CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2017

 

Van Gilse: Eine Lebensmesse (1904)

Heidi Melton (sopraan), Gerhild Romberger (alt), Roman Sadnik (tenor), Vladimir Baykov (bas) Groot Omroepkoor, Nationaal Vrouwen Jeugdkoor, Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Markus Stenz

CPO 777.924-2 • 55' •

Live-opname: 31 mei 2013, Vredenburg, Leidsche Rijn, Utrecht

https://www.youtube.com/watch

   

 
 
Jan van Gilse

Op 31 mei 2013 was er, wat de Nederlandse muziek betreft, een groot moment: de uitvoering van de monumentale ‘Lebensmesse' van de Nederlandse componist Jan Pieter Hendrk van Gilse (1881-1944). Dat het evenement in het kader van de ‘Vrijdag van Vredenburg' toen plaatsvond in de akoestisch nogal hopeloze ‘Rode Doos' van het Utrechtse Vredenburg, een interim locatie in het nogal gure Leidsche Rijn complex, deed aan het belang ervan niets af. Er kwam nogal wat aan te pas: vier vocale solisten, het Radio Filharmonisch Orkest, het Groot Omroepkoor en het Nationaal Jeugdkoor. Naast groot bezet symfonieorkest moest een dubbelkoor van maar liefst 150 zangers de laatromantische extase naar spirituele hoogten voeren. ‘Das Lied von der Erde', niet in de visie van Gustav Mahler maar in die van Van Gilse. De toen pas 23-jarige componist (het oratorium dateert uit 1904) zal ongetwijfeld met groot ontzag en zeker niet zonder creatieve inspiratie naar met name Max Reger hebben gekeken. In idiomatisch opzicht zonder enige twijfel ook naar Richard Strauss, al heeft deze Duitse laatromanticus vreemd genoeg geen oratorium op zijn naam gezet. Wel de Engelse componist Frederick Delius die in 1905 zijn 'Mass of Life' componeerde op teksten van Friedrich Nietzsche, evenals Van Gilse's 'Lebensmesse' gezet voor vier vocale solisten, dubbelkoor en groot symfonieorkest. Het was afgezien van zijn opera's Delius' grootste werk.

Onophoudelijke kritiek
Dat Van Gilse's ‘Lebensmesse' (het is in ieder denkbaar opzicht de tegenhanger van de 'Totenmesse') in Utrecht werd uitgevoerd kan toeval zijn, maar een feit is wel dat Van Gilse juist in Utrecht baanbrekend werk heeft verricht. Niet alleen bracht hij in de jaren twintig de nogal wankele status van het Utrechts Stedelijk Orkest naar een aanmerkelijk hoger niveau, maar hij was ook de drijvende kracht achter het plaatselijk conservatorium en de stedelijke muziekschool. Dat hij veel nieuwe muziek op zijn programma's zette deerde het publiek niet. Integendeel, hij werd voortdurend gelauwerd en bejubeld, het publiek droeg hem zelfs op handen.

 
 
Willem Pijper

Dat positieve beeld had echter een uiterst gevoelige keerzijde: de onophoudelijke aanvallen die de componist en muziekcriticus Willem Pijper (1894-1947) voor Van Gilse in petto had. Het stopte maar niet, het ene na het andere vileine artikel van Pijpers hand verscheen in het Utrechts Dagblad. De dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest kreeg het zwaar te verduren. Alsof Pijper via de krant een persoonlijke vete met Van Gilse wilde uitvechten. Van Gilse had geen enkel goed woord over voor hetgeen Pijper maand in maand uit over hem uitstortte. Van Gilse's kwalificaties logen er niet om: 'ophitsend, vals, leugenachtig'. “Ik vermoord hem!” moet Van Gilse thuis luidkeels geroepen hebben. Het was toch wel meer dan slechts een merkwaardige bijkomstigheid dat in de drie andere stedelijke kranten wel degelijk over Van Gilse de loftrompet werd gestoken. Daarin viel de grote waardering te lezen voor zijn programmakeuzes en zijn onvermoeibare pogingen om het orkest naar een hoger niveau op te stuwen. Toch was de invloed van het hem vijandig gezinde Utrechts Dagblad groot: het werd vooral gelezen door Utrechts beter gesitueerden en dat was uitgerekend de categorie die veel invloed had op het wel en weer van het culturele leven in de stad; en niet in de laatste plaats op wat er gebeurde in de concertzaal van Tivoli. Hans van Dijk wijdde in 1980 een proefschrift annex biografie aan de ‘strijder en idealist' Jan van Gilse. Zijn oordeel over de door Pijper in gang gezette controverse was snoeihard: ‘ Pijper ontketende zijn campagne tegen Van Gilse niet omdat hij streed voor een hoger doel zoals de juiste plaats die de Nederlandse en Franse moderne muziek in het Nederlandse muziekleven zou moeten innemen, maar uit persoonlijke haat en rancune'.

