CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2007

 

Haydn: Pianotrio's (compl.)

in g, Hob. XV:1 - in F, Hob. XV:2 -in G, Hob. XV:5 - in F, Hob. XV:6 - in D, Hob. XV:7 - in Bes, Hob. XV:8 - in A, Hob. XV:9 - in Es, Hob. XV:10 - in Es, Hob. XV:11 - in e, Hob. XV:12 - in c, Hob. XV13 - in As, Hob. XV:14 - in G, Hob. XV:15 - in D, Hob. XV:16 - in F, Hob. XV:17 - in A, Hob. XV:18 - in g, Hob. XV:19 - in Bes, Hob. XV:20 - in C, Hob. XV:21 - in Es, Hob. XV:22 - in d, Hob. XV:23 - in D, Hob. XV:24 - in G, Hob. XV:25 - in fis, Hob. XV:26 - in C, Hob. XV:27 - in E, Hob. XV:28 - in Es, Hob. XV:29 - in Es, Hob. XV:30 - in es, Hob. XV:31 - in G, Hob. XV:32 - in E, Hob. XV:34 - in A, Hob. XV:35 - in Es, Hob. XV:36 - in F, Hob. XV:37 - in Bes, Hob. XV:38 - Vijf bewerkingen voor pianotrio Hob. XV:39 - in F, Hob. XV:40 - in G, Hob. XV:41 - in G, Hob. XIV:6 (naar de pianosonate XVI:6) - in C, Hob. XV:C1 - in f, Hob. XV:f1.

Van Swieten Trio (Bart van Oort, fortepiano) - Rémy Baudet en Franc Polman (viool) - Jaap ter Linden en Job ter Haar (cello) - Marionen Moonen (fluit, Hob. XV:15-17).

Brilliant Classics 92794 (10 cd's).

   

 


Haydns immense oeuvre steunt op meer dan honderd symfonieën, bijna tachtig strijkkwartetten, ruim zestig 'piano'sonates, ruim veertig pianotrio's, dertien missen, achttien opera's, een Stabat Mater, Die Schöpfung en Die Jahreszeiten . Maar er is buiten dit indrukwekkende staaltje inspiratie en werklust nog véél meer...

De jaren zeventig van de vorige eeuw waren voor de Haydn-verzamelaar vruchtbare jaren, toen niet alleen de dozen met alle symfonieën, strijkkwartetten en pianosonates verschenen, maar ook een groot aantal opera's, waarvan de meeste nog niet eerder waren opgenomen. De pianotrio's verschenen weliswaar ook, maar niet tegelijkertijd: het fameuze Beaux Arts Trio nam ze in tussenpozen tussen 1970 en 1978 voor Philips op, en zo verschenen ze ook. Die opnamen werden in de pers alom bejubeld.

Een van de eerste, maar tegelijkertijd meest dominante critici was de Engelse pianist, componist, musicoloog en publicist Sir Donald Francis Tovey (1875-1940), die vooral naam maakte met zijn Essays in musical analysis, die de trio's weliswaar een warm hart toedroeg, maar de cellopartij dusdanig rudimentair achtte dat hij in een van de trio's de cellopartij een belangrijkere en bovendien pregnanter uitgewerkte partij meegaf. Het leek bedoeld om als voorbeeld te dienen voor de overige trio's : "Mijnheer Haydn, dit had (veel) beter gekund!'

Had Tovey het gelijk aan zijn kant? Haydns pianotrio's zijn feitelijk werken voor piano, viool en cello, waarbij de cello een ondersteunende rol vervult, hoofdzakelijk ter versterking van het magere basfundament van de (toenmalige) fortepiano. Dit is tevens het grootste bezwaar dat tegen deze trio's altijd is ingebracht, dat Haydn verzuimd heeft om de cello een gelijkwaardige rol in het geheel te geven, dit in tegenstelling tot zijn strijkkwartetten Een ander gehoord bezwaar is de rol van de viool, die in de trio's ten opzichte van de inventieve, zo u wilt spirituele en zeker niet eenvoudige pianopartij maar magertjes afsteekt. De vergelijking met Mozarts pianotrio's wordt weleens gemaakt, die dan steevast ongunstig voor Haydn uitpakt.

Ik vind die kritiek nogal modieus. De pianobas had in Haydns tijd niet alleen weinig fundament, maar ook het aanhouden van lange noten (middels het pedaal) was, zeker in de langzame delen, problematisch. Voor lang uitgesponnen melodielijnen was het instrument veel minder geschikt. Geen wonder dus dat Haydn daarvoor zijn toevlucht nam tot het melodie-instrument bij uitstek, de viool, en tot dat andere melodie-instrument, de cello, ter ondersteuning van de basnoten van de piano. Wat we daarvoor uiteindelijk terugkrijgen is veel: Haydn voelde zich daardoor bij het componeren niet meer belemmerd door de onvermijdelijke technische beperkingen, wat we in volle glorie terughoren in de briljant geschreven pianopartij, die Mozart - in zijn pianoconcerten - naar de kroon steekt. Sterker nog, zelfs Haydns pianosonates zijn doorgaans niet zo briljant geschreven als de pianopartij in de trio's.

