CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2022

Celebrating Franck & Scriabin - Naum Grubert

Franck: Prélude, Choral et Fugue

Skrjabin: 12 Préludes op. 16 - Prélude op. 9 nr. 1 (voor de linkerhand) - op. 13 nr. 3 - op. 15 nr. 1 & 2 - op. 22 nr. 2 & 3 - op. 27 nr. 1 - Pianosonate nr. 3 in fis, op. 23 - Feuillet d'album op. 45 nr. 1 - Études op. 8 nr. 11 & 12

Naum Grubert (piano)
Navis NC22012 • 70' •
Opname: 2018, Westvest90, Schiedam

   

Valt er iets te vieren? Vanuit discografisch oogpunt misschien wel, want César Franck werd 200 jaar en Aleksandr Skrjabin 150 jaar geleden geboren. Of je dan, zoals Naum Grubert heeft gedaan, beiden op één uitgave moet samenbrengen is – wat mij betreft – wel een vraag die een antwoord verlangt. Grubert geeft in het boekje zelf het antwoord: ‘That a mysterious link existed between these two composers on some level, a link that would make them comfortable sharing the same album.' Een echt bevredigend antwoord vind ik het niet, maar een niet onbelangrijk lichtpuntje is er wel: met uitzondering van het (korte) Albumblad op. 45 nr. 1 vallen alle overige op dit album vastgelegde werken van Skrjabin onder diens ‘vroege' periode (1894-1898), toen de componist tussen de 22 en 27 jaar jong was. Met ‘vroege' wel tussen aanhalingstekens, want hij stierf al in 1915, 43 jaar oud. Zelfs de monumentale Derde pianosonate (1897-1898) valt qua conceptie en uitwerking nog in die ‘vroege' periode. Skrjabin stond in zijn jonge jaren, tot rond de eeuwwisseling, nog wezenlijk onder invloed van Chopin en schreef hij bovendien in het vertrouwde, traditioneel-tonale idioom, om pas later te beginnen aan zijn zoektocht naar andere middelen om zijn muziektaal een nieuwe wending te geven; met als ultieme uitloper daarvan het door hem beoogde Gesamtkunstwerk met daarin een belangrijke rol voor associatieve kleuren, groteske maar knap geconstrueerde harmonische waaiers en niet te vergeten de ‘gekleurde' kwint, in een ingenieus geconstrueerd raamwerk dat het symbolisme bijkans omhelsde.

Het megalomane, feitelijk het té ver reikende in Skrjabins ziel, neemt pas goed een aanvang in 1902, met het componeren van de Derde symfonie (Le divin poème). Het zou uiteindelijk culmineren in 1908 met de voltooiing van Prométhée, Le Poème de Feu, gecomponeerd voor zéér groot orkest en koor, piano, orgel én zowaar het 'lichtorgel' of ('kleurenklavier'. Het kolkt, bruist, broeit voortdurend, het extatische karakter va het werk doet de tonica wankelen, al blijft het in zijn voegen tonaal, (té) laatromantisch en met de 'lichtshow' als verwarrende, maar feitelijk onmisbare bijkomstigheid.

Maar het was nog steeds niet genoeg, getuige Mysterium, in de ogen en oren van de componist een tot dan alles overtreffend spektakel van mythische, zo niet kosmische proporties. Waar bovendien toch nog iets wezenlijks, eigenlijk ter voorbereiding, nog iets aan vooraf moest gaan: de Acte préable als een soort voorspel, maar dan wel vanuit hetzelfde gedachtegoed buitenproportioneel.

Maar in zijn 'vroege periode' was hij nog lang niet zo ver, hoewel de gedachte al wel sluimerde aan een groots, alles overtreffend en alles omvattend luister- en schouwspel waarin niet alleen alle kunsten zouden zijn verenigd, maar waaraan ook het publiek actief zou deelnemen.

Dit allemaal overziende maakt de door Grubert gekozen verbinding van Skrjabins pianowerken uit de periode 1894-1898 (met uitzondering van het reeds genoemde op. 45 nr. 1) met Francks Prélude, Choral et Fugue (1884) beduidend minder arbitrair, al zijn het niet zijn maar mijn argumenten.

Maar het belangrijkste aspect is uiteraard het pianospel van Naum Grubert, een pianist van een bijzondere signatuur die in mijn beleving al jaren excelleert in direct overtuigende karakterisering, kleurschakering, expressiviteit, analytische transparantie en pianistisch raffinement. Een musicus ook die de indruk weet te wekken van het creatieve ontstaan sur place, zo knap gestileerd dat de muziek zojuist lijkt te zijn ontdekt, maar innerlijk tot in het kleinste detail overwogen, maar uiterlijk bijna intuïtief. Enerzijds de lyriek die gepaard gaat met de meest subtiele kleurverschuivingen, anderzijds de fijnmazig gegradeerde sterktegraden die binnen dit nobele klankbeeld fungeren als verwachting, opbouw, uitbarsting en oplossing. Ik schreef het al eens eerder: niet berekenend, niet de eigen grenzen opzoekend maar die van de muziek zelf ontdekkend en als nieuw aan de luisteraar voorstellend.

Gruberts hoogste troeven worden uitgespeeld in de werken van Skrjabin, met als een van de absolute hoogtepunten de Derde sonate, waarvan de hoekdelen alleen al onder zijn handen een ogenschijnlijk bijna zichzelf scheppende dramatiek oproepen. Maakt dat Francks Prélude, Choral et Fugue dan per definitie minder? Zeker niet, want onder de handen van Grubert staat het werk terecht dichter bij Liszt dan je misschien zou denken. Beide componisten deelden ook op hun eigen muzikale terrein hun grote bewondering voor Bach. Liszt bracht de Thomascantor postuum hulde met zijn rijk uitgedoste Fantasie over B-A-C-H (Bes-A-C-B), Franck met zijn niet minder in de Romantiek genestelde Prélude, Choral et Fugue dat ontstond in 1884, in Francks laatste scheppingsperiode (de componist overleed zes jaar later). Er zijn terugkerende reminiscenties aan Bachs cantate Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen BWV 12, maar ook aan het bekende klokkenmotief in Wagners Parsifal. In zijn benadering staat Grubert in mijn beleving dichter bij Alfred Cortot (1877-1962) en Arthur Rubinstein (1887-1982), wat ik als een groot compliment beschouw. Dat de moderne opnametechniek het met gemak wint van de oudere ligt daarbij uiteraard voor de hand: Daan van Aalst heeft de door Michel Brandjes voor de opname vlekkeloos geprepareerde Steinway D274 echt tot in de puntjes vastgelegd. Westvest90 in Schiedam is voor menige opnameproducer een van de favoriete opnamelocaties geworden. Ook deze cd laat u horen waarom.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links