CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2021

Fux: Gesù Cristo negato da Pietro

Daniel Johannsen (Pietro Apostolo), Alois Mühlbacher (Ballila), Gerd Kenda (L'Odio de' Giudei), Markus Forster (L'Amor Divino), Maria Ladurner (L'Umanita Peccatrice), Ars Antiqua Austria o.l.v. Gunar Letzbor
Accent ACC 24374 • 97' • (2 cd's)
Opname: januari 2020, Mozartsaal, Konzerthaus, Wenen

   

Johann Joseph Fux (1660-1741), tijdgenoot van Johann Sebastian Bach, heeft van de verloochening van Jezus door Petrus veel werk gemaakt, getuige zijn avondvullend oratorium Gesù Cristo negato da Pietro, voor het eerst uitgevoerd in Wenen op Goede Vrijdag 7 april 1719.

Of er in de tussenliggende periode meer uitvoeringen zijn geweest heb ik niet kunnen traceren, maar wel dat op 24 januari 2020 het werk opnieuw klonk, in het Weense Konzerthaus, door vijf solisten en het ensemble Ars Antiqua Austria (ook op onze site geen onbekende).

Ik heb er geen beeldregistratie van kunnen vinden, maar uit de beschrijving in het boekje kan ik opmaken dat in het midden van het podium een nog niet volledig vastgespijkerd kruis stond opgesteld met erachter een verhoging voor de solist in de desbetreffende aria, met daarachter de in een halve kring gepositioneerde instrumentalisten. Tenslotte helemaal achteraan de solisten die tezamen tevens het kooraandeel (Coro di Peccatori, het Koor van de Zondaars) voor hun rekening namen. De solisten dus afwisselend in de rol van concertist en repiënist. Zaal en podium waren tijdens de uitvoering in een halfdonker gehuld, met alelen het kruis en de solist in het licht. Dirigent Gunar Letzbor had het uitspreken van de verbindende teksten op zich genomen, wat zeker zal hebben bijgedragen aan het succes van de uitvoering, want daardoor kreeg het publiek pas echt goed zicht op de dichterlijke inhoud van die teksten. Aan het slot van de beide delen werden de recitatieven ook nog in hun oorspronkelijke vorm gezongen, waardoor men althans in akoestisch opzicht een redelijke indruk kreeg van zoals het in op die 7de april 1719 kan hebben geklonken.

Van een live-registratie is het toen helaas niet gekomen omdat dit teveel rompslomp met zich mee zou hebben gebracht, met het podium bezaaid met microfoons, standaards, kabels en wat al dies meer. Men was het er van tevoren over eens geworden dat dit een te grote aanslag zou hebben betekend op de magie van de uitvoering. Wel liet men de band meelopen tijdens de openbare generale repetitie die nog op de dag van het concert plaatsvond (van de aanwezigheid van het publiek is overigens niets te merken). Volgende op de avond van de uitvoering was er die ochtend in dezelfde zaal nog een ‘correctiezitting', om nog resterende oneffenheden weg te poetsen.

Vooruitlopend op de uitvoering had de J.J. Fux-Forschungsstelle voor een nieuwe orkestpartituur en dito uitvoeringsmateriaal gezorgd, maar daarvan is slechts bescheiden gebruik gemaakt: Letzbor had de voorkeur gegeven aan de zijns inziens best denkbare bron: de originele ‘Stimmbücher' die alle bewaard zijn gebleven.

Zoals zo vaak in bezettingskwesties rond barokmuziek is ook wat dit oratorium betreft het niet bekend hoe groot in 1719 de instrumentale bezetting was. De Weense ‘Hofkapelle' stond goed bekend en beschikte over een uitgebreid orkestapparaat, maar dat wil nog niet zeggen dat alle orkestleden bij de toenmalige uitvoering betrokken waren. Letzbor gaat – aldus zijn toelichting in het boekje – uit van een uitvoering die toen 12-15 violen telde,met de overige bezetting daaraan aangepast, maar het is mij uit zijn toelichting niet duidelijk geworden waarop hij zich heeft gebaseerd.

Niet alleen alle ‘Stimmbücher'zijn bewaard gebleven, maar ook minstens twee volledige partituren met daarin nauwkeurige aanduidingen als ‘con/senza organo', ‘tutti', ‘soli', ‘senza fagotti', enz. Treffend is ook dat er tussen de verschillende geraadpleegde bronnen niet of nauwelijks sprake is van discrepanties, hetgeen de betrouwbaarheid ervan alleen maar bevestigt.

Blijft wel de vraag omtrent het aandeel van de solisten en het koor, want daarover bestaat helaas geen eenduidigheid, al kan wel een verantwoord beroep worden gedaan op de inmiddels opgedane historische kennis. Niet alleen was er in Wenen de ruim bemeten ‘Hofkapelle', maar er waren in de metropool ook operakoren actief die ook in oratoria zongen. Zolang het maar geen kerkmuziek betrof was de inzet van vrouwen daarbij geen enkel probleem. Vandaar dat Letzbor niet de opvatting huldigt dat de solisten in die tijd tevens het kooraandeel voor hun rekening namen (concertisten versus ripiënisten) - wat hij in zijn eigen uitvoering, zij het noodgedwongen, nu juist wel deed.

Door die kleinere bezetting hoefde hij de instrumentale begeleiding van de aria's echter beduidend minder of zelfs in het geheel niet uit te dunnen (piano in de begeleiding en forte in de orkesttutti). Vanuit puur dynamisch perspectief ging het daarbij natuurlijk om de totale uitwerking van het geheel. Er was sowieso geen reden om bij tedere aria's instrumentaal stevig uit te pakken (en aldus de zangstem te dwingen om te forceren) of omgekeerd naar een instrumentaal onnatuurlijk sotto voce te streven bij aria's die wel om een stevige(r) aanpak vragen. We vinden het aldus in deze uitvoering terug, waarbij de weelde van klankmatige nuancering een verademend effect op de toehoorder heeft.

Letzbor steekt niet onder stoelen of banken dat hij zich feitelijk gedwongen zag om de bezetting aan te passen aan de hem ter beschikking staande financiële middelen. Zo groot als ‘Kapellmeister' Fux kon uitpakken, kon hij dientengevolge niet. Daarvoor was Fux (nog) te weinig bekend. Geen zaalexploitant die er al bij voorbaat van uitging dat, ook al bij gebrek aan een ‘superster', van een volle zaalbezetting ook maar enigszins sprake kon zijn. Het aldus noodgedwongen gesloten compromis qua bezettingsomvang staat uit de aard der zaak nogal ver af van wat Fux tijdens het componeren voor ogen moet hebben gehad, maar terecht merkte Letzbor daarbij op dat wat bij hem aan ‘Originalklang' verloren is gegaan, daardoor aan intimiteit is gewonnen. Waar ik het van harte mee eens ben.

Eerlijkheid duurt het langst. Dat geldt ook voor de bijzonder goed geslaagde registratie, waarbij gelukkig is afgezien van het kunstmatig uitvergroten van de bezetting. De balans tussen de zangers en het instrumentaal ensemble is ideaal, terwijl het klankbeeld getuigt van doorzichtigheid en panache. En nu maar hopen dat dit prachtige oratorium bijdraagt aan de verdere naamsbekendheid van Johann Joseph Fux!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links