De vergelijking tussen de trio's van Haydn en die van Mozart valt zonneklaar, wat Mozarts aanmerkelijk onafhankelijker stemvoering van de cello betreft, ten nadele van Haydn uit. Blijkbaar weegt dan niet het feit zwaar genoeg dat in de Mozart Trio's de cello vaak zwijgt, de cellist niets te doen heeft!

Verreweg het merendeel van Haydns pianotrio's ontstond op rijpe leeftijd (drieëntwintig trio's na zijn vijftigste, veertien ervan zelfs pas na zijn zestigste) een tijdstip waarop Haydn als componist bepaald wel van de hoed en de rand wist. Hij had de trio's niet bestemd voor uitvoering in de concertzaal, voor een groot publiek, maar voor de intimiteit van kleine ruimten, in kleine kring, met veel aandacht voor het speelplezier. Onze projectie van deze muziek levert op essentiële punten echter een onjuist beeld van deze muziek op.

Als Haydn de trio's niet heeft geconcipieerd voor de concertzaal (laat staan voor de platenstudio) en wij voeren ze wel als zodanig uit, vervormen we zowel de oorspronkelijke conceptie als het daarmee samenhangende, muzikale beeld. Eenvoudig gezegd: we spelen en horen de muziek niet zoals Haydn het heeft bedoeld. Een representatief voorbeeld daarvan is de reeds genoemde integrale vastlegging door het Beaux Arts trio, op moderne instrumenten in de opnamentudio. De klank van Menahem Presslers moderne vleugel is luider, rijker, zo u wilt luxueuzer dan Haydns pianoforte, en kent bovendien veel meer dynamische nuances, met natuurlijk de mogelijkheid om middels het rechterpedaal de klank veel langer vast te houden. De zo aan de pianoforte inherente, metalige klank is afwezig. Isidore Cohens viool heeft de langere nek en aldus de daardoor mogelijke, grotere snaarspanning, wat ook weer gevolgen heeft gehad voor de strijkstok, want die is ook al steviger. Een grotere toon is daarvan het resultaat. Alleen al de 'moderne' piano en de 'moderne' viool maakt een farce van de achttiende-eeuwse gewoonte om de viool met de piano mee te laten spelen, met de viool een terts beneden de piano (of de piano een terts boven de viool, wat uiteraard op hetzelfde neerkomt). Toen paste de pregnante vioolklank uitstekend bij de metalige klank van de fortepiano, terwijl nu de violist zich echt moet inhouden om de piano voldoende expressieve ruimte te kunnen verlenen (wat vaak niet gebeurt, omdat ook in de muziekpraktijk het democratische gehalte niet altijd even hoog is). Als het in Haydns dagen op spelcultuur aankwam waren bijvoorbeeld de begeleidingsfiguren zoals Alberti-bassen geen interessant thema: het ging spreekwoordelijk bijna vanzelf, de volle klankrijkdom kon zich langs natuurlijke, en niet langs ingehouden weg ontwikkelen. Bezien van de muziekhistorische ontwikkeling van de achttiende naar de twintigste eeuw worden we door het Beaux Arts trio dus in dit opzicht gewoon voor het lapje gehouden, al is het dan wel met de kanttekening dat los daarvan het spel van dit driemanschap dungezaaide soevereiniteit uitstraalt.

Wat de pianotrio's ook zo interessant maakt is Haydns daarin geëtaleerde compositorische vrijheid vanuit een geheel ander perspectief. Haydn hoefde zijn verbeeldingskracht geen enkele wezenlijke beperking op te leggen, dit in tegenstelling tot zijn symfonieën, strijkkwartetten, pianosonates, oratoria en opera's. De symfonieën waren bedoeld voor de concertzaal, voor een groot publiek en dus speelde het effect een belangrijke rol. De strijkkwartetten waren bestemd voor de kenners, hetgeen een veelvoud van stilistische kenmerken en eisen met zich bracht. De piano was een verre van volmaakt instrument, wat allerlei compositorische restricties met zich bracht. De oratoria waren, evenals de symfonieën, bedoeld voor een groot publiek, maar afgezien van het effect waren er ook nog kerkelijke tradities waarmee rekening moest worden gehouden. Voor de opera gold dan nog een geheel ander bijkomend aspect, het libretto en de toneelhandelingen. Voor het pianotrio gold echter niets van dit alles. Haydn heeft optimaal van die vrijheid geprofiteerd en het is daarom minstens jammer dat zijn pianotrio's door zowel amateur- als beroepsmusici zo selectief worden bediend, terwijl er voor de toehoorder in alle trio's (ook de onderschatte 'vroege') toch ook zo ontzettend veel te genieten valt.

