CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2020

Rudolf Escher - Orchestral Music, Chamber Music, Choral Music

CD 1 - Orchestral Music
Concerto for String Orchestra (1948) - Musique pour l'esprit en deuil (1943)

CD 2 - Chamber Music
Le Tombeau de Ravel (1952) - Trio à cordes - Trio voor klarinet, altviool en piano (1979)

CD 3 - Choral Music
Songs of Love and Eternity (1955) - Poems, first and second series: I taste a liquor never brewed (1955) - La vrai visage de la paix par Picasso et Eluard (1953/rev. 57) - Ciel, air et vents (1957) - Three Poems by W.H. Auden (1975)

Ronald Hoogeveen (viool), Zoltan Benyacs (altviool), Dmitri Ferschtman (cello), Jacques Zoon (fluit), Harmen de Boer (klarinet), Bart Schneemann (hobo), Frank van de Laar (piano), Glen Wilson (klavecimbel), Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly; Nederlands Kamerkoor o.l.v. Ed Spanjaard
Brilliant Classics 95967 • 47' + 65' + 49' • (3 cd's)
Opname: (live) 10 maart 1988, (live) 24 februari 1991, 31 mei en 21 oktober 1992, 9-10 april 1997, Concertgebouw, Amsterdam; Stadsgehoorzaal, Leiden; Augustinuskerk, Amsterdam

   

Een wonder boven wonder? Ja en nee. Nee omdat de Nederlandse muziek niet helemáál uit de concertzalen verbannen is (geweest) en ja omdat in de jaren tachtig en negentig een aantal wakkere geesten de opnamemicrofoons wijd open hebben gezet om althans een bescheiden deel van de muziek van Rudolf Escher (1912-1980) voor de eeuwigheid vast te leggen, alvorens het stof der tijd er greep op kreeg.

Hoewel Brilliant Classics de rechten voor dit album heeft overgenomen van de muziekuitgeverij Donemus (bekend van partituren en geluidsdragers met betrekking tot Nederlandse componisten maar ook buitenlandse componisten die hier wonen en werken), verschenen deze drie cd's oorspronkelijk op het label NMClassics, het Centrum voor Nederlandse Muziek in de Havenstraat te Hilversum, dat later zo catastrofaal fuseerde met Donemus.

Op de oorspronkelijke uitgave van de orkest-cd stond ook nog 'Summer rites at noon', maar die werd door Jan van Vlijmen afgekeurd wegens een kapitale foute inzet van het ‘fernorchester'. Alle reeds geperste exemplaren zijn toen vernietigd. Van de beide overgebleven uitvoeringen door het Concertgebouworkest betreft het live-opnamen van AVRO/Wereldomroep. De beide overige cd's werden geproduceerd in samenwerking met de Wereldomroep.

Het geheel heeft iets unieks opgeleverd, in de meest letterlijke zin van het woord: de (helaas niet complete) orkest-, kamer- en koormuziek van de Nederlandse componist Rudolf