CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2020

Walter Kaufmann - Chamber Works

Kaufmann: Strijkkwartet nr. 7 - Strijkkwartet nr. 11 - Vioolsonate nr. 2 op. 44 - Vioolsonatine nr. 12 - Septet (voor drie violen, altviool, twee celli en piano)

ARC Ensemble
Chandos CHAN 20170 • 78' •
Opname: januari 2020, Koerner Hall, Royal Conservatory of Music, Toronto

   

Dertig jaar geleden, in 1990, lanceerde het Decca-label de serie ‘Entartete Musik'. Een ware mijlpaal maar bovenal een initiatief waarmee een subliem zij het niet volledig beeld werd gegeven van de muziek die door de machthebbers van het Derde Rijk tot ‘entartet' was gedegradeerd (en die om die reden zelfs niet mocht worden uitgevoerdin besloten kring. De serie gaf tevens een beeld van de componisten die de naziterreur niet hadden overleefd of die in ballingschap waren gegaan of ondergedoken waren geweest, maar uiteindelijk wel wisten te overleven (u kunt er hier veel meer over lezen). Zij lieten een muzikale erfenis na van grote historische betekenis. De eer komt Decca en met name producer Michael Haas toe dat die zo belangrijke nalatenschap niet alleen - zij het wat laat - werd onderkend, maar dat die erkenning ook in daden werd omgezet.

Invloed
Misschien goed om hier en passant te vermelden hoezeer producers invloed hebben gehad en deels nog hebben op de samenstelling en ontwikkeling van de labelcatalogus. Denk in dit verband alleen maar aan de fameuze Walter Legge (EMI) en John Culshaw (eveneens Decca). Zij staken in de jaren vijftig en daarna echt hun nek uit, vaak tegen de wil van hun bazen in, maar bleken het uiteindelijk toch bij het rechte eind te hebben gehad. Zoals Culshaw die schier eindeloos moest vergaderen met het Decca-management om de commerciële afdeling zo ver te krijgen dat Brittens ‘War Requiem' onder leiding van de componist kon verschijnen, net zo oeverloos werd gediscussieerd over de diepzwarte platenhoes, maar het dankzij de doordrukkende Culshaw vervolgens een groot verkoopsucces werd.

Tomeloze inzet
Dat de serie ‘Entartete Musik' op de kop af 45 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog pas van start ging laat zich achteraf niet zo gemakkelijk verklaren. Een feit is wel dat de cd een decennium eerder aan zijn opmars was begonnen en dat er in de jaren tachtig veel tijd, geld en energie moest worden geïnvesteerd in de exploratie en voorbereiding van de her en der opgeslagen manuscripten en gedrukte uitgaven, dat de vele juridische voetangels en klemmen ten aanzien van de auteurs- en uitvoeringsrechten dienden te worden opgeruimd en uiteraard orkesten, zangers en solisten voor de verschillende projecten en genres moesten worden gerekruteerd. Dat het vanaf de eerste plannen vervolgens vrij voorspoedig is verlopen danken we – het kan niet vaak genoeg worden onderstreept – aan de tomeloze inzet van Michael Haas.

Levensopgave
Ook in ons land ontstond geleidelijk aan belangstelling voor de muzikale nalatenschap van in dit geval met name Nederlandse componisten. Ik herinner slechts aan de verschillende uitgaven van Channel Classics, Aliud en de Leo Smit Stichting. De geschiedenis levend houden, ook in een tijd waarin de vreselijkste gruwelen uit een nog relatief jong verleden tot niet meer dan een historisch feit zijn gedegradeerd: het is voor menigeen een levensopgave geworden.

