CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2020

Rhapsody in Navy Blue

Melillo: A Sending
Bennett: Suite of Old American Dances
Barber: Commando March
Copland: Variations on a Shaker Melody - Fanfare for the Common Man - Enblems
Corigliano: Gazebo Dances for Band
Ives: Omega Lambda Chi
Gershwin: Rhapsody in Blue*

George Gershwin (piano) en Jan Bouman (pianola)*, Marinierskapel der Koninklijke Marine o.l.v. majoor Arjan Tien
Channel Classics CCS 42920 • 81' • Opname: februari 2020, MCO, Studio 1, Hilversum

Vanaf 9 oktober a.s. is dit album beschikbaar.

Kijk hier naar The making of...

 

Gershwin schreef zijn Rhapsody in Blue in opdracht van Paul Whiteman, de zelfbenoemde ‘King of Jazz'. Een bijnaam met een enigszins rafelig randje, want de jazz van Whiteman was van een geheel andere signatuur dan wat in die tijd maar ook nu nog daaronder wordt verstaan. Hoe hoog de uitvoeringskwaliteit in die tijd ook was (de historische opnamen bewijzen het): de jazz van Whiteman en zijn band had een uitgesproken commercieel karakter, met de nadruk lag op op dansmuziek en pseudo-klassiek.

Goed betaald
Whiteman had, door de ervaring wijs geworden, een uitstekend oor voor klankkwaliteit. Geen wonder dus musici van naam in zijn orkest waren opgenomen, waaronder Red Nichols, Frankie Trumbauer, Eddie Lang, Joe Venuti en Tommy Dorsey. Ze stonden in de wereld van de jazz en de amusementsmuziek hoog aangeschreven. Geen wonder dus dat ze door Whiteman goed werden betaald en dat hun virtuoze, maar ook uiterlijke manier van musiceren sterk bijdroeg aan de populariteit van Whitemans big band.

Geen windeieren
Whiteman was klassiek opgeleid: hij was begonnen als altviolist bij de symfonieorkesten van Denver (zijn geboortestad) en San Francisco. In de periode 1914-1918 deed hij bovendien veel ervaring op als dirigent van een band van de Amerikaanse marine (zo ongeveer zoals majoor Arjan Tien de dirigent is van de Marinierskapel). Dat laatste zal hem zeker hebben gestimuleerd om zich na de oorlog op de muziek voor bigband toe te leggen, een beslissing die hem bepaald geen windeieren heeft gelegd, want de amusementsmuziek nam in die jaren een grote vlucht, het wemelde van de meest uiteenlopende orkesten, orkestjes en ensembles en daarin speelde Whitemans big band een belangrijke rol. Wat zich ook uitte in de platenverkoop: sommige platen hadden zelfs een oplage van rond een miljoen stuks.

Opdrachtwerk
Whiteman had dus een goed gevulde portemonnee en daar hadden niet alleen de musici, maar ook de componisten veel profijt van. Dus ook Gershwin met zijn Rhapsody in blue voor piano en jazzband, een opdrachtwerk van Whiteman en tevens het belangrijkste stuk dat in 1924 van zijn schrijftafel kwam. En omdat Whiteman een sterke band had met zowel de jazz (wat er althans voor doorging) en het semi-klassieke repertoire straalt Gershwins nogal hybride compostie dat ook uit.

 
 

Ferde Grofé

Grofé komt in beeld
De inkt was nog maar nauwelijks droog toen Gershwin de partituur al doorschoof naar Ferde Grofé, de gevierde pianist en arrangeur in de band van Whiteman en die later zou uitgroeien tot een van Amerika's belangrijke componisten.

Dat er verder aan zou sleutelen zal ongetwijfeld van tevoren zo zijn afgesproken, want Gershwin wist maar al te goed zijn beperkingen als orkestrator, terwijl Grofé er zijn hand niet voor omdraaide.