Die liefhebber is naar mijn oordeel het beste af met een instrumentarium uit Haydns tijd omdat dit althans in uitvoeringspraktische zin het dichtst bij Haydns muzikale esprit komt. De retorische aspecten van die muziek zijn op deze wijze ook gemakkelijker te realiseren. Het Beaux Arts trio is, ondanks alle jubelverhalen, alleen om die reden niet de eerstaangewezen keus: de breed gedragen opvatting van het ensemble trekt de trio's ten onrechte naar de concertzaal. Een ander, zij het bijkomstig, argument is dat het Beaux Arts trio meer uit de stukken wil halen dan zij daadwerkelijk bevatten, wat incidenteel of tot maniërismen leidt of juist, en dat lijkt paradoxaal, de ritmische spanning wegvalt. Ook de tempi zijn niet altijd gelukkig gekozen, terwijl Haydn ook in dit opzicht op zijn woord mag worden geloofd. Een allegro moderato dient ook écht moderato te zijn (zoals in XV:34).

De uitgave van Brilliant Classics wortelt qua instrumentale bezetting althans deels in de achttiende eeuw. Bart van Oort bespeelt drie verschillende fortepiano's, alle naar een voorbeeld van Walter, eind achttiende eeuw. Over de gebruikte violen, celli en de fluit wordt helaas niets gezegd, maar zo te horen zijn het zonder uitzondering instrumenten of replica daarvan uit of rond Haydns tijd. Op een enkele uitzondering na zijn de tempi uitstekend gekozen, maar het Van Swieten Trio haalt in technisch-interpretatief opzicht toch niet het niveau van het Beaux Arts Trio, dat - het moderne instrumentarium ten spijt - een klasse apart is en mogelijk ook blijft. De verschillen spelen zich met name af rond de afwerking van frases in de snelle delen, maar ook in de instrumentale textuur van het cantabile-spel in de langzame delen. Dat de piano(forte) op de voorgrond staat is het logisch gevolg van de opzet van deze trio's. Dat is dankzij het uitstekende, vaak ook zeer beeldende spel van Bart van Oort overigens geen straf. Hij tovert een rijk scala aan kleuren uit zijn instrument en weet ook de mechanische en klanktechnische beperkingen van het instrument optimaal uit te buiten. Wat de strijkers betreft, Cohens viooltoon is ragfijner dan die van Baudet en Polman (hulde daarentegen voor het spel van de beide cellisten!). Afgezien daarvan graaft het Van Swieten Trio in de latere trio's minder diep en zijn de effecten in de menuetten minder verrassend dan bij de collegae van het Beaux Arts Trio. Waar het Van Swieten Trio soms keurig langs de lijnen musiceert, gaat het Beaux Arts Trio binnen de lijnen spiritueler te werk. Daar staat dan weer tegenover dat het Van Swieten Trio de intimiteit van deze muziek weer beter weet te treffen. Een 'winnaar' kan ik onmogelijk aanwijzen, al houd ik, alles afwegende, toch een voorkeur voor de Philips-uitgave.

Een ander aspect is de opname. Philips zorgde voor een fraaiere registratie, zowel qua balans als wat de viooltoon betreft. Bovendien biedt Brilliant Classics een nogal wisselende akoestiek (Westvest kerk in Schiedam, Maria-Minor kerk in Utrecht, Nederlands Hervormde Kerk in Rhoon, 2003-05). Bedenkt u echter wel dat u voor nog geen € 18,= 10 cd's met alle pianotrio's (inclusief een bewerking voor pianotrio) in handen krijgt, waartegen de Philips-(her-her)uitgave inmiddels, voor zover nog verkrijgbaar!, 'peperduur' afsteekt. Het cd-boekje dat Brilliant Classics erbij levert is overigens zeer lezenswaardig.

Het ensemble heeft - in tegenstelling tot het Beaux Arts Trio - de beide trio's Hob. Deest en Hob. XIV:C1 terecht niet opgenomen, omdat deze door de veel mindere muzikale kwaliteit onmogelijk aan Joseph Haydn kunnen worden toegeschreven. Een aantal bewerkingen voor pianotrio van delen uit een aantal pianosonates van Haydn zijn echter wel in deze set opgenomen. Een groot belang hoeft hieraan echter niet te worden toegeschreven.

Zijn er verder nog alternatieven? Er zijn losse opnamen genoeg van een aantal verstrooide pianotrio's. Zo verscheen op CPO enige jaren geleden een aantal door het Camera Köln, wat wel het een en ander beloofde, maar waarvan ik niet weet hoe ver het ensemble in de cyclus is gevorderd. Dat geldt overigens - zij het in mindere mate - ook voor het (eveneens Duitse) Trio 1790, eveneens op het label CPO.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links