Begintune
Het in het Canadese Toronto gevestigde ARC Ensemble (ARC = Artists of the Royal Conservatory) en het Britse label Chandos sloegen een aantal jaren geleden de handen ineen en kwamen met een gloednieuwe serie: ‘Music in Exile', het brandpunt ditmaal gericht op muziek van in de jaren dertig uitgeweken componisten. Al eerder verschenen in deze reeks kamermuziekwerken van Paul Ben-Haim, Jerzy Fitelberg en Szymon Laks. Nu is het dan de beurt aan Walter Kaufmann (1907-1984), die als joodse componist onder het juk van het nazi-regiem zijn vaderland, het toenmalige Tsjecho-Slowakijke, ontvluchtte en zich ogenschijnlijk of all places in Bombay vestigde. Daar klonk vanaf 1936 de begintune van ‘All India Radio', in de vorm van de door Kaufmann gecomponeerde vioolmelodie, begeleid door de typisch Indiase tanpura. Honderden miljoenen Indiërs die naar de radio luisterden kenden uiteraard deze melodie, maar helaas gold dat niet voor Kaufmanns oeuvre, want dat zakte geleidelijk aan volledig weg in de mist van de tijd. Dat die melodie in India het wel decennialang heeft weten vol te houden laat zich overigens gemakkelijk verklaren: de basis-ingrediënten ervan stammen namelijk van de Sivaranjani-raga die talloze Indiërs met de paplepel is ingegoten, gestoeld op twee verschillende toonladders (hindoestaans en karnatisch) en aldus deel uitmakend van de ‘klassieke' Indiase muziek.

Eclectisch
Kaufmann ging in zijn composities eclectisch te werk: een echte nieuwlichter was hij niet, in zijn jonge jaren sterk beïnvloed door wat hem tijdens zijn studie aan de ‘Musikhochschule' in Berlijn werd ingeprent. Daar kreeg hij compositieles van niemand minder dan Franz Schreker en daar kon hij zich in de muziekwetenschappen verdiepen dankzij een andere coryfee: Curt Sachs. Het was Sachs die Kaufmanns interesse voor de Indiase muziek opwekte. Kaufmann schreef er later over:

'Als ich die Musik erstmals auf einer Schallplatte zu hören bekam, erschien sie mir fremdartig und unverständlich. Da ich aber wusste, dass diese Musik von Menschen mit Herz und Verstand geschaffen wurde und darum anzunehmen war, dass viele Menschen, in der Tat, Millionen, sie zu schätzen und sogar lieben mussten, entschied ich, dass die Schuld ganz bei mir liegen musste und die richtige Art und Weise, sie zu verstehen, darin liegen müsse, eine Studienreise zu ihrem Ursprungsort zu unternehmen'.

Het sleuteljaar 1933
Het werd dus uiteindelijk…Bombay, nadat ook voor hem in het sleuteljaar 1933 als joodse componist en uitvoerend musicus (hij had Bruno Walter nog geassisteerd en was als dirigent betrokken geweest bij verschillende zomerfestivals, waaronder die in Berlijn en het Hongaarse kuuroord Eger) het doek was gevallen. Het was ook in die periode dat nog vrij gemakkelijk de wijk kon worden genomen naar een ander, veiliger land. Daaronder toen ook Brits-Indië, waar joodse vluchtelingen niet of nauwelijks een strobreed in de weg werd gelegd en het verkrijgen van een inreisvisum niet meer betekende dan een bureaucratisch vormgegeven formaliteit.

Emigratie
Voor vader Julius kwam het besluit van zijn zoon om naar India af te reizen als een regelrechte, onaangename verrassing. Zijn advies was: blijven, er vast van overtuigd zijnde dat dat de ‘nazi-rage' vanzelf wel over zou waaien en dat degenen die nu op de vlucht sloegen later alleen maar met spijt in het hart weer op hun pootjes zouden terugkeren. Het was geen nieuw geluid, want velen dachten er toen zo over, niet of onvoldoende beseffend dat hen een inktzwarte toekomst wachtte. Maar Walter onderkende het dreigende gevaar, zag zich in zijn scheppende arbeid ernstig beknot en zette de enige voor hem in aanmerking komende stap: emigratie. Een verstandig besluit want na de oorlog bleek Walter Kaufmanns familie door de nazi's gedecimeerd te zijn: vader Julius, zijn ooms Moritz en Hugo en zijn tante Laura werden naar Theresienstadt gedeporteerd, waar Julius aan de ontberingen bezweek. Moritz eindigde zijn leven in de gaskamers van Treblinka, Laura en Hugo in die van Auschwitz. Andere familieleden werden in Chelmno (Kulmhof) ter dood gebracht.