Première
Op 4 februari had Grofé de klus geklaard, de Rhapsody geschikt gemaakt voor de uitgebreide band van Whiteman. Zo kon het stuk op 12 februari in New York City in première gaan: Whiteman dirigeerde zijn Palais Royal Orchestra en Gershwin trad op als solist in zijn eigen pianoconcert. Onder het publiek bevonden zich coryfeën als Walter Damrosch (de chef van het New York Philharmonic), Sergei Rachmaninov, Igor Stravinsky, Fritz Kreisler en John Philip Sousa.

Hoe het werk tijdens de première precies heeft geklonken weten we niet, want er is geen opname van gemaakt. Wel weten we dat Whitemans zijn toch al uit de kluiten gewassen band met extra strijkers had versterkt en dat de pianopartij ten tijde van de eerste uitvoering nog niet eens compleet was uitgeschreven. Op een pagina stond zelfs geen enkele noot en was er slechts op neergekrabbeld: ‘Wait for nod' (‘Wacht op het knikje', ongetwijfeld dat van Gershwin, bedoeld als aanwijzing voor Whiteman om de draad van de orkestpartij weer op te pakken). Pas ná de uitvoering zette hij zich aan het volledig uitschrijven van de pianopartij. Zo vreemd was die praktijk overigens niet: zo deed Beethoven soms precies hetzelfde.

Orkestbezetting
Hoe zag het orkest van Whiteman er begin 1924 uit? De bezetting was bepaald niet misselijk met fluit, hobo, drie klarinetten, altklarinet, basklarinet, heckelphone, sopranino sax, sopraansax, altsax, tenorsax, baritonsax, twee hoorns, twee trompetten, twee flugelhorns, euphonium, drie trombones, tuba, drumstel, pauken, twee piano's, celesta, accordeon, banjo en strijkers. Bovendien: meerdere orkestleden, met name die in de houtblazerssectie, bespeelden twee of meer instrumenten.

Paul Whiteman met zijn band in februari 1929 in het New Amsterdam Theater, New York

Dat beroemde glissando...
Het glissando waarmee de klarinet het werk opent staat op het conto van Ross Gorman, Whitemans ‘rietvirtuoos', die gewoonlijk zo'n tien of zelfs meer saxofoons rondom hem op het podium had verzameld en die tijdens het concert ook daadwerkelijk bespeelde. Tijdens een repetitie had hij in een vrolijke bui dat glissando als ‘uitglijder' zelf spontaan bedacht. De componist vond het dusdanig geslaagd dat hij Gorman vroeg om het ook precies zo tijdens de première te spelen; en dan vooral zo ‘hartbrekend' mogelijk.

Ross Gorman op het podium met zijn verzameling saxen

‘Leeg passagewerk'
Het publieke succes van de Rhapsody bleek ook uit het aantal verkochte grammofoonplaten: eind 1927 waren er al één miljoen exemplaren over de toonbank gegaan. De kritieken na de eerste uitvoering waren wel verdeeld, met twee uitschieters: Pitts Sanborn wees nogal onbarmhartig op het ‘lege passagewerk' en de ‘zinloze herhalingen' en in 1955, 31 jaar later, sloeg Leonard Bernstein zo ongeveer de spijker op de kop in een artikel in The Atlantic Monthly:

'Rhapsody in Blue  is not a real composition in the sense that whatever happens in it must seem inevitable, or even pretty inevitable. You can cut out parts of it without affecting the whole in any way except to make it shorter. You can remove any of these stuck-together sections and the piece still goes on as bravely as before. You can even interchange these sections with one another and no harm done. You can make cuts within a section, or add new cadenzas, or play it with any combination of instruments or on the piano alone; it can be a five-minute piece or a six-minute piece or a twelve-minute piece. And in fact all these things are being done to it every day. It's still the  Rhapsody in Blue'.

