CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2017

 

Het hoofd van Haydn

Haydn: Symfonie nr. 44 in e (Trauer) - nr. 26 in d (Lamentatione) - nr. 49 in f (La Passione)

Apollo Ensemble

Et'cetera ISBN 978-90-822047-4-2 (boek) + cd • 78' •

Opname: mei en augustus 2016, Waalse Kerk, Amsterdam

Theun de Vries: Het hoofd van Haydn, 264 blz., gebonden

http://apollo-ensemble.nl/event/

 

We weten geenszins zeker of de stoffelijke resten die onder de Thomaskerk in Leipzig zijn begraven daadwerkelijk die van Bach zijn. Of anders gezegd: de twijfels zijn zeer groot. Mozart vond zijn laatste rustplaats in een massagraf op een Weens kerkhof. Beethoven werd niet eerder begraven dan nadat zijn gehoorbeenderen ruw waren afgezaagd. Haydn werd in zijn graf geen rust gegund: zijn hoofd werd afgesneden. Waren er grafschenners aan het werk geweest? In strikte en juridische zin wel, maar er lag wel een vorm van 'wetenschap' aan ten grondslag.

Rosenbaum en Gall
Ene Joseph Carl Rosenbaum liet op een nacht in waarschijnlijk de zomer van 1809 (Haydn was op 31 mei van dat jaar overleden) zijn koets voorrijden en toog naar de begraafplaats, waar de man hem opwachtte die opdracht had gekregen het hoofd van Haydn te verwijderen en in te pakken. Rosenbaum nam het al in ontbinding zijnde en al stevig ruikende hoofd dankbaar in ontvangst, stapte weer in zijn koets en keerde met het onwelriekende hoofd huiswaarts. Het was de moeite en het ongerief wel waard, want hij was er vast van overtuigd dat hij aan de hand van de dan keurig schoongemaakte schedel de fysieke wortels van het toen al onbetwiste muzikale genie van Haydn kon achterhalen. Een soort anatomische bevestiging achteraf die op ons wellicht een uiterst koddige indruk maakt, maar die toen uiterst serieus werd genomen. De arts Franz Joseph Gall (1758-1828) had rond 1800 bedacht dat talent en karakter, maar ook gedrag- of cognitieve stoornissen herleid konden worden aan de hand van de groei van bepaalde hersendelen. Omvang en vorm, maar ook de knobbels van de schedel hielden ten nauwste daarmee samen. Onzin of niet, in ons dagelijks spraakgebruik zijn begrippen als ‘taalknobbel' en ‘wiskundeknobbel' wel vanzelfsprekend geworden.

 
 
Franz Joseph Gall

Gall hield zich op wetenschappelijke gronden al geruime tijd en intensief bezig met de schedelkunde of cranioscopie (van het Griekse kranion: schedel en skopeo: bekijken of onderzoeken). Later bedacht zijn leerling Johann Spurzheim overigens een nieuw woord: frenologie (van het Griekse phren: geest en logos: studie). Zoals bij iedere uit de conventionele band springende onderzoekmethode was ook Gralls 'frenologie' al snel aanleiding tot discussies, maar ook tot luide protesten van zowel collega's als leken. Ook uit religieuze hoek kwam er veel kritiek. In kerkelijke kringen werd uitsluitend dogmatisch tegenaan gekeken: God had de menselijke geest immers geschapen en was het alleen al daardoor uitgesloten dat die puur anatomisch kon worden herleid. De geest ‘zweefde', was in zijn wezen onaanraakbaar, laat staan tastbaar. Meer wetenschappelijk lag het zwaartepunt van de kritiek op de charlatanerie, want wat ontbrak was sluitend bewijs voor Gralls beweringen. Kwakzalverij dus. In hofkringen, waar Gall zijn theorie in eerste instantie had ontvouwd, werd hij al spoedig daarna persona non grata. Uit arren moede vertrok Gall uit Wenen en zocht zijn medische heil eerst in Duitsland en vervolgens in Frankrijk. In beide landen ving hij met zijn theorie echter bot. Dat hij ondanks al die tegenwerking er toch een dik belegde boterham mee wist te verdienen mag bijzonder heten.

Na Gralls dood leefde de frenologie een tijdlang ongeschonden voort. Niet alleen dankzij zijn leerlingen en andere medestanders, maar ook door de ontwikkeling van de forensische frenologie, met de in hoog aanzien staande Italiaanse crimonoloog Cesare Lombroso (1835-1909) als een van de belangrijkste representanten. Hij zag zowel de aanleg voor als het bestaan van criminaliteit in een bepaald individu in de ontwikkeling van bepaalde gelaatskenmerken. Het duurde even voordat men in justitiële kringen doorkreeg dat men zich daarmee op een uiterst hellend vlak bewoog. Het was een van de vele theorieën waarvan de houdbaarheidsdatum al lang en breed is verstreken.