Radio en Kamermuziek
Eenmaal in India verwierf Kaufmann al vrij spoedig na aankomst een belangrijke positie die hem tevens een inkomensgarantie bood: die van directeur van de afdeling Europese muziek van ‘All Indian Radio'. Hij zat ook verder niet stil en richtte de ‘Bombay Chamber Music Society' op: in de Willingdon Sports Club werden door de stichting wekelijks kamermuziekconcerten georganiseerd. Onder de daar optredende musici bevond zich ook de Italiaanse violist Mehli Mehta (diens zoon Zubin zou later uitgroeien tot een wereldberoemde dirigent), die de vioolpartij zou inspelen voor de begintune van ‘All India Radio'. Twaalf jaar later, toen aan het Kaufmanns verblijf in India een einde kwam, had de ‘Society' maar liefst 500 concerten verzorgd.

Op zoek naar folklore
Dat Kaufmann zich in India verder verdiepte in de Indiase muziek lag uiteraard voor de hand. Zijn belangstelling was immers al veel eerder, tijdens zijn studie in Berlijn, gewekt en hij had Bombay als zijn nieuwe pleisterplaats uiteraard niet toevallig gekozen. Laten we daarbij ook niet vergeten dat India in die tijd een Britse kolonie was en zeker voor westerlingen een waar eldorado. Kaufmann trok – zoals elders menige componist vóór en na hem - kriskras door het land om aldus kennis te maken met de lokale en regionale muzikale folklore en die in zich op te nemen.

Walter Kaufmann

Naar Canada
Op 17 augustus 1947, slechts enige dagen na het uitroepen van de onafhankelijkheid (voor de Britten het begin van het einde van het koloniale tijdperk), vertrok Walter Kaufmann per schip, de ‘Mauretania II', van Bombay naar New York, om van daaruit door te reizen naar Canada, waar hem in Halifax het conservatorium wachtte en waar hij was benoemd tot hoofddocent voor het vak piano. Niet dat hij het plan had opgevat om daar te blijven, want hij hoopte stilletjes op een aantrekkelijker aanstelling in de VS. Het kwam er echter niet van, maar wel werd Kaufmann met ingang van september 1948 de eerste chef-dirigent van het Winnipeg Symphony Orchestra, met als ‘comité van aanbeveling' Sir Adrian Boult en Sir Ernest MacMillan. Het honorarium was slechts bescheiden: jaarlijks 5000 dollar. Bovendien was het door zijn samenstelling geen al te geweldig orkest, bestaande uit een nogal merkwaardige mengeling van professionele en amateurmusici. Vooral de amateursectie had te lijden van een slechte voorbereiding en opkomst omdat deze musici ook veel andere besognes en maatschappelijke verplichtingen hadden. Zo was een van de fagottisten in het dagelijks leven glazenwasser en maakte de eerste hoornist lange dagen in een schoenenfabriek.

Die nogal gebrekkige mixture weerhield Kaufmann er echter niet van om solisten van naam naar Winnipeg te halen, waaronder zelfs Szymon Goldberg, György Sándor, Rudolf Firkusny en Rosalyn Tureck. De nog jonge Glenn Gould speelde er Bachs concert in d, nadien vol lof over het orkestrale aandeel: ‘Ik heb dit concert al vaak gespeeld, maar nooit eerder met dergelijke volmaakte begeleiding'.