Lijmen
Wie er kritisch naar luistert merkt ook dat Gershwin weinig besef had van wat in de klassieke literatuur onder vormleer wordt verstaan. Hij lijmde als het ware melodische en harmonische invallen aan elkaar zonder zich al te zeer om de architectuur van het gehele bouwwerk te bekommeren. Zoals ook niemand zich leek te bekommeren om de forse coupures die de componist maar ook anderen zich in die tijd permitteerden.

Meer arrangementen
Grofé heeft het niet bij die ene bewerking uit 1924 gelaten, die als het ware op het lijf van de toenmalige band was geschreven. Twee jaar na de première nam hij de bewerkingspen weer op en hij deed dat opnieuw in 1942, met in beide gevallen als belangrijkste aanpassing de (aanmerkelijk) grotere en nog meer gediversifieerde orkestbezetting. Het is de versie uit 1942 die vrijwel overal ter wereld nog steeds het meest wordt gespeeld.

Er bestaan overigens nog meer versies van Grofé's hand, terwijl Gershwin zelf versies maakte voor piano solo en de reeds genoemde versie voor twee piano's. Wat die soloversie betreft komt die overeen met wat Bernstein eerder opmerkte, want de door Gershwin aangebrachte coupures hebben niet of nauwelijks invloed op het muzikale gehalte van het stuk.

 
 

Een pianorol

Michael Tilson Thomas komt de eer toe dat hij in 1976 voor het Amerikaanse CBS de eerste lp-opname maakte van de oorspronkelijke versie met de Columbia Jazz Band en met … Gershwin aan de piano, die natuurlijk al lang geleden was overleden maar wiens pianospel (in dit geval zijn versie voor twee piano's) dankzij een overgeleverde pianorol uit 1925 in ingedubde vorm opnieuw tot leven kon worden gewekt.

Mogelijk achtte Gershwin zich ruim een decennium na de première wel in staat om Rhapsody in Blue alsnog in zijn geheel te orkestreren (voor piano solo en symfonieorkest). Dat blijkt tenminste uit de overgeleverde briefwisseling tussen de componist en de muziekuitgeverij Harms. Het is er evenwel niet meer van gekomen: hij overleed op 11 juli 1937 in het Cedars-Sinai Medical Center in Los Angeles.

Twee opnamen
Er bestaan slechts twee opnamen met Gershwin aan de piano en met orkestbegeleiding, beide helaas stevig ingekort (met een speelduur van slechts negen minuten komt dit neer op ongeveer iets minder dan de helft van het complete werk). De eerste met het orkest van Whiteman ontstond vier maanden na de première, op 10 juni 1924. De tweede dateert van 21 april 1927, weliswaar met hetzelfde orkest, maar als gevolg van een stevig meningsverschil tussen Gershwin en Whiteman voor deze gelegenheid niet door Whiteman gedirigeerd maar door Nathaniel Shilkret.

George Gershwin

De derde opname
Er is nog een derde opname van Gershwin overgeleverd: de reeds vermelde pianorol. Het betreft de uitvoering voor twee piano's uit 1925, waarin de componist zelf de solopartij voor zijn rekening nam en een andere pianist de begeleiding. Om deze zeker bijzondere registratie te gebruiken voor een nieuwe opname met jazzband of orkest (dus met Gershwin postuum als pianist) moest echter eerst de begeleiding worden 'verwijderd'. Dat gebeurde voor de eerste maal in de reeds aangehaalde CBS-opname die in 1976 op de markt verscheen. Het moet toen een bijzonder lastige klus zijn geweest: het afplakken van die duizenden gaatjes in de pianorol.

Dat lot trof ook Jan Bouman, tot zijn pensionering als hoornist verbonden aan het Nederlands Philharmonisch Orkest en daarna verslingerd geraakt aan de pianola, de zelf spelende, puur mechanische piano, waarover straks meer.

