cd & dvd-recensie

Een muzikale toverdoos

 

© Aart van der Wal, januari 2017

 

Han de Vries - The almost last recordings

cd 1 – Kamermuziek I: Mozart, Beethoven
cd 2 – Kamermuziek II: Danzi, Reich
cd 3 – Kamermuziek III: Crusell, Spohr
cd 4 – Kamermuziek IV: Loeffler, Karg-Elert, Hindemith, Seiber, Ohana, Lavista
cd 5 – Eigentijdse kamermuziek: Berio, Denisov, Van Vlijmen, Porcelijn, Doráti
cd 6 – Franse Kamermuziek I: Saint-Saëns, Ibert, Tansman, Françaix
cd 7 – Franse Kamermuziek II: Saint-Saëns, Roussel, Milhaud, Jolivet, Poulenc, Shinohara
cd 8 – Concerten I: Albinoni, Vivaldi, Bach
cd 9 – Concerten II: Albinoni, Bach, Telemann, Fasch
cd 10 – Concerten III: Mahaut, Salieri, Mozart, Anon., Ravel
cd 11 – Concerten IV: Hummel, Bellini, Rietz, Rimski-Korsakov, Breuker
cd 12 – Concerten V: Breuker, Strauss, Feldman
cd 13 – Concerten VI: Maderna, Ludewig, Takemitsu
cd 14 – Minimal & elektronische muziek: Riley, Vink/De Haas
cd 15 – Barokhobo: Vivaldi, Telemann, Quantz
cd 16 – Virtuoze Blaasmuziek | Kamermuziek voor trompet en blazers: Anoniem, Finger, Albinoni, Telemann, Molter
cd 17 – De Vries & Zoon: Opera Fantasy
cd 18 –Vroegste opnamen : Telemann, Vivaldi, De Fesch, Handel
dvd – Die ellende is een goudmijn: de levenskunst van Han de Vries (documentaire van Hans Polak, 2013)

Zie voor instrumentalisten, ensembles en orkesten onderaan deze recensie

Attacca ATT 2016148 • 21.28' • 18 cd's + dvd • 60' •

http://www.attaccaproductions.com/

 

Time flies… Het is bijna op de kop af alweer vier jaar geleden dat ik de monumentale, aan de Nederlandse hoboïst Han de Vries gewijde uitgave ‘The Radio Recordings' besprak. Negen cd's en twee dvd's, de toenmalige oogst, uitgebracht ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van deze grote instrumentalist en niet minder belangrijke pedagoog.

Gouden regel
Han de Vries bewoont een monumentaal pand in de Amsterdamse Vondelstraat dat hij traditiegetrouw tijdens Monumentendag voor het publiek openstelt. Maar voor de liefhebbers van zijn magnifieke hobospel is het eigenlijk iedere dag wel Monumentendag. Want zo kunnen zijn vastgelegde vertolkingen misschien wel het best worden samengevat: voor iedereen toegankelijke monumenten in klank, getuigend van een muzikaal imposant wijds en niet minder groots innerlijk, heel ver verwijderd van de connotatie van protserig of pronkerig. Dat innerlijk, dat is voor Han heel belangrijk. Altijd geweest. In een interview naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag kon hij het niet laten en wees hij op het overdreven expressieve karakter van de speelstijl van veel musici van deze tijd. Dat alles zo nodig moet worden uitvergroot, met extreem lange of juist snelle tempi, met crescendi die vooral fors moeten zijn. En dat musici zich op het podium meer bewegen dan vroeger en daardoor minder rust uitstralen, min of meer een uitvloeisel van de moderne tijd met zijn ‘overkill' aan invloeden. Dat er wel veel ruimte is voor chaos en herrie en maar weinig voor verstilling. Alsof de aandacht van het publiek alleen nog kan worden veroverd door dit buitensporige gedrag. Terwijl Han nu juist van zijn leraren had geleerd dat het om het innerlijk van de muziek moest gaan, niet om uiterlijk vertoon. Voor Han de Vries een 'gouden' regel die geen compromissen verdraagt. Toen niet, nu niet en nooit niet.
Triest is dan ook de teloorgang van de Nederlandse hoboschool zoals die met name dankzij de inspanningen van Jaap en Haakon Stotijn in ons land vaste grond onder de voeten kreeg, met als voornaamste uitgangspunt dat de muziek altijd boven de techniek stond. Een adagium dat tevens de geboorte inluidde van de melodieuze, open hoboklank die later door coryfeeën als Han de Vries, Werner Herbers, Jan Spronk en Pauline Oostenrijk werd omarmd.

