CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2019

 

Rimski-Korsakov: Ouverture Russisch Paasfeest op. 36
Franck: Symfonie in d

Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks o.l.v. Kirill Kondrashin
BR Klassik 900704 • 52' •
Live-opname: 7-8 februari 1980, Herkulessaal, München

 

Op zaterdag 7 maart 1981 overleed in Amsterdam de Russische dirigent Kirill Kondrashin. In de loop van de daarop volgende week werd hij begraven op Westerveld in de gemeente Driehuis. Er waren toespraken, een groepje strijkers van het Concertgebouworkest speelde het adagietto uit Mahlers Vijfde symfonie. De plechtigheid was sober maar indrukwekkend.

 
 
Nolda Broekstra in 1983

Die zaterdag was Kondrashin op het laatste moment ingevallen voor de verhinderde Klaus Tennstedt. Hoewel de dag ervoor doodvermoeid teruggekeerd van een grote en inspannende Amerikaanse tournee, was Kondrashin na enig aandringen toch bereid om althans na de pauze Mahlers Eerste symfonie te drigeren. Veel tijd om te repeteren was er echter niet en in het Amsterdamse Concertgebouw moest het aangetreden symfonieorkest van de Noord-Duitse omroep het met slechts ruim een kwartier doen. Het bleek achteraf echter genoeg voor een indrukwekkende uitvoering. Ondanks zijn vermoeidheid was het Kondrashin ten voeten uit: alert, ook wel eigenzinnig, en met aandacht voor het kleinste detail. Er was weer dat dynamisch raffinement en zijn scherpe oor voor klankbalans. In nakaarten of nablijven had hij geen zin: direct na de uitvoering liet hij zich per taxi naar Nolda Broekstra, zijn in ons land gevonden, nieuwe liefde brengen (Nolda zou later zijn boek ‘Over dirigeren' redigeren en uitgeven). Kort na thuiskomst overleed Kondrashin, om 23.10 uur. Zijn hart had het plotsklaps begeven.

Een nogal merkwaardig toeval: drie Sovjetmusici met hartproblemen in hartje Amsterdam. De pianist Emil Gilels kreeg, eveneens in 1981, zijn eerste hartaanval kort na een recital in datzelfde Concertgebouw (hij overleed in Moskou in 1985, uitgerekend tijdens een medische controle: zijn fameuze Beethoven-cyclus voor Deutsche Grammopon bleef helaas onvoltooid). Dan was er de violist David Oistrach die op 24 oktober 1974 op zijn Amsterdamse hotelkamer werd getroffen door een hartaanval met dodelijke afloop.

De op 6 maart 1914 in Moskou geboren Kirill Kondrashin was een man van hoogstaande principes, die in 1956 de prestigieuze en veelbelovende dirigentenpost aan het Bolshoi liet voor wat die hem waard was. In zijn ogen weinig omdat hij vond dat de opera als model niet (meer) beantwoordde aan zijn hooggestemde idealen over de werkelijke betekenis van muziek. Dan was er die gedenkwaardige 18 december 1962, toen hij in Moskou de première leidde van de Dertiende symfonie (Babi Jar) van Dmitri Sjostakovitsj, een in die tijd in de ogen van de machthebbers hoogst controversieel werk. De uitvoering werd vanuit de burelen van het Kremlin danook stevig gedwarsboomd, maar niet verboden (daarvoor was de reputatie van Sjostakovitsj in en buiten de Sovjet-Unie inmiddels te groot). Er waren dranghekken en voor het massaal toegestroomde publiek moesten extra stoelen worden bijgezet. De voor de ‘apparatsjiks' traditioneel vrijgehouden zetels bleven echter leeg…

Kondrashin combineerde de eigenschappen van doorgewinterde ‘Kapellmeister' met een duidelijk eigen stijl die niet alleen in de Russische muziek goed herkenbaar was, maar zich ook uitstrekte tot het westerse repertoire (deze onlangs door BR Klassik uitgebrachte cd is er een schoolvoorbeeld van). Bovendien was hij een verbeeldingsvolle tovenaar met orkestrale kleuren, hij beheerste het orkest tot in zijn vingertoppen en wist daardoor de meest sublieme en fijnmazige klankwaaiers op te roepen. Dat komt nergens beter tot uitdrukking dan in uitermate kleurrijke muziek, zoals bijvoorbeeld in Rimski-Korsakovs ‘Shéhérazade'. Zelfs de vaak matige kwaliteit van de Russische opnamen laat over Kondrashins grote muzikale kwaliteiten geen enkele twijfel bestaan.

De musici droegen hem op handen, vooral door zijn grote vakmanschap, zijn brede kennis van zaken en de aanstekelijke manier waarop hij - ondanks de niet geringe taalbarrière - zijn denkbeelden wist over te brengen op het orkest. Wapenfeiten in zijn lange loopbaan zijn er eveneens genoeg, zoals in 1958 in Moskou, midden in de Koude Oorlog, toen hij de Amerikaan Van Cliburn begeleidde tijdens het Internationale Tsjaikovski Concours, een spraakmakend evenement dat nog steeds – mede dankzij het overgeleverde beeld- en geluidsmateriaal - tot de verbeelding spreekt. Hij was ook de eerste Russische musicus die door president Eisenhower hoogstpersoonlijk op het Witte Huis werd ontvangen. En zo is er nog wel het een en ander in dit verband te noemen, maar misschien baarde toch wel het meeste opzien zijn ferme besluit om in 1978 tijdens een tournee in ons land politiek asiel aan te vragen. De sovjets waren des duivels: alle Kondrashin-opnamen op het huismerk Melodiya moesten terstond uit de winkelschappen worden verwijderd en mochten niet meer worden (her)uitgebracht. Het ging met Kondrashin zoals met alle ‘dissidenten' in die tijd: ze werden eenvoudigweg 'kaltgestellt' of zelfs dood verklaard (men zal er danook geen traan om hebben gelaten dat het voor Kondrashin drie jaar later ook fysiek werkelijkheid werd).

Het moet voor Kondrashin niet alleen een zware gang zijn geweest naar die asielaanvraag (hij liet daardoor immers al zijn vrienden, familie en hebben en houden in Rusland achter), maar ook de taal bleek een enorme handicap. Er was echter meer dan een helpende hand in Nolda Broekstra, van huis uit muziekwetenschapper, die niet alleen zijn persoonlijke assistent werd, maar – hoewel Kondrashin dertig jaar ouder was - ook een liefdesrelatie met hem begon.

Kondrashins dirigeertalent wierp ook in ons land rijpe vruchten af. Zo werd hij naast Bernard Haitink vaste dirigent van het Concertgebouworkest (een verbintenis die menige fraaie opname heeft opgeleverd). Ook in München vielen zijn muzikale prestaties in zeer goede aarde. Nadat hij in februari 1980 zijn bijzonder goed geslaagde debuut had gemaakt bij het symfonieorkest van de Beierse omroep leek ook daar zijn kostje gekocht: het chefdirigentschap lonkte, maar zijn dood in 1981 haalde een streep door die veelbelovende rekening. Wat gelukkig echter wel resteert is de opname die van een deel van dat concert werd gemaakt en waaruit nog eens ondubbelzinnig blijkt welke een groot dirigeertalent Kondrashin bezat. Verder commentaar overbodig: luisteren!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links