Pianola's en rollen in overvloed
Er is voor dit zo bijzondere instrument zelfs een apart museum opgericht: sinds 1994 bestaat in Amsterdam het Pianola Museum dat het overigens nog vrij onlangs bijzonder moeilijk kreeg door gedoe over huisvesting (door een niet bepaald meewerkende gemeente Amsterdam) en – het is een steeds weer terugkerend thema in ons culturele landschap – de subsidiëring. Het fraaie pand aan de Westerstraat 106 herbergt naast een groot aantal pianola's in allerlei formaten en uitmonsteringen maar liefst 12.000 muziekrollen: een collectie om echt trots op te zijn en die niet in zijn geheel werkloos te laten verstoffen. Het is de nijvere en ter zake kundige Bouman die uit de verzameling selecteert en veel tijd en moeite investeert om het materiaal gereed te maken voor uitgifte op cd. Een geweldig initiatief waardoor een fascinerende historie binnen ieders hand- en vooral gehoorbereik komt. Een historie overigens van nog ruim vóór de komst van de schellakplaat. Van Grieg tot Gershwin, van Mahler tot Rachmaninov, ze staan er allemaal op, niet als componist maar als uitvoerend musicus. Op site www.pianola.nl kunt u er veel meer over lezen.

Ingenieus systeem
Gershwin speelde Rhapsody in Blue dus in op een pianola, in dit geval nog van het (vroege) voorzettype: de met vilt beklede hefboompjes fungeren als het ware als de vingers van de pianist. Dat is een ander type dan de pianola die in deze nieuwe opname werd gebruikt: de beter toegeruste Aeolian pianola.

Het zijn de in de muziekrol gemaakte gaatjes die heftboompjes in beweging zet, zoals we dat zo ongeveer ook kennen van die dikke boeken die het bekende pierement doen opleven. De beweging zelf geschiedt met behulp van balgjes die vanuit een luchtreservoir worden geactiveerd. Met de voeten zorgt de pianolist (hij moet de mechanische piano bedienen) voor de gewenste onder- of bovendruk en daarmee voor de luidheid van de muziekweergave. De voorloper van de hedendaagse volumeregelaar... Van de bedreven pianolist wordt voorts verwacht dat hij de aanslagsterkte (het toucher) net zo goed beheerst als een ‘echte' pianist. Dat is des te belangrijker omdat de meeste muziekrollen letterlijk strak-in-de-maat zijn gemaakt, zonder tempogradaties, fraseringen, versnellingen of vertragingen, gewoon recht toe recht aan. Met de tempohandel, een met het rechterpedaal verbonden stang, kan de pianolist het tempo naar believen aanpassen. In deze video, The making of... wordt het nog eens helder uitgelegd.

De pianolist als smaakmaker
Dit maakt dus tevens duidelijk dat we met alle egards voor de overgeleverde muziekrol we dan nog steeds niet precies weten hoe de oorspronkelijke uitvoering is geweest. Immers, we hebben tevens te maken met de bepaald niet onbelangrijke rol van de pianolist. Hij fungeert in dit nogal complexe speelveld als de uiteindelijke smaakmaker. In het begeleidende boekje wordt dan ook terecht opgemerkt dat ‘het instrument aan de pianolist de verplichting oplegt om alle aandacht te schenken aan een muzikaal verantwoorde interpretatie'. U begrijpt dus gelijk waar de eigenlijke schoen wringt: bij de subjectieve ‘invulling' door de pianolist en niet bij de ‘dode letter' van de rol.

Wat dit niet alleen ingewikkelde, maar zelfs virtuoos te noemen proces ook duidelijk maakt is dat de ene cd met daarin dezelfde pianorol in het ene geval anders klinkt dan in het andere. Of anders gezegd: de ene pianolist is de andere niet. Die conclusie kunt u gemakkelijk zelf trekken als u de uitvoering op dit nieuwe album vergelijkt met die op de reeds aangehaalde CBS-opname uit 1976 (die u overigens ook op o.a. Spotify vindt, gedigitaliseerd en wel).