Verzet
Het kwam niet meer goed: Van Gilse, de kritiek meer dan zat, gaf in 1921 in Utrecht de pijp aan Maarten. Dit doet misschien vermoeden dat Van Gilse geen echte vechter was, maar de werkelijkheid was een andere. Niet alleen ging hij op andere fronten onverdroten door, maar twintig jaar later toonde hij pas goed wat voor een vechter hij was. Toen zag hij zich geconfronteerd met de door de Duitse bezetter ingevoerde maatregelen tegen de joodse bevolking, waaronder uiteraard ook joodse componisten en musici. De invoering van de jodenster en het verbod voor joden om concerten te bezoeken waren voor Van Gilse de laatste druppel.

 
 
Grafmonument

Hij raakte, evenals zijn beide zoons, actief betrokken bij het ondergrondse verzet. Op de hielen gezeten door de bezetter moest hij samen met zijn vrouw vanaf 1942 op verschillende plaatsen onderduiken. In 1944 vond hij een laatste toevluchtsoord bij de componist Rudolf Escher. Van Gilse was toen een gebroken man. In 1943 was zijn jongste zoon Maarten door een vuurpeloton ter dood gebracht en in 1944 werd zijn oudste zoon Janrik (hij leidde de verzetsgroep 'De Mil') tijdens een overval dodelijk getroffen. In datzelfde jaar moest Van Gilse wegens kanker onder een valse naam worden opgenomen in het ziekenhuis. Hij overleed op 8 september 1944 en werd drie dagen later in Oegstgeest begraven als Dudok van Heel. Op zijn sterfbed had hij nog naar zijn opera Thijl verwezen, opgedragen aan de ‘strijders voor recht en vrijheid': ‘en aan mijn jongens die voor dit recht hun leven lieten'. Mari Andriessen vervaardigde na de oorlog een passend grafmonument in de vorm van een gewonde strijder die wel zijn zwaard laat vallen maar fier de lier omhoog houdt. Het lijkt een niet te missen symboliek: dat de muziek van Van Gilse onoverwinnelijk is. Hoewel… Het duurde maar liefst tot 1980 alvorens Thijl in zijn geheel weer werd uitgevoerd. Dirigent Anton Kersjes had er met zijn Amsterdams Philharmonisch Orkest werkelijk hemel en aarde moeten bewegen om voor elkaar te krijgen dat de opera tijdens het Holland Festival 1980 op de planken werd gebracht. Daar is het helaas bij gebleven: De Nationale Opera heeft het sindsdien volkomen laten afweten.

Treurige toestand
Een van de zeer weinige dirigenten die veel voor de muziek van Van Gilse heeft betekend en dat ongetwijfeld zal blijven doen is David Porcelijn. Zijn inzet geldt – het spreekt bijna als vanzelf – tevens de Nederlanse muziek in het algemeen. In een interview dat Niek Nelissen met hem had doet hij een groot aantal opmerkelijke uitspraken, waarvan ik er enige voor u heb uitgelicht.

Over Jan van Gilse:
'Jan van Gilse is de belangrijkste Nederlandse laatromantische componist. Hij was Duits georiënteerd, maar liet een eigen geluid horen. Nederlandse componisten waren destijds sterk op Frankrijk gericht. Misschien viel hij er daardoor enigszins buiten. Zijn opera Thijl is de beste en belangrijkste traditionele Nederlandse opera. De Derde symfonie is een werk met veel drama en Schwung. Alleen al dat lange Scherzo dat vroeger ook los werd uitgevoerd. De Tweede heeft trouwens ook een prachtig Scherzo. Onbegrijpelijk dat die muziek in de vergetelheid is geraakt.'

Over het programmeren van Nederlandse muziek:
‘[…] Programmeurs zijn bang dat er geen publiek voor is en orkestmusici vinden dat ze te hard moeten werken. Er was een grote traditie op dit punt, met Eduard Flipse in Rotterdam, Willem van Otterloo in Den Haag, Bernard Haitink in Amsterdam en ook bij de regionale orkesten. Daar is niets meer van over.'

