CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2013

 

Philippe Jaroussky | Farinelli: Porpora Aria's

Uit Arianne e Teseo (Florence 1728): ‘Mira in cielo’ - uit Semiramide Riconosciuta (Venetié 1729): ‘Si pietoso il tuo labbro’ - uit Semiramide Regina dell’Assiria (Napels 1724): 'Come nave in ria tempesta’ – uit Polifemo (Londen 1735): ‘Placidetti zefiretti’*, ‘Alto Giove’ en ‘Nell’attendre il mio bene’ – uit Mitridate (Londen 1736): ‘La gioia ch’io sento’* – uit Ifigenia in Aulide (Londen 1375): ‘La limpid’onde’ – uit Orfeo (Londen 1736): ‘Dell’amor più sventurato’ en ‘Sente del martir’

Philippe Jaroussky (countertenor), Cecilia Bartoli (mezzosopraan)*, Venice Baroque Orchestra o.l.v. Andrea Marcon

Erato 9341302 2 • 71' •

Opname: augustus-oktober 2012, Gustav-Mahler-Saal, Centro Culturale, Dobbiacco (Toblach) (I)

   

Farinelli was de artiestennaam van Carlo Maria Michelangelo Nicola Broschi, de grote Italiaanse castraatzanger (1705-1782) die door zijn tijdgenoten werd gerekend tot de grootste operazangers van zijn generatie. Nog maar net zeventien kreeg Il ragazzo (de jongen, zoals hij overal werd genoemd), zoals hij overal in Italië werd genoemd, zijn eerste grote rol in Porpora’s Flavio Anicio Olibrio. Stormen van enthousiasme bracht de jonge zanger teweeg, niet alleen in zijn vaderland maar ook buiten Italië. Johann Joachim Quantz, de Duitse fluitist en componist, karakteriseerde Farinelli als een sopraan met een vol, rijk, en helder helder geluid, vlekkeloze intonatie, superieure ademtechniek en een ongekende trefzekerheid. Maar ook het enorme stembereik dwong grote bewondering af: vanaf de A (links van het sleutelgat van de piano) tot maar liefst twee octaven boven de centrale C. Wat er in de praktijk op neerkwam dat Farinelli ook als tenor zeker geen gek figuur sloeg! Niet minder belangrijk was dat Farinelli’s stem duidelijk instrumentale kwaliteiten had, want wervelende toonladders gingen hem net zo gemakkelijk af als de lastigste trillers en versieringen. Dat Farinelli overigens echt een sopraan was blijkt niet alleen uit de observatie van Quant maar ook uit de vele sopraanrollen in zijn zo succesvolle loopbaan als castraatzanger. Daarbij mag worden aangetekend dat Farinelli niet alleen maar met zijn vocale virtuositeit wilde behagen of epateren: hij stond tevens bekend om zijn grote interpretatieve raffinement en de wijze waarop hij een rol een eigen ‘gezicht’ gaf. Geen wonder dat de theaterdirecteuren om hem vochten. Van een van zijn grote concurrenten, de castraat Gioacchino Conti (‘Gizziello’), werd gezegd dat die uit pure wanhoop in katzwijm viel toen hij Farinelli voor het eerst hoorde zingen. Maar ook de grote Georg Friedrich Händel was zo diep onder de indruk van Farinelli’s zangtalenten dat hij hem terstond wilde engageren voor zijn eigen operagezelschap in Londen. In de Belgische film Farinelli, Il Castrato van de Belgische regisseur Gérard Corbiau, vertolkt Jeroen Krabbé de rol van Händel en Stefano Dionisi de rol van Farinelli, wiens sopraanstem in een mix van de sopraan Ewa Malas-Godlewska en de countertenor Derek Lee Ragin wordt voorgesteld. Het is eerder uitzondering dan regel dat dergelijke ‘biografische’ films bij de feiten blijven en zo wordt ook hier het een en ander aangedikt, afgevlakt, verkeerd voorgesteld of in het geheel niet vermeld. Zo wordt Händel ten tonele gevoerd als een niets en niemand ontziende schurk, waarvoor geen enkel bewijs kan worden aangevoerd. Natuurlijk moest Händel het opnemen tegen allerlei concurrerende theaters, maar dat maakt hem nog geen, bij wijze van spreken over lijken gaande bedrieger. En natuurlijk is daar het bekende verhaal, opgetekend door Charles Burney, van de ‘strijd’ tussen Farinelli en een trompettist die, hoezeer hij ook zijn best deed op zijn instrument, linea recta door Farinelli’s stem werd overtroefd. De muzikale begeleiding in de film is overigens wel dik in orde, met het fameuze, door Christophe Rousset geleide Les Talens Lyriques.

Was Farinelli in Europa een gevierd zanger, in Spanje, waar hij maar liefst bijna een kwarteeuw bleef, kreeg hij zelfs politieke macht. De koningin die leed onder de hevige depressies van haar gemaal Filips V, was niet alleen zeer op Farinelli gesteld, maar liet zijn stem zelfs door de koninklijke privévertrekken schallen in de hoop dat de koning daardoor zou worden genezen. Maar liefst twintig jaar lang zong Farinelli, inmiddels opgeklommen tot Spaans premier, bijna iedere avond dezelfde aria’s van de Duitse componist Johann Adolf Hasse. Later, nadat Ferdinand VI aan de macht was gekomen, werd Farinelli benoemd tot de leider van alle theaters in Madrid en Aranjuez.
Toen Karel III in het koninklijke zadel was gehesen, achtte Farinelli de tijd gekomen om terug te keren naar zijn geboorteland. Hij stierf in Bologna, maar niet nadat hij was opgezocht door een groot aantal beroemdheden, waaronder Gluck en Mozart.