Grillig
Er zijn in Gershwins pianopartij een aantal interessante elementen aan te wijzen. Het feest – want dat is het ten slotte toch – begint met nogal merkwaardige, zo niet grillige tempowisselingen (ze staan niet in de partituur aangegeven), terwijl ook de nogal eigenzinnige omgang met de dynamiek opvalt. Dat geldt ook voor de wel erg soepel uitgevallen frases die het voor het begeleidend ensemble bijzonder lastig (kunnen) maken. Ook is de ritmiek, misschien anders dan gedacht, soms aan de slappe kant en is de articulatie niet op orde, maar daardoor dan wel weer uitgesproken jazzy. Slordigheid is in tegenstelling tot het aandeel van het orkest in dit pianospel veelal troef. Maar een feest is het om Gershwin (en misschien ook wel de pianolist...) zo te horen.

Nederlandse première
Het zal geen helletocht zijn geweest, maar wel de nodige inspanning hebben gekost: de samenwerking tussen de Marinierskapel en pianolist Jan Bouman. Het moest allemaal wel op minder dan een seconde nauwkeurig. Het eerste resultaat was te horen op 26 januari jongstleden in het Amsterdamse Concertgebouw. Het was een heuse Nederlandse première, want er was nog niet eerder een uitvoering van de Rhapsody in deze bijzondere uitmonstering.

Hoe zit het precies?
Volgens de toelichting klinkt de Rhapsody op dit album in de premièreversie van 1924, met twee klarinetten, hobo, drie saxofoons, twee hoorns, twee trompetten, twee trombones, tuba, slagwerk, banjo, vier violen en contrabas (de basklarinet tweede [orkest]piano ontbreken in deze opsomming maar zijn in de opname wel present), maar dat lijkt me niet in overeenstemming met wat ik weet van de oorspronkelijke bezetting van Whitemans big band. Dat orkest was in die tijd aanmerkelijk groter en uitgebreider, terwijl Grofé als arrangeur er juist om bekend stond dat hij de mogelijkheden van een dergelijk uitgebreid ensemble optimaal wist te benutten. Ik ben dus benieuwd op grond waarvan Arjan Tien voor deze (mogelijk) afwijkende bezetting heeft gekozen. Misschien weet hij meer dan ik? Zie naschrift aan het einde van dit artikel.

De Marinierskapel in de Rotterdamse Doelen

75 jaar jong
De uitsluitend uit professionele musici bestaande Marinierskapel heeft door de jaren heen niet alleen met de typisch militaire muziek veel ervaring opgedaan maar wist de weg ook uitstekend te vinden in die typisch Amerikaanse amusementsmuziek die bij een matige aanpak al snel verzandt in dat zo vermoeiende geschetter. Maar niet bij de 'Kapel', waarvan het spel wordt gedomineerd door zowel de onmiskenbare swing en schwung als grote precisie, een beeld dat we ook herkennen van het Metropole Orkest.dat evenals de Marinierskapel dit jaar 75 jaar bestaat.

De officiële oprichting van de Marinierskapel der Koninklijke Marine was op 1 augustus 1945, maar al in 1799 voeren er muzikanten mee aan boord van de marineschepen. Tijdens de vaak lange zeereizen zorgden zij voor het zo noodzakelijke vermaak aan boord. Dat leidde in 1864 onder het bewind van koning Willem III tot de oprichting van de Stafmuziek van de Koninklijke Marine. Tot het begin van de Tweede Wereldoorlog bleef de Stafmuziek actief.

Verschillende ensembles
Na de bevrijding weer begonnen als typisch militaire kapel ontwikkelden zich in de loop der jaren daaruit verschillende ensembles: een koperkwintet, een dansorkest en een combo, waarbij uitsluitend professionele musici de toon aangeven. Ze hebben allen weliswaar een militaire rang, maar zijn niet in actieve krijgsdienst.

