CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2020

(Le) Jeune: Le Printemps (sel.)

Ensemble Gilles Binchois o.l.v. Domonique Vellard
Evidence EVCD069 • 64' •
Opname: september 2019, L'église Sainte-Colombe de Hassat (F)

   

Het Franse Ensemble Gilles Binchois vierde vorig jaar zijn 40-jarig jubileum. Het werd in 1979 opgericht door de tenor Dominique Vellard, tevens bespeler van de middeleeuwse gittern. Hij zwaait nog steeds de scepter over dit gerenommeerde ensemble, overigens niet te verwarren met het Britse Binchois Consort, dat dit jaar een kwarteeuw bestaat. De naam van beide ensembles is afgeleid van de Henegouwer Gilles de Bins Binchois (ook wel Gilles de Bins), die leefde van 1400 tot 1460. Hij wordt met Guillaume Dufay beschouwd als een van de belangrijkste grondleggers van de Vlaamse polyfone school.

Wat beide ensembles voorts met elkaar gemeen hebben is het onderzoek naar en het in brede kring onder de aandacht brengen van de muziek uit Middeleeuwen en Renaissance. Het is een bekend concept dat wordt gedragen door het idee dat musicologisch onderzoek en uitvoering hand in hand kunnen gaan, een opzet die we ook terugvinden bij andere bekende ensembles, zoals het Spaanse Hespèrion, het Concert des Nations en Capella Reial de Catalunya, alle geleid door een andere grootheid op dit gebied: Jordi Savall. Maar dichter bij huis bijvoorbeeld ook in de door Peter Philips geleide Tallis Scholars (dat maar liefst al 47 jaar actief is en dus stammend uit het begin van de wat we zijn gaan zien maar vooral horen als de historiserende uitvoeringspraktijk!)

Het Ensemble Gilles Binchois heeft zich ditmaal gebogen over een selectie uit ‘Le Printemps' Reveci venir du printemps), waarbij de keus viel op veertien van de in totaal negenendertig in 1603 door de Parijse muziekuitgever Ballard postuum gepubliceerde koorstukken van Claude Le Jeune (of Lejeune), geboren in 1528 in Valenciennes en overleden in 1600 in Parijs. 

Dat ‘Le Printemps' (De Lente) drie jaar na zijn dood überhaupt werd gepubliceerd danken we aan zijn zus Cécile, die zich na zijn dood om zijn muzikale nalatenschap heeft bekommerd en zich daarbij onafgebroken heeft ingespannen om die ook te verspreiden. Niet alleen zorgde ze voor de publicatie van ‘Le Printemps', maar van andere werken van haar broer, een collectie die merendeels ontstond in diens laatste levensjaren. De publicatie werd verzorgd door Parijse muziekuitgever Ballard.

Le Jeune had ongetwijfeld in zijn werkzame leven nog aanzienlijk meer kunnen componeren, maar deze onvermoeibare perfectionist bleef herschrijven, nooit tevreden over het resultaat. Dat gold ook de werken die hij speciaal componeerde voor de Académie de Poésie et de Musique. Deze was in 1570 opgericht door de Franse dichter Jean-Antoine de Baïf, vooraanstaand lid van ‘La Pléiade', met als doel de dichtkunst en de muziek dichter bij elkaar te brengen. Hij was het die de ‘vers mesurés à l'antique' de Franse poëzie binnenloodste, nadat eerdere pogingen, onder anderen door Jacques de la Taille, onderweg waren gestrand. Deze antieke versmaat werd beheerst door een homofone opzet, waarbij de langere lettergrepen waren gekoppeld aan langere notenwaarden en omgekeerd de kortere lettergrepen aan kortere notenwaarden, maar wel dat het metrum vrij moest kunnen vloeien, een procedé dat in de klassieke Oudheid al uitvoerig was beproefd. In de zestiende eeuw saprak het veel Franse componisten aan, waaronder ook Le Jeune en voornamelijk omdat het de weg opende naar de esthetiek uit een ver verleden. Dit verklaart ook de populariteit van Le Jeune's ‘Le Printemps', de cyclus die het esthetische ideaal van de Franse ‘mélodie' weerspiegelt: wel fijnzinnig, maar nooit gemaniëreerd, gevat in een prosodie, een declamatorische stijl die, binnen de regels van die kunst, het ultimum aan souplesse bood.

