CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2014

 

Kabalevski: de vier symfonieën

Symfonie nr. 1 in cis, op. 18 (1932) - nr. 2 in c, op. 19 (1934) - nr. 3 in b, op. 22 (Requiem voor Lenin) (1933) - nr. 4 in C, op. 54 (1955/56)

CPO 999 833-2 •106' • (2 cd's)

Koor van de Hongaarse omroep, NDR Radiophilharmonie o.l.v. Eiji Oue

Opname: 2001/02, Große Sendesaal des NDR Landesfunkhauses (NR. 1-2, 4) en Sankt-Athanasiuskirche, Hannover (nr. 3), Schwerin (D)

   

Dmitri Borisovitsj Kabalevski (1904-1987) werd op in Sint-Petersburg geboren en stierf in Moskou, met daartussen veel bewogen jaren met veel gecomponeerde muziek die niet los kan worden gezien van het 'socialistisch realisme' waarvan de cultuurpolitiek in de Sovjet-Unie en later ook zijn satellietstaten zo'n zeventig jaar lang, vanaf de jaren twintig tot het einde van dat imperium, in wisselende intensiteit maar desondanks doordrenkt was. Wie als componist van 'formalisme' werd beschuldigd, was nog niet jarig: modern, tegendraads, 'decadent', het was tegen de zo gekoesterde beginselen van de Sovjet-'heilstaat'. Zonder melodie lag het socialistisch realisme in gruzels... Wie atonaal componeerde was muzikaal uitgepraat.

We hebben er op deze site al vaak bij stilgestaan: de kunstenaar was niet (meer) vrij om te creëren zoals hij het wilde. Integendeel, hij moest er voortdurend op bedacht zijn dat zijn werk weleens in verkeerde aarde kon vallen, met altijd weer de hete adem van de Communistische Partij, de bureaucratische organen en al die Stalin-vazallen die zich met kunst bezighielden, in zijn nek.
Voor Stalin bestond er geen wezenlijk verschil tussen een kunstenaar en een arbeider, met dien verstande dat het de kunstenaar was die zijn werk moest richten naar het 'niveau' van de arbeider. Dát was pas socialistisch realisme, kunst zonder allerlei ingewikkelde modellen, intriges, maar wel als afbeelding van de 'werkelijkheid in haar revolutionaire ontwikkeling'. De Componistenbond zag erop toe dat aan dat basisprincipe niet werd getornd. Wie 'zondigde' betaalde de rekening, variërende van excommunicatie of verbanning tot een naamloze dood in gevangenis of werkkamp.

Het is dus niet zo verwonderlijk dat de 23-jarige Kabalevski in 1927 als kersverse conservatoriumstudent met zijn Drie liederen naar Alexander Blok al zijn meest progressieve stuk uit zijn gehele nog volgende loopbaan had geschreven. Misschien is het niet eens zo toevallig dat Dmitri Sjostakovitsj in 1935, hij was toen negenentwintig en eveneens nog vrij pril in zijn loopbaan eveneens het meest progressief uitpakte met zijn Vierde symfonie en - ontstaan in dezelfde periode - Lady Macbeth, of volledig Ledi Makbet Mtsenskogo Uyezda , die de componist bijna drie decennia later kuiste tot Katerina Izmailova , een zelf opgelegde zuivering overigens.  

Kabalevski koos - en wie neemt het hem kwalijk - de weg van de minste weerstand die hem in 1902 tot docent van het conservatorium in Moskau bracht. Acht jaar later volgde het volwaardige lidmaatschap van de Communistische Partij. Al met al verwierf hij zo een belangrijke positie in het muziekleven. Zozeer zelfs dat hij menige loopbaan in de kiem kon smoren of anderen juist kon bevoordelen. Natuurlijk was hij zich van zijn omgeving bewust, wist hij precies hoe het 'systeem' functioneerde en waar de voetangels en klemmen te vinden waren. Maar niemand die hem kon betrappen op afwijkende opvattingen.Hij schreef in 1948 zijn goed gehumeurde Vioolconcert terwijl zijn collega Sjostakovitsj door de Componistenbond tot 'bourgeois-formalist' werd gedegradeerd en zijn nog enige weg voorwaarts was gelegen in een diepe kniebuiging en het beloven van beterschap als kunstenaar. In het openbaar welteverstaan. We weten allemaal waartoe dit heeft geleid: protestmuziek tussen de coulissen, alleen bestemd voor de goede verstaander, maar ontdaan van het revolutionaire, progressieve karakter waarvan die Vierde symfonie doordesemd was. En als het niet tussen de coulissen was, maar open en bloot, dan was het protest niet gericht tegen de sovjet- maar tegen de naziterreur. Dat functioneerde als schaamlap prima, nietwaar?