Philippe Jaroussky zingt op deze cd aria’s die de Italiaanse componist Nicola Porpora (1686-1768) voor zijn gevierde leerling Carlo Maria Broschi alias Farinelli schreef. Er kan weinig twijfel over bestaan dat het Porpora was die aan de wieg heeft gestaan van de ontwikkeling van Carlo’s buitensporige zangtalent. Eenmaal toegelaten tot Porpora’s muziekschool (die alleen toegang bood voor speciaal uitgezocht talent), maakte Farinelli al snel kennis met Porpora’s bijzondere pedagogische kwaliteiten. Gevoegd bij Carlo’s natuurlijke aanleg en het gemak waarmee hij de leerstof tot zich nam, was er al snel sprake van grote vorderingen. Dat het niet gratis was, laat zich raden, maar Porpora had daarvoor een goed werkend ‘business plan’ in het leven geroepen. Porpora trainde niet alleen het nieuwe talent, maar zorgde ook voor voedsel, kleding en onderdak in ruil voor een ‘donatie’ van de (altijd) rijke, welgestelde familie van de pupil. Dat neemt niet weg dat Carlo regelmatig de straten afstruinde op zoek naar eten voor zijn rammelende maag.

Voor zowel Porpora als voor de pupillen sneed het mes aan twee kanten: als leermeester werd hij voor zijn diensten goed betaald en als operacomponist kon hij het nieuw gekweekte talent im zijn eigen werk laten schitteren, terwijl de alumni de kans kregen om zich in het operavak te bekwamen en in hogere adellijke en artistieke kringen te verkeren, als springplank voor hun verdere loopbaan. Eenvoudig gezegd, voor wie eenmaal was toegelaten tot de privéschool van Porpora was het kostje gekocht. Mogelijk is de band tussen Porpora en Carlo nog verder versterkt na de dood van Carlo’s vader. De toen twaalfjarige zal in Porpora bijna zeker een nieuwe vaderfiguur hebben gevonden.

We weten wat een castraatzanger inhoudt, maar hoe klinkt hij eigenlijk? Om daarvan een scherp, zuiver beeld te krijgen verwijs ik u graag naar de uitgave van Virgin Classics onder de titel Altus, van castraat naar countertenor, drie cd's gevuld met kostelijk materiaal (2 35476 2), waarin u de vele verschillen en nuances kunt horen tussen zangers als James Bowman, Michael Chance, David Daniels, Alfred Deller, Paul Esswood, René Jacobs, Philippe Jaroussky, Gérard Lesne, Derek Lee Ragin, Christopher Robson, Andreas Scholl en nog vele anderen. Bijzonder interessant is bovendien een fragment uit Rossini´s Petite messe solennelle in een opname uit 1902(!) met de castraat Alessandro Moreschi, aangeduid als de laatste castraat van de Sixtijnse Kapel.

Maar nu naar Jaroussky die her en der als countertenor te boek staat, maar dat feitelijk niet is. Hij beschikt over een kernachtige, hoge alt (per se geen sopraan, zoals vaak te lezen valt) die zowel wendbaar als veelzijdig is, veel kleuringaccenten toestaat (die hij ook optimaal inzet) en daarmee een rijk geschakeerd parcours bewandelt. Zijn dictie is gecultiveerd zonder gelikt te worden, zijn zang is simpel samengevat optimaal stilistisch en sprankelend, zonder die maniertjes die op het eerste gehoor best indruk maken, maar snel gaan vervelen of vermoeien. Van Jaroussky’s zangkunst kan worden gezegd dat zij voortdurend nieuwe gezichtspunten biedt. En wie Jaroussky zegt, zegt lyriek van de hoogste orde.

Dat Jaroussky niet het stembereik heeft van zijn grote voorganger moge duidelijk zijn, maar hoewel de aria’s van Porpora in hoge mate virtuoos zijn, valt de tessitura van een aantal van hen binnen Jaroussky’s bereik en zijn ze bovendien mild en lyrisch van karakter. Mogelijk blijkt juist daaruit Porpora’s grote genegenheid voor de castraat. De van Decca ‘geleende’ mezzo Cecilia Bartoli ontpopt zich in ‘Placidetti zefiretti’ uit Polifemo en ‘La gioa ch’io sento’ uit Mitridate als Jaroussky’s even briljante partner. Het Venice Baroque Orchestra onder leiding van Andrea Marcon begeleidt op ‘authentieke’ instrumenten idiomatisch en met grote stijl. De fraaie opname bekroont dit sublieme recital. Het cd-boekje is een juweeltje, met fraaie afbeeldingen, uitvoerige toelichtingen en alle gezongen teksten. Kortom, een prachtuitgave, die bovendien maar liefst zeven discografische premières bevat. En voor wie het nog niet wist: EMI Classics is onlangs overgenomen door Warner en gaat onder die naam door, terwijl Virgin Classics nu als Erato door het muzikale leven gaat. Of er veranderingen op komst zijn weet ik niet, en dus houd ik het voorlopig maar op Shakespeare’s What’s in a name.

_____________________
Philippe Jaroussky in het Amsterdamse Concertgebouw op 19 januari 2014


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links