CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2019

Henze: Das Floß der Medusa (1968, revisie 1990)

Camilla Nylund (De Dood), Peter Schöne (Jean-Charles), Peter Stein (Charon), SWR Vokalensemble, WDR Rundfunkchor, Freiburger Domsingknaben, SWR Symphonieorchester
Dirigent: Peter Eötvös

SWR Classic SWR19082CD • 70' •
Opname: 15-17 november 2017, Elbphilharmonie, Hamburg en Konzerhaus, Freiburg (D)

   

Een nogal problematisch werk, Hans Werner Henze's Das Floß der Medusa. Niet omdat het compositorisch middelmatig of zelfs slecht zou zijn, maar omdat het door velen nog steeds wordt gezien als inhoudelijk sterk maar aan de tijd van het ontstaan ervan gebonden. Het Oratorio volgare e militare in due parti op teksten van de Duitse schrijver en documentairemaker Ernst Schnabel (1913-1986) zou alleen passen in de uiterst roerige jaren zestig van de vorige eeuw, niet alleen in ons land (Notenkrakers, Maagdenhuisbezetting, de Provobeweging, de opera Reconstructie met de lofzang op de Cubaanse revolutie en de verering van Castro en Che Guevara), maar ook in Duitsland en Frankrijk (Sorbonne-opstand).

 
 

Hans Werner Henze met de partituur van Das Floß der Medusa

Het is een misvatting die uitsluitend kan voortvloeien uit de voorgeschiedenis. Hans Werner Henze (1926-2012) was immers op zijn manier ook al revolutionair bezig. Hij wist veel van Cuba en wijdde er in 1969 zijn Zesde symfonie aan (hij droeg het voor de uitvoering door twee kamerorkesten bedoelde werk meer dan symbolisch op aan het in Havana gevestigde Orquestra Sinfónica Nacional). Begin jaren zeventig was de liefde voor Cuba nog niet bekoeld, getuige de daaraan gewijde tv-opera A Cubana oder Ein Leben für die Kunst (het stuk ging in 1974 in New York in première). Totdat uiteindelijk ook voor hem het Cubaanse doek viel, of anders gezegd: de tomeloze ellende in het land ook hem dan eindelijk de ogen deed openen. Waarna de omslag kwam. Gelukkig maar.

Eigentijdse biedermeier
Henze werd eind jaren zestig door de ‘nieuwlichters' en zij die deze ontwikkeling met man en macht verdedigden, niet als een vernieuwer gezien. Zeker in de extreem-radicale hoek van de Duitse studentenbeweging had men met Henze's muzikale exploraties weinig tot niets op. Hij werd gezien als een soort eigentijdse biedermeier wiens muziek maar beter op de brandstapel thuishoorde. Het ontwikkelde zich gaandeweg als een hevige strijd tussen voor- en tegenstanders. Een gevecht dat overigens geen winnaars opleverde, maar wel, terugkijkend, het historische beeld oproept van een onontwarbare kluwen van voor- en tegenbewegingen zoals we die vandaag – en niet alleen in het muziekbedrijf - niet meer kennen. Waar toen de 'revolutie' heerste, overheerst nu de gezapigheid. Alleen de klimaatmarsen herinneren nog enigszins - en niet meer dan dat - aan die uiterst roerige tijden.

De rapen gaar
De stormen van protest die op 9 december 1968 over de aanstaande première van Henze's Das Floß der Medusa losbarstten, hadden misschien minder te maken met de inhoudelijke kant van de zaak als wel met het door de componist onder druk schrappen van de ‘Widmung' ervan aan Che Guevara himself. Een zich uit de recalcitrante massa losmakende student nam er geen genoegen mee en hing demonstratief een enorme poster met de kop van de revolutionair breed over het podium, waarna de vertegenwoordiger van de Norddeutsche Rundfunk, de NDR (de omroep was voor de uitzending verantwoordelijk) toch maar de euvele moed had om die fluks weer te laten verwijderen, onder het motto dat kunst en politiek niet samengingen (een standpunt dat Willem Mengelberg in de donkere jaren dertig en veertig eveneens met verve verkondigde, maar waar hij zich niet aan hield). Waarna de rapen helemaal gaar waren: onder luidkeels gejoel, geschreeuw en gefluit werd met rode en zwarte vlaggen gezwaaid en beeltenissen van de revolutionaire ‘leiders' omhoog gehouden. De heksenketel nam al snel dusdanige vormen aan dat aan een uitvoering van het werk niet meer mocht worden gedacht. Koor, orkest, componist en tekstdichter stonden er op en naast het podium nogal beteuterd bij, machteloos en niet wetende wat te doen. Het hielp ook niet toen Henze onder oorverdovend gekrijs het woord nam en luidkeels verkondigde dat het niet specifiek om Cuba noch om welke revolutie ook ging, maar dat dit juist tekst en muziek was van een ‘universeel karakter', gericht tegen iedere vorm van onbarmhartigheid, waar ook ter wereld. Dat was - althans onder de gegeven omstandigheden - zowel waar als niet waar. Henze's Cubaanse sympathieën deden er immers niet aan af. Sympathieën die uiteraard met het opus in verband werden gebracht (al was de 'Widmung' dan teruggetrokken). Kortom, de chaos hield aan, de politie moest er zelfs aan te pas komen. Met stevige hand werden grote groepen proteststudenten weggeleid en werd met vereende krachten de rust zoveel mogelijk weer hersteld. Waarna Henze opnieuw het woord nam en het resterende publiek liet weten dat van een uitvoering geen sprake meer kon zijn. De reactie was voorspelbaar: ritmisch handgeklap begeleidde het loflied op een andere populaire revolutionair: Ho Chi Min.