Onderste steen boven
Ik ben, het is alweer lang geleden, aanwezig geweest bij een aantal repetities van de Marinierskapel, toen onder leiding van majoor Gert Buitenhuis en zelf kunnen ervaren dat de onderste steen echt boven moest komen. Maar ook later, in een uit ijzer opgetrokken loods in Rotterdam stond ik versteld van de kwaliteiten van dit orkest, toen in een bepaald niet gemakkelijk werk dat heel ver afstond van wat gemakshalve we met 'amusementsmuziek' aanmrken: Louis Andriessens Workers Union, een behoorlijk pittig stuk waarin bovendien deels het toeval, de aleatoriek, regeert. Ditmaal onder leiding van een andere dirigent stond ik opnieuw versteld van het technische gemak en de grote precisie die van dit spel afstraalden. Vrijheid in de muziek moet wel eerst worden verdiend.

Fascinerende smeltkroes
In deze recensie ging veel aandacht uit naar Gershwins Rhapsody in Blue, maar op deze cd valt van nog meer te genieten. Muziek die haar oorsprong vindt in een samenleving waarin door de eeuwen heen veel culturen en stijlen zijn samengekomen. Uit die fascinerende smeltkroes kon ook de kunstmuziek van - in alfabetische volgorde - Barber, Bennett, Bernstein, Copland, Corigliano, Gershwin, Grofé, Ives, Sousa, Schuman en zoveel anderen ontstaan. Muziek die is ingebed in een folklore uit alle vier windrichtingen en uit een niet eens zo ver verleden. Muziek ook die dankzij de Marinierskapel brisant leven wordt ingeblazen en waarbij - gelukkig! - de maatstreep vaak niet meer dan denkbeeldig lijkt te zijn. Er wordt letterlijk over de muzikale én topografische grenzen heen gemusiceerd en dan ook nog met werkelijk internationale allure in de MCO-studio in Hilversum vastgelegd. Wat mij betreft mag de serie van de 'Marine Band of the Royal Netherlands Navy' met evenveel aplomb worden voortgezet. En dan te bedenken dat Channel Classics met deze serie 'Originals' al eerder geschiedenis heeft geschreven (u vindt recensies daarvan op onze site).

Geen vrolijke noot tot besluit
Het Nederlandse label Channel Classics is gevestigd in een statig pand in Herwijnen aan de dijk die zich als een lint door het Betuwse landschap kronkelt. De dorpelingen maken zich echter grote zorgen over straling en over het aantal ALS-gevallen dat ver boven het landelijk gemiddelde ligt. De mogelijke oorzaak: straling die wordt veroorzaakt door de KNMI-toren in de directe omgeving. En dan wil Defensie uitgerekend in de directe omgeving van het dorp ook nog een nieuwe radarinstallatie met een bereik van maar liefst 2000km plaatsen. Een installatie die ongetwijfeld extra straling met zich mee zal brengen, met mogelijk extra gevaar voor de volksgezondheid. Ik duim voor de Herwijners dat hen dit bespaard zal blijven. In ieder geval lijkt het mij verreweg het beste dat zij hoe dan ook onder de radar blijven... Defensie is machtig, bureaucratisch en om het nog erger te maken bepaald niet zonder de nodige missers en smetten. Maar goed dat ze als een beetje tegenwicht die geweldige Marinierskapel der Koninklijke Marine hebben...

___________________
Naschrift.
Dirigent majoor Arjan Tien laat weten: 'Ik heb me gebaseerd op een handgeschreven kopie van de Grofé-partituur (“jazz version”) én een geprint exemplaar van (kennelijk) diezelfde versie die nauwelijks van elkaar afwijken en voor de orkestratie zijn geschreven zoals wij het hebben opgenomen. Jaren geleden heb ik het al eens uitgevoerd met Rian de Waal, in dezelfde orkestratie, waarbij ook vermeld werd dat het ging om de oorspronkelijk “jazz version”. Ik hoop hiermee meer duidelijkheid te hebben gegeven'.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links