 

De nieuwe tijd: weinig karakteristiek
Muzikaliteit boven techniek, maar ook behoud van het individuele spelkarakter, aldus Han. De voortschrijdende globalisering heeft het in een ander licht geplaatst. De typisch Nederlandse hoboklank moest wel het onderspit delven nadat de Nederlandse orkesten niet alleen steeds meer buitenlandse dirigenten, maar ook orkestleden uit het buitenland aantrokken. In de audities werd de lat weliswaar hoog gelegd, maar het oorspronkelijke pluriforme karakter van de Nederlandse orkesten maakte geleidelijk aan wel plaats voor een internationaal georiënteerd, weinig karakteristiek klankconcept. Het eigene verdween, het mondiale kwam ervoor in de plaats.
Het is een klacht die ik in het afgelopen decennium van veel musici, en dan met name van grote solisten en dirigenten uit hun eigen mond heb mogen optekenen. Dat de ‘nationale scholen', voor zover die bestonden, door de toegenomen globalisering uit het zicht zijn geraakt. Veel instrumentalisten en orkesten zonder een eigen klank, waarbij sommigen - zij het besmuikt - ook wezen op de toenemende vervlakking als gevolg van de ‘Aziatische aanwas'. Ook deze ontwikkeling wordt door menigeen gezien als een belangrijke oorzaak van het verlies van klankkleuren en speelwijzen vanuit het perspectief van de ‘couleur locale'. Dat het mondialisme uiteindelijk zou zegevieren. Bovendien lijkt de muziekscene commerciëler en dus vluchtiger te zijn geworden, terwijl de voortschrijdende digitale techniek de overeenkomsten groter en de verschillen kleiner heeft gemaakt. Het is al met al geen vrolijk stemmend beeld.

Bijzondere speelstijl
Han de Vries heeft midden in die Nederlandse hoboschool gestaan. De lijn kan rechtstreeks worden doorgetrokken van Jaap Stotijn (1891-1970), eerste hoboïst van het Residentie Orkest en hoboleraar aan het Haags conservatorium (later ook nog privéleraar) en diens vroeg overleden zoon Haakon (1915-1964), solohoboïst van het Concertgebouworkest en docent aan het Amsterdams conservatorium, naar Han de Vries (1941), eveneens eerste hoboïst bij dat orkest, zij het vrij kort, van 1963 tot 1970, toen de solocarrière lonkte en hij zich in korte tijd wist te ontwikkelen tot een van de beste hoboïsten, zowel op zijn Lorées als op de barokhobo. Gelukkig kunnen we aspecten van zijn bijzondere speelstijl ook terugvinden bij sommige hoboïsten van de huidige generatie, met misschien wel als belangrijkste representant de reeds genoemde Pauline Oostenrijk, die nog bij Han (hij was pas 22 toen hij al door het Sweelinck-conservatorium in Amsterdam werd aangetrokken als docent) heeft gestudeerd.

 

Heldere hobo met zilveren randje
Nu is er dan de ongetwijfeld laatste volumineuze box die de veelzeggende subtitel 'The almost last recordings' heeft meegekregen. In zijn warm getinte voorwoord raakt Jaap van Zweden de kern van deze indrukwekkende, zeg maar kolossale uitgave: 'het zorgvuldig samengestelde en indrukwekkende pakket opnames dat je met enige trots en grote hulp van Peter Bree samenstelde mag er zijn. Een schatkist aan herinneringen, een meesterlijke collectie van stukken, het bewijs van een rijk en gelukkig muzikantenleven, en tot slot vooral een terechte hommage, niet alleen aan jou zelf, maar voor al die dierbaren met wie je de sterren van de hemel blies'.

Jaap schreef het al, het mooie van deze tweede box is velerlei, met niet in de laatste plaats de vele plaatopnamen die allang niet meer in beeld waren, maar nu in gedigitaliseerde vorm opnieuw hun opwachting mogen maken, opgefrist en wel. Het repertoire is immens, van barok tot eigentijds, de begeleiding ‘traditioneel' of ‘authentiek', op de moderne of de barokhobo, in het kleurrijke gezelschap van uiteenlopende instrumentalisten, ensembles en orkesten, over een tijdspanne van maar liefst 33 jaar (1967-2000). Dankzij deze opnamen kunnen we onbegrensd genieten van de ‘heldere hobo met een zilveren randje' die jarenlang de hoboklank in de Nederlandse orkesten en ensembles heeft gedomineerd en die inmiddels heeft plaatsgemaakt voor een donkerder, meer internationaal georiënteerde klank. Kortom, het zijn reeds lang vervlogen tijden die dankzij deze fonkelende uitgave herleven.

Veel bewaard
Er moet veel werk zijn verzet om deze caleidoscopische verzameling in deze indrukwekkende staat aan te kunnen bieden. Of het wel of geen wonder mag heten weet ik niet, maar het moet voor de samenstellers een verademing zijn geweest dat nog zoveel kostelijk materiaal bewaard is gebleven. De Nederlandse omroepen hebben gelukkig veel bewaard en het Instituut voor Beeld en Geluid is daarbij een belangrijk hulpbron geweest. Moest er voor de box ‘The Radio Recordings' nog incidenteel worden teruggegrepen op een alleen nog beschikbaar cassettebandje, ditmaal waren het - op een enkele lp na - de ruim bemeten geluidsarchieven in Hilversum waaruit kon worden geput, een waar mer à boir. Veel publieksconcerten dus, die door Alexander Van Ingen zoveel mogelijk van storende bijgeluiden werden ontdaan alvorens ze een plaatsje mochten krijgen in deze box. We horen onopgesmukte live-opnamen, met de grote charme die daarbij past: de extra spanning, het ‘op-het-puntje-van-de-stoel' gevoel dat in reguliere studio-opnamen nogal eens ontbreekt. ‘In the heat of the moment', zo werd er toen gemusiceerd en zo is het ook bewaard gebleven. Dat de overigens geringe onregelmatigheden daar net zo onverbrekelijk bijhoren is niet alleen vanzelfsprekend, maar geven bovendien juist daardoor dat beetje extra ‘leven'.