Over het gebrek aan belangstelling:
'Van dirigenten valt weinig te verwachten. Buitenlanders komen er niet op en worden ook niet op ideeën gebracht. Als ze al een symfonie van Matthijs Vermeulen doorbladeren denken ze: "Waanzinnig moeilijk, kost te veel repetitietijd." Dat vraagt niemand zich dat af bij de Missa Glagolskaja van Janácek, die even moeilijk is. Programmeurs zijn niet geïnteresseerd of hebben geen binding met onze muziekcultuur. Van orkestmusici hoef je niets te verwachten. Kwalitatief is het prima wat ze doen, maar ze beseffen niet dat ze aan hun culturele bankroet werken. Amsterdam heeft een mooie pianoserie van Marco Riaskoff, maar ook daar hoor je geen Nederlandse muziek. Waarom gaan de sonatines van Pijper daar niet? Prachtige muziek, waar zowel de pianisten als het publiek enthousiast over zullen zijn. Het is toch raar dat niemand daar zelfs maar aan denkt. Onze muziekcultuur is aan het wegzakken!'

Over tien Nederlandse composities die tot het vaste repertoire zouden moeten behoren:
'Om te provoceren komt de Zuiderzee -symfonie van Cornelis Dopper bovenaan, een goed stuk dat vaak is uitgevoerd, maar dat je nooit meer hoort. Op de tweede plaats, van een andere orde, de Musique pour l'esprit en deuil van Rudolf Escher, geniale muziek. Dan De Hemel van Peter Schat. Op de vierde plaats de Derde symfonie van Van Gilse. Daarna een symfonie van Badings, de Derde of de Vijfde. Dan een van de symfonieën van Otto Ketting, die schitterende Derde of zijn laatste, de Zesde. Van Louis Andriessen de opera Rosa . Van vader Hendrik Andriessen de Derde symfonie. Diepenbrock hoort erbij met de ouverture De Vogels. Op de tiende plaats tenslotte de Eerste symfonie van Matthijs Vermeulen, een fantastisch werk!'

 
 
Richard Dehmel

Dehmel
Van Gilse's ‘Lebensmesse' is gestoeld op een tekst van Richard Dehmel (1863-1920). Dehmels poëze, die voor een belangrijk deel gewijd is aan de erotiek, heeft veel componisten geïnspireerd, waaronder de reeds genoemde Max Reger en Richard Strauss, maar ook Alexander von Zemlinsky, Anton Webern, Kurt Weill en Arnold Schönberg. Van Gilse had al eerder, in 1902, gedichten van Dehmel op muziek gezet, getuige de Drie liederen voor hoge zangstem met pianobegeleiding. En dat terwijl Dehmel een van de vele intellectuelen was die het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog van harte hadden toegejuicht en daarmee voor ‘Das Reich' een glorieuze toekomst zagen weggelegd. De intussen al 51-jarige Dehmel meldde zich in 1914 zelfs als vrijwilliger bij het Duitse leger, maar zijn inzet was van korte duur. Het jaar daarop raakte hij dusdanig gewond dat hij zijn soldatenrol moest opgeven. Wat hem er niet van weerhield om zich met hart en ziel in te zetten voor voortzetting van de oorlog. In 1904 was die oorlog echter nog ver weg. Van Gilse kon toen wat dit betreft nog onbekommerd componeren.

Magnifiek
‘Eine Lebensmesse' is nu voor het eerst op cd gezet. De uitvoering in 2013 volgt vrijwel een eeuw na de première in 1912 tijdens het Nederlands Muziek Festival. Het maakte toen al grote indruk op zowel het publiek als op collega-componisten (onder anderen Daniel de Lange) en musici. De schitterende uitvoering onder leiding van Markus Stenz kan dat alleen maar bevestigen. De bijdragen van zowel de vier solisten, de koren als het orkest staan op het hoogst denkbare niveau, er wordt met veel esprit gezongen en gemusiceerd. Hoe fenomenaal Van Gilse's instrumentatiekunst toen al was blijkt alleen al uit de langzame inleiding die aan de twee vocale delen voorafgaat. Het is een wonderwerk dat zich van een enigszins gezwollen muzikale taal bedient en op dit punt zeker verwantschap vertoont met de koorfantasie 'Das dunkle Reich' van Hans Pfitzner (1869-1949), die overigens veel later, in 1930 ontstond. De onberekenbare akoestiek van de 'Rode Doos' in aanmerking genomen is de opname uitstekend geslaagd.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links