CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2020

Jommelli: Requiem in Es

Sandrine Piau (sopraan), Carlo Vistoli (altus), Raffaele Giordani (tenor), Salvo Vitale (bas), Coro e Orchestra Ghislieri o.l.v. Giulio Prandi
Arcana A 477 • 56' •
Opname: november 2019, Kulturzentrum Grand Hotel, Dobbiaco (I)

   

Het valt nu nog maar nauwelijks voor te stellen dat Niccolò Jommelli 1714-1774) in de achttiende eeuw tot de belangrijkste Italiaanse componisten van opera's en kerkmuziek werd gerekend. Wat daarbij toen mogelijk mede een rol zal hebben gespeeld was zijn sterke verbondenheid met twee destijds zeer vooraanstaande instituten waarover hij de scepter zwaaide: het Ospedale degli Incurabili (tehuis voor ongeneeslijk zieken) in Venetië en de in de Romeinse Sint-Pieter gevestigde Cappella Giulia, het jongenskoor van de basiliek.

Zoals we zo vaak zien bij dodenmissen (in het Latijn Missa pro defunctis) betreft het doorgaans gelegenheids- of opdrachtwerken. Daarmee vergeleken zijn de ‘spontaan' ontstane requiems duidelijk in de minderheid. Dat eerste geldt niet minder voor Jommelli's Requiem: hij componeerde het naar aanleiding van een droevige gebeurtenis.

Jommelli, toen verbonden aan de opera van Stuttgart (zoals zijn pendant Hasse dat was in Hamburg), ontving de opdracht tot het componeren van een requiem rechtstreeks van zijn broodheer, de landgraaf Karl Eugen van Württemberg, wiens moeder op 1 februari 1756 was overleden. Jommelli was als ‘Ober-Kapellmeister' in dienst van de landgraaf en daarmee uiteraard de eerste aangewezene voor een dergelijke opdracht. En uiteraard moest er een werk van kwaliteit worden geleverd, al was het alleen maar omdat de landgraaf niet alleen een groot muziekliefhebber was, maar ook in de leer was geweest bij niemand minder dan Carl Philipp Emanuel Bach. Karl Eugen kende dus ongetwijfeld het klappen van de muzikale zweep.

Voor Jommelli betekende het desondanks een onvermijdelijke haastklus, want tussen overlijden en begrafenis was slechts een tijdspanne van acht dagen. Uit het overgeleverde manuscript blijkt dat de componist het werk al na drie dagen had voltooid, ruimschoots op tijd voor de plechtigheid die plaatsvond op maandag 9 februari 1756 in de kapel van het kasteel in Ludwigsburg. Dat er slechts een dag of vier resteerde voor de repetities zal mogelijk de uitvoering parten hebben gespeeld, maar daarover weten we helaas niets.

Het moet al met al een indrukwekkende gebeurtenis zijn geweest, met het lichaam van Marie Auguste van Thurn en Taxis opgebaard te midden van brandende fakkels en kaarsen in de met zwart velours behangen, verder donker gehouden kapel. Vanaf de hoger gelegen orgelring klonk het majesteitelijke orgel waarvan de bouw twee jaar eerder was voltooid. Daar stonden ook de door Jommelli geselecteerde leden van de hofkapel opgesteld (koor en strijkersensemble) met in de voorste gelederen de leidende sopraan Marianne Pirker, voor de uitvoering van de missa pro defunctis.

Al vrij spoedig na de uitvoering in de kapel begon het werk aan een ware zegetocht: het was ongemeen populair en bleef dat tot rond het moment dat het Requiem van Mozart (1756 is tevens diens geboortejaar) verscheen. Waarbij kan worden aangetekend dat het genie uit Salzburg Jommelli's Requiem zeker moet hebben gekend. Een leerling van vader Leopold Mozart had in 1775 de partituur immers getranscribeerd (het werk verscheen eerst in het eerste decennium van de negentiende eeuw in druk bij de Parijse muziekuitgever Auguste Leduc), maar bovendien zijn er wel degelijk reminiscenties aan Jommelli's dodenmis in die van Mozart terug te vinden (wat overigens ook geldt voor bijvoorbeeld Händels ‘Funeral Anthem for Queen Caroline – The ways of Zion do mourn HWV 264 uit 1737, waarvan we duidelijke sporen in het introitus van Mozarts requiem aantreffen).

Die toenmalige populariteit van Jommelli's Requiem kunnen we uiteraard niet meer als zodanig navoelen, maar wel is er het besef van een diep gevoelde religiositeit en dat het intieme karakter ervan vooral voortkomt uit de pure vocale schoonheid van de vocale soli en tot in de finesse doorgevoerde klanksubtiliteit in het aandeel van zowel het koor als het strijkerskorps, waarvan de met groot vakmanschap en raffinement opengeweven textuur diepe indruk maakt. In dit Requiem worden niet de verschrikkingen van het Laatste Oordeel spectaculair uitvergroot maar is de boodschap die van troost en verlossing, zoals we die ook terughoren in bijvoorbeeld het Requiem van respectievelijk Fauré en Duruflé. En wel of niet toevallig is de gekozen toonsoort net zo ‘optimistisch' als die van het requiem van Hasse uit 1764: die van het strikt heldere, zelfs markant te noemen Es-groot.

Het sacrale karakter van Jommelli's Requiem betekent nog niet dat er geen plaats zou zijn ingeruimd voor vocale virtuositeit, al is die dan voornamelijk is toebedacht aan de vocale soli (al liggen er voor het koor wel degelijk complexe fuga's in het verschiet). Maar ook hier geldt dat deze geen doel op zich vormt, maar is ingebed in de boodschap dat dit Requiem van alle kanten uitstraalt. Een boodschap die dankzij dit uitmuntende solistenteam, het geweldig presterende koor (dat ook heel fraai zacht kan zingen, wat de superieure vocale schoonheid van het geheel nog verder onderstreept) en de fraai omlijstende strijkers ook vandaag door eenieder die er oren naar en gevoel voor heeft kan worden verstaan. Dirigent Giulio Prandi kan trots zijn op deze ware modelvertolking die ook qua opname hoge ogen gooit.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links