Hans Werner Henze (r.) en regisseur Charles Regnier tijdens de voorbereidingen van de première in Hamburg

Geluk bij een ongeluk
Daarmee leek Das Floß der Medusa voorlopig van het toneel verdwenen en kon van de eerder geplande radio-uitzending geen sprake meer zijn. De NDR was echter zo slim geweest om alle opnameapparatuur al ruim voor de eerste repetities in stelling te brengen. De band liep gewoon mee, tot en met de generale (zonder publiek). Daaruit bleek een versie te kunnen worden samengesteld die de toets der kritiek kon doorstaan en uitzending alsnog mogelijk maakte. Deze uit 1968 opnamen werden later door Deutsche Grammophon overgenomen, geselecteerd en op lp uitgebracht, om uiteindelijk ook een plaatsje te krijgen in de Henze-Edition. Dat is dus - afgezien van een aantal minder belangrijke wijzigingen - zonder het door Henze nieuw gecomponeerde slot, dat nu niet eindigt met de percussie, maar met een groots opgezet stretto van het gehele orkest.

Ook in de NTR ZaterdagMatinee
Het heeft daarna niet eens zo lang geduurd alvorens het oratorium ‘volgare e militare' (‘grof en militaristisch') publiekelijk werd uitgevoerd: op 29 januari 1971, dan nog in concertvorm in Wenen. De scenische opvoering volgde vrij kort daarna, in Neurenberg op 15 april 1972. In ons land was het werk pas te horen op 22 november 2014 in het kader van de NTR ZaterdagMatinee, met Roman Trekel als de zeeman Jean-Charles, Lenneke Ruiten als de Dood, Franz Grundheber als Charon, het Groot Omroepkoor, het Nationaal Kinder- en Jeugdkoor, het Vlaams Radiokoor en het Radio Filharmonisch Orkest, met op de bok Markus Stenz. Het werd een gedenkwaardige uitvoering.

Jean-Louis Théodore Géricault: Le Radeau de la Méduse (1818/19)

Het verhaal
Waar draait het om in Het vlot van Medusa? Het begon bij een groot, vol realisme vervuld schilderij dat in het Louvre hangt: Le Radeau de la Méduse (1818/19) van de hand van Jean-Louis Théodore Géricault (1791-1824). De geschiedenis was toen nog niet diep weggezonken: de scheepsramp van een paar jaar eerder, in 1816, toen het fregat ‘Méduse', dat deel uitmaakte van de Franse oorlogsvloot, op weg was naar de door de Engelsen bezette Senegal, maar die bestemming nooit bereikte. Op 2 juli raakte het door slechte navigatie onwrikbaar vast op een zandbank ter hoogte van Mauritanië. De gezagvoerder liet het schip het schip en stapte met een aantal van zijn vertrouwelingen in de enige beschikbare reddingsloep De resterende ongeveer 150 opvarenden moesten zelf maar zien hoe ze het vege lijf konden redden. Het schip, ten prooi aan hevige winden en hoge golven, zou het niet lang uithouden . Haast was geboden. Wrakhout van het schip werd losgewrikt en aangesleept om aldus een vlot te bouwen waarmee de kust kon worden bereikt. Dat had de meeste kans als het werd vastgemaakt aan de nog steed wachtende sloep. De touwen werden vastgemaakt, maar door het verder verslechterende weer en de hoge golven werd niet alleen het vlot, maar ook de daaraan vastgemaakte sloep herhaaldelijk naar beneden geduwd, waardoor beide maakte. De kapitein gaf order om de touwen door te snijden, waarna de sloep vertrok, het vlot met de opvarenden aan het eigen lot overlatend. Met een haastig in elkaar geflanst zeil, zonder kompas, zonder voedsel en zonder water volgden op het vlot twee weken van grote ontberingen. Velen stierven, werden overboord gezet, vaak nadat eerst hun ledematen door de uitgehongerde overblijvenden waren opgegeten. Op 17 juli kwam de verlossing met het eerste schip dat in zicht kwam, de Argus, die de nog vijftien overlevenden aan boord nam en aan wal bracht. Eenmaal aan land stierven er nog vijf.