Verleden tijd
Er is met veel verve in een wel heel ver verleden gegrasduind, want er zijn zelfs opnamen toegevoegd die nog stammen uit de periode dat Han nog voor het al lang ter ziele zijnde Iramac-label opnam. Wie weet dat nog? Ik denk zelfs dat de huidige generatie muziekstudenten niet eens weet wie Anton Kersjes was, laat staan op de hoogte zijn van het eens zo gelauwerde Amsterdams Philharmonisch Orkest of het Danzi Kwintet. Er is maar weinig zo meedogenloos als geschiedenis, die altijd maar uitdijende, onverzadigbare trechter waarin uiteindelijk ook alles van (veel) waarde of bijzondere betekenis terechtkomt. Het is verleden tijd geworden die alleen nog een oudere generatie lijkt aan te kleven.
Het grote belang van deze box wordt nog eens dubbel onderstreept door de vele belangrijke musici die erop zijn terug te vinden. Het zijn namen waarin de glans van het rijke Nederlandse muziekleven in de tweede helft van de vorige eeuw krachtig wordt weerspiegeld. Wie het heeft meegemaakt zal bij het zien van de vele namen mogelijk worden teruggeworpen in de tijd en het feest der herkenning beleven.

 

Musicus of schilder?
Han de Vries (Den Haag, 1941), een energieke en kunstzinnige man, heeft in ons land muziekgeschiedenis geschreven. Hij is een van die kunstenaars die in meerdere disciplines van een groot talent getuigen. Het muzikale talent zal hij ongetwijfeld van zijn moeder, een zangeres, hebben meegekregen, het tekentalent van zijn vader, een architect. Misschien was de uiteindelijke keuze best een lastige, want al op zijn zesde speelde Han niet alleen voortreffelijk blokfluit, maar bleken ook zijn vele tekeningen van hoog gehalte. Wat zou het uiteindelijk (moeten) worden? Musicus of schilder? Op zijn veertiende schreef hij zich in bij de Academie van Beeldende Kunsten in zijn geboorteplaats, maar werd hij ook als leerling aangenomen van de beroemde hoboïst Jaap Stotijn, docent aan het Haags conservatorium. Let wel, je moest echt wel wat in je muzikale mars hebben om bij Stotijn te mogen studeren. Na het overlijden van Jaap Stotijn studeerde Han verder bij diens zoon Haakon. Het werden beroepsmatig dus geen penselen en potloden, maar het werd de hobo. Na de dood van Haakon in 1964 nam Han diens positie over als eerste hoboïst van het (toen nog niet Koninklijk) Concertgebouworkest. Hij zou er zeven jaar blijven, om vervolgens aan een solocarrière te beginnen, naast zijn plek in het Nederlands Kamerorkest. Hij was een van de oprichters van het Nederlands Blazersensemble, speelde er in de periode 1960-1970 en was verbonden aan het Danzi Kwintet. Niet alleen door zijn betrokkenheid bij het Danzi, maar ook aangemoedigd door de fluitisten Frans Brüggen en Frans Vester, begon Han zich als een van de eersten in ons land voor het spelen op de barokhobo te interesseren. Zowel de klassieke als de barokhobo zou een belangrijke rol in zijn muzikale leven blijven spelen. Ook daarvan legt deze prachtige box getuigenis af. Han mag zich de trotse bezitter noemen van een grote verzameling barok- en klassieke hobo's.

De sublieme hobokunst van Han de Vries liet ook componisten niet onberoerd. We hebben het zeker aan hem te danken dat toondichters als Bruno Maderna, Peter Schat, Louis Andriessen, Willem Breuker en Morton Feldman muziek voor hem schreven. Ook als docent heeft Han naam gemaakt, onder meer als docent aan het Amsterdams conservatorium, waar hij zijn studenten het heldere, melodieuze hobospel 'met een zilveren randje' bijbracht. Daarnaast gaf hij veel masterclasses en trad hij als solist op in Europa, Noord- en Zuid-Amerika, Japan en Australië. Repertoirebeperkingen kende hij niet: Han was evengoed thuis in de barok-, de klassieke, romantische en de eigentijdse muziek. Ook daarvan vormt deze box het overtuigende bewijs. De fraaie documentaire van Hans Polak bevestigt het beeld van een begenadigd musicus. Haast u, het is een 'limited edition'!

 


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links