Het ideaalbeeld van ‘La Pleiade' en dat van de Académie liep dus in feite parallel. ‘La Pleiade' bestond uit een groep van zeven jonge dichters, Jacques Pelletier du Mans (na zijn dood trad Jean Dorat in diens plaats), Rémy Belleau, Pierre de Ronsard, Joachim du Bellay, Pontus de Tyard, Étienne Jodelle en de reeds genoemde Jean-Antoine de Baïf. Ze hadden zich voorgenomen om weliswaar terug te grijpen op de dichtkunst uit de Griekse Oudheid, maar die wel een nieuwe, in dit geval zestiende-eeuwse uitstraling te geven. ‘La Pléiade', in het Grieks te lezen als een zevengesternte, een groep van zeven bij elkaar horende personen, analoog aan de zeven dichters in Alexandrië, in de derde eeuw voor Christus. 

Het in ode, sonnet en alexandrijn gevatte, verfijnde taalgebruik van deze klassieke dichters droeg een nog belangrijker boodschap in zich: die van de menselijkheid, het streven naar het goede en rechtvaardige, met als doel de weg naar geluk. Kortom, dichtkunst gevat in een ideaal humanistisch wereldbeeld zoals we dat zo goed kennen van onder anderen Anacreon, Horatius, Vergilius en Horatius.

Claude (of Claudin) Le Jeune was niet alleen een belangrijke componist, maar door zijn nauwe banden met de Académie was hij een van die uitgelezen toondichters die muziek en dichtkunst met elkaar wisten te verbinden. Waarbij het belang van de Académie zeker niet moet worden onderschat: zij ontwikkelde zich in korte tijd tot een ware broedplaats van onderzoek en experiment, een plaats ook waar werd gediscussieerd, gedichten werden voorgedragen en muziek werd uitgevoerd.

Het zal voor iedere componist en dus ook voor Le Jeune ondanks zijn grote talent, geen geringe opgave zijn geweest om de aan de ‘vers mesurés' inherente beperkingen (niet alleen de lettergrepen, maar ook de homofonie: alle stemmen dienen de tekst op hetzelfde moment te declameren) de gewenste muzikale substantie te geven. Alhoewel, de versieringstechniek bood uitkomst, want die maakte immers variatie mogelijk binnen een en dezelfde ‘air', wisselend tussen drie en vijf of vier en zes of zelfs zeven stemmen (zoals in de ‘airs mesurés' in ‘Le Printemps'). Wie aandachtig luistert ontdekt al snel dat het voor Le Jeune slechts een bescheiden stap betekende van het prosodisch recitatief naar de alles omvattende vocale schoonheid, in een model dat sterk afwijkt van de villanelle en de canzonetta, waarin – zoals met name in Italië – juist het ritmisch ingevlochten schema de dominante factor is.

Franse negentiende- en twintigste-eeuwse componisten rekenden ‘Le Printemps' tot de grote meesterwerken. Olivier Messiaen beschouwde het werk zelfs als een van de grootste uitingen in de westerse muziekgeschiedenis. Maar afgezien van dergelijke kwalificaties: al luisterend wordt men zich zeker bewust van de bijzondere schoonheid die van deze muziek uitgaat. Alleen al dit gegeven had het naar mijn gevoel zeker gerechtvaardigd om de complete ‘Printemps' op cd te zetten en het dus niet te laten bij deze selectie, hoe zorgvuldig die ook geweest mag zijn. En al helemaal gelet op de eminente zangkunst van deze twee sopranen, alt en tenor, aangevuld door het exquise instrumentarium van spinet, luit en harp. De opname is eveneens van grote schoonheid.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links