Kaufmann slaagde er ondanks de beperkingen zelfs in om het orkest in Winnipeg zelf stevig op de kaart te zetten. Enerzijds door het aantrekken van sponsorgelden en anderzijds door geleidelijk aan betere musici. Ook het repertoire werd danig uitgebreid en nam hij de gelegenheid te baat om – zij het op bescheiden schaal - ook eigen werk op de lessenaars te zetten. Het was vooral de combinatie van artistieke en commerciële intuïtie die voor Kaufmanns succesmodel verantwoordelijk was. Daartoe behoorde ook de net zo succesvolle ‘kinderserie' (een ‘recept' dat Leonard Bernstein later in New York verder zou vervolmaken) met het doel om de jeugd zo vroeg en zo intensief mogelijk bij de klassieke muziek te betrekken. Ook de vele aanvullende schoolconcerten weerspiegelden dit nobele streven.

Naar Amerika
In 1956 was het dan eindelijk zover: Kaufmann kreeg in Amerika alsnog een leerstoel aangeboden die hij met beide handen aangreep. Zijn nieuwe werkplek voor de komende 21 jaren: de muziekfaculteit van ‘Indiana University' in Bloomington. Een belangwekkende positie die hem tevens in staat stelde om zijn onderzoeksactiviteiten met verve voort te zetten en daarover te publiceren, vooral gericht op het gebied van de Indiase en Tibetaanse muziek. Het leidde tot zijn belangrijkste publicatie: ‘Musical Notations of the Orient' (het boek is ook in ons land nog steeds gewoon verkrijgbaar).

Schaduw
Walter Kaufmann overleed op 9 september 1984 aan hartfalen. Zijn naam was toen al lang en breed gevestigd, zijn integriteit werd alom geroemd en zijn studenten liepen met hem weg. Maar zijn muziek bleef in de schaduw; zelfs tot voor kort, want de op dit album samengebrachte vijf werken werden voor zover bekend nog niet eerder vastgelegd.

Oeuvre
We mogen de ‘Indiana University' en dan met name de ‘Gayle Cook Music Library' uiterst dankbaar zijn dat men daar als een goed huisvader op de Kaufmann-collectie heeft gepast. Niet dat daar in het archief alle werken van Kaufmann een plaatsje hebben gevonden, want ook de Harvards ‘Houghton Library' beschikt over een aantal partituren, terwijl er zich ook nog het een en ander in privéverzamelingen bevindt. Jammer genoeg heeft tot heden zich nog niemand aangemeld om het gehele oeuvre van Kaufmann systematisch in kaart te brengen en van opusnummers te voorzien. En dat oeuvre is zeker aanzienlijk, met onder meer ruim 80 orkestwerken (waaronder 6 symfonieën), vele soloconcerten (piano, viool, cello), maar liefst twee dozijn opera's in allerlei soorten en maten en bovendien nog een groot aantal andere stukken zoals liederen, pianowerken, kamermuziek en speciaal voor kinderen geschreven composities.

Exotisch
De vijf werken die op dit nieuwe album vertegenwoordigd zijn ontstonden zonder uitzondering in India. De rode draad door deze stukken: een met veel inventie gecreëerde mengeling van westerse, Indische en oriëntaalse muzikale indrukken. Broederlijk naast en door elkaar in het notenbeeld gepositioneerd domineert daarin het veelkleurige exotisme dat deze muziek zonder meer onweerstaanbaar maakt. Er zijn buigingen naar links en naar rechts: naar Bartók (het Allegro barbarico van het Elfde kwartet met bovendien een slinkse verwijzing naar die bekende begintune van ‘All Indian Radio'), Debussy, Stravinsky, klezmer, jazz, het verre Bohemen en natuurlijk de raga. Het ARC Ensemble ontsluit het voor u in vlekkeloze, fonkelende uitvoeringen waar bovendien het spelplezier vanaf druipt. De opname is warm, sonoor en helder. Jawel, dit smaakt naar (veel) meer!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links