'Tonsinn'
Maar terug naar het hoofd van Haydn. Het kan niet genoeg worden gezegd dat Rosenbaum geen crimineel of grafschenner was die financieel munt wilde slaan uit de gedeeltelijke ontmanteling van Haydns corpus. Integendeel, Rosenbaum en Haydn konden in het dagelijks leven zelfs uitstekend met elkaar overweg. Tot kort voor Haydns overlijden had Rosenbaum met hem nog persoonlijk contact gehad. Nee, Rosenbaum werd puur door de wetenschap gedreven. Van de uitslag van het ‘onderzoek' weten we alleen dat bij Haydn een duidelijke 'aanleg voor toonvorming' (‘Tonsinn') was vastgesteld. Het hoofd werd na afloop van het onderzoek niet gedumpt, maar als een relikwie respectvol bewaard, keurig opgeborgen in een met zacht fluweel beklede doos. Na de nodige omzwervingen belandde de schedel in het archief van de Weense Musikverein om uiteindelijk te worden herenigd met de rest van Haydns lichaam, in een nieuwe graftombe in zijn belangrijkste werkplaats: Eisenstadt. Het was immers in Eisenstadt waar Haydn onderdak had gevonden in het paleis van de Esterházy's en daar het merendeel van zijn muziek heeft geschreven.

Detective
In ‘Brieven van een aardappeleter', een brievenboek van Gerard Reve, staat een brief die is geadresseerd aan de luchtmachtaalmoezenier van de vliegbasis Gilze-Rijen. Daarin doet Reve onder meer het verzoek of de predikant tegen vergoeding van te maken kosten, ‘iemand zijn huis gebombardeerd zou kunnen krijgen. Het is het huis van Theun de Vries, Egelantiersgracht 36, Amsterdam C (Jordaan). Het is een bovenhuis, dus het is wel precisiewerk. Eronder woont Jan Willem Hofstra, en die kan dus in één moeite meegenomen worden'.
Theun de Vries 1907-2005), met zijn ‘karpatenkop' (Reve), schreef een alleraardigste speurdersroman over dat hoofd van Haydn, waarin het onderzoek wordt geleid door ene inspecteur Grindeley. De zoektocht voert ons door het uiterst kleurrijke, negentiende-eeuwse Wenen waarin ook een groot aantal toonaangevende muzikale persoonlijkheden ruimschoots aan bod komt. Het boek (een herdruk van de eerste uitgave die in 1988 bij Querido verscheen) is helaas in een wel erg klein lettertype uitgevallen. Een reden te meer om nu maar eens een goede leesbril aan te schaffen! Het is opnieuw uitgebracht naar aanleiding van het 25-jarig bestaan van het Apollo Ensemble, waarvan een cd is bijgepakt met daarop drie Haydn-symfonieën, gecomponeerd tussen 1768 en 1771: de nrs. 26 (Lamentatione), 44 (Trauer) en 49 (La Passione). Collega Emanuel Overbeeke schreef er een gedegen toelichting bij.

Klein maar fijn
Het vijftienkoppig Apollo Ensemble speelt deze drie ‘Sturm und Drang' symfonieën in een bezetting van 5 tot 6 (Lamentatione) violen, altviool, cello, contrabas, 2 hobo's, 2 hoorns en fagot. En doet dat voortreffelijk: het spettert en knispert, zowel de melodielijnen als de tussenstemmen zijn dankzij het uiterst transparante klankbeeld perfect te volgen. Het zijn van die uitvoeringen waarin Haydn direct wordt herkend als ‘uitvinder' (Frans Brüggen). Het ensemble heeft (uiteraard!) wel een artistiek leider (de violist, tevens aanvoerder David Rabinovich), maar – evenals bijvoorbeeld Amsterdam Sinfonietta - geen dirigent. Het maakt duidelijk niet uit: met grote souplesse gaat men door deze drie sprankelende symfonieën en voelt zich daarbij duidelijk hoorbaar als een vis in het water. Het adagio uit de ‘Trauer' fungeert hier als Haydns eigen grafrede. Waar we het tegenwoordig niet meer over hebben is over de herhaling van de expositie en het menuet. Alsof dat iets vanzelfsprekends zou zijn. Welnu, toch maar weer eens gezegd dat die voluit worden gerespecteerd. Dankzij het uiterst spirituele karakter van deze muziek en de vlekkeloze realisatie ervan is dit bepaald geen straf. De opname is voortreffelijk: het kleinste instrumentale detail is moeiteloos hoorbaar.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links