En Kabalevski? Die ging onverdroten voort op de romantische toer met het schrijven van zeer toegankelijke muziek, precies zoals de machthebbers en de organen het bedoeld hadden. Zijn lijfspreuk liet aan duidelijkheid niets te wensen over: "Je kunt wel zoeken naar muzikale vernieuwing, mits je maar weet waarnaar en voor wie je zoekt." Die uiterst soepele houding leverde Kabalevski de meeste decoraties op van al zijn collega's. In 1962 pakte Kabalevski wel heel stevig uit met zijn Requiem, dat hij schreef als een imposant eerbetoon aan de slachtoffers van het fascisme. Dat brengt me gelijk naar Kabalevski's Derde symfonie uit 1933, een nogal vreemde eend in de symfonische bijt. Het werk is geconcipieerd als Requiem voor Lenin en fungeert daarmee als een waar bastion van heuse vaderlandsliefde. Het grote gemengde koor zingt een drakerige tekst van Nikolaj Assejev die losgezongen van de muziek maar beter snel kan worden vergeten.. Het is vooral Russische spierballentaal in optima forma die althans in muzikaal opzicht zijn uitwerking niet mist. Een soortgelijk beeld zien we bij de Tweede en Derde symfonie van Sjostakovitsj: brallende teksten, net zo drakerig, maar qua symfonische uitwerking wel effectief. De Tweede werd geschreven naar aanleiding van de tiende verjaardag van de Oktoberrevolutie, de Derde heeft 1 mei als energieke aandrijfmotor.

Met Kabalevski's in totaal vier symfonieën is niets mis, want al is het Russisch-romantische idioom voortdurend present, ze zijn vakkundig geconcipieerd, bont en afwisselend, met veel gloed, passie en fraai uitgesponnen lyriek in een tonaal kader dat altijd houvast biedt. Deze muziek is verrassend noch overweldigend, er worden heus geen bergen in verzet, maar niemand kan eromheen dat Kabalevski wel degelijk goede stukken schreef, uitstekend kon instrumenteren en orkestreren, kortom heus wel wist waar Abraham de mosterd moest halen. De eerste drie ontstonden in de periode 1932/34, waarna pas zo'n twintig jaar later de Vierde en laatste symfonie ontstond. Het is treffend maar in lijn met de verwachting dat in die twee decennia Kabalevski's symfonische gedachtegoed geen progressieve ontwikkeling heeft doorgemaakt.

Gezegd moet worden dat zowel het koor van de Hongaarse omroep als de NDR Radiophilharmonie onder leiding van de gedreven en energieke Eiji Oue zich als warme pleitbezorger van deze muziek ontpopt en daarmee een zeker niet middelmatige prestatie heeft neergezet. Het klinkt in dit bestek misschien wat modieus dat voor verdere verfijning en kleurrijk raffinement we wellicht elders moeten zijn, maar ik zie ons KCO, de Berliner of Wiener Philharmoniker nog niet de vier Kabalevski-symfonieën opnemen, laat staan dat het Groot Omroepkoor met het Requiem voor Lenin aan de slag gaat. We hoeven ons wat dat betreft zeker niet rijk te rekenen. Dit is typisch repertoire dat in de periferie uitstekend kan gedijen en dat is, alles afwegende, toch mooi meegenomen. De opname lijkt typisch door radiomensen gemaakt:eerder diffuus dan helder doortekend, maar toch van een uitstekende kwaliteit. Een overtuigend geheel in een discografisch veld dat (nog) niet overloopt van de symfonieën van Kabalevski. Dat is toch maar mooi meegenomen!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links