Doofpot
In de negentiende eeuw, met slechts de geringe communicatiemiddelen, was het minder lastig dan nu om voor de overheid ‘onaangename' gebeurtenissen onder de pet te houden. Toch kwamen uiteindelijk de feiten boven water en dat leidde tot enorme protesten. Het schilderij legt er feitelijk getuigenis van af, want daarop wordt het drama op indringende wijze weerspiegeld: de wanhopige opvarenden, het wrakke vlot, de stervenden en de doden, maar ook de twee de opvarenden die een schip aan de horizon hebben ontdekt en met een geïmproviseerde ‘vlag' wapperen.

Universeel
Per saldo had Henze gelijk: de inhoud van Das Floss der Medusa is universeel. Het betreft immers het drama van alle tijden, het zich niet willen bekommeren om mensen die lijden, hulp nodig hebben. Het is zelfs vandaag bijna tastbaar, getuige de vele vluchtelingen die op wrakke bootjes de overtocht naar het ‘rijke en vrije' Europa wagen. Velen verdrinken in de Middellandse Zee en als ze het al ‘redden' wachten hen de barre omstandigheden in de vluchtelingenkampen.

Spiegel
Dat op een tekst en dus ook op de muziek al naar gelang een ‘passend etiket' kan worden geplakt is evident. Castro, Guevara, Minh, ach, wat maakt het uit wie op de voorplecht wordt gezet? Wie de klok vooruitzet ziet in het stuk in ieder geval weinig anders dan een in cultuur gevat protest tegen de onverschilligheid en daarmee het ontbreken van lotsverbondenheid. Daarmee staat het ver af van welke accentuering van tegenstellingen ook. Wat wellicht paste in de jaren zestig of als zodanig werd uitgelegd doet nu niet meer ter zake (al is de kroniek van deze geschiedenis daardoor niet minder interessant). Het lijkt eerder passend om het werk te zien als een ‘document humain' dat iedere denkbare tegenstelling weet te overbruggen. Er wordt ons bovenal een spiegel voorgehouden waarin we ons ook vandaag gemakkelijk kunnen herkennen. Onze rijke muziekgeschiedenis kent vele van dergelijke voorbeelden (van Beethoven tot Sjostakovitsj, van Hartmann tot Nono). En misschien zelfs wel Berg enWeill, als het om het sociale drama gaat.

Moedig
Het ligt voor de hand dat componist en dirigent Peter Eötvös de actualiteit van Das Floss der Medusa ook zo heeft gevoeld. Hij heeft het aangedurfd om de enorme complexiteit van het stuk bij de horens te vatten, nadat hij zich ongetwijfeld eerst had verzekerd van een tot de tanden gewapend solistenteam (vooral de sopraanpartij is bijna ijselijk moeilijk). Solisten ook die zich hoorbaar met hun lastige rol hebben geïdentificeerd en met groot engagement deze partituur te lijf zijn gegaan. De kracht van de bariton Peter Schöne als Jean-Charles en de souplesse waarmee Camilla Nylund als De Dood zich door haar rol beweegt is van exemplarisch niveau: techniek en interpretatie vloeien bij wijze van spreken in elkaar over. Peter Stein ontpopt zich als de erudiete spreker die voor de rol van Charon geknipt lijkt.

Diepe bewondering ook voor het in de moderne muziek gespecialiseerde SWR Vokalensemble, aangevuld door het WDR Rundfunkchor en de (net fantastisch zingende!) Freiburger Domsingknaben. Het SWR Symphonieorchester acteert in de best denkbare traditie, die zelfs teruggaat naar een van de belangrijkste voorlieden op het gebied van eigentijds repertoire: Hans Rosbaud.

Eötvös cum suis hebben iedere vorm van sentimentaliteit weten te vermijden, wat het dramatisch aspect alleen maar heeft verstevigd. Het eclectisch karakter van het stuk (we horen onder meer de ‘verre roep' van Monteverdi's Madrigali guerrieri en gefragmenteerde flarden uit Bergs Wozzeck en Lulu) tast het vooruitstrevende karakter van het werk geenszin aan. Sterk is ook de koorbehandeling, die naarmate het stuk vordert nog meer aan huiveringwekkende details wint, wat we in deze uitvoering ook terughoren. Dan is er Eötvös' onvervalste greep op deze weerbarstige materie, de in de structuur bij wijze van spreken vastgehechte spanningsbogen en de nooit aflatende indruk dat dit muziek is die er (nog steeds!) echt toe doet. Muziek die onder de huid kruipt, het leven ook in al zijn gruwelijkheid laat horen, al is die muziek ingebed in de schoonheid van Henze's muziektaal. De opnametechnici hebben het onvermijdelijke contrast tussen de beide akoestisch behoorlijk verschillende locaties vakkundig opgelost.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links