensemble werd een 'prachtige en dynamische partituur gesmeed, waarin het aandeel van de drie componisten evenredig is verdeeld en waarin zij van hun sterkste kanten worden belicht'. Een reden te meer om te gaan luisteren! Laat u zich vooral niet afschrikken door het woord pastiche volgens de Van Dale: 'de slechte nabootsing van een kunstwerk, antiquiteit enz., maar ook opzettelijke navolging, werkstuk in nabootsende stijl (met satirische of kritische bedoelingen'. Voor meer informatie over onder meer het komende concert verwijs ik u graag naar de website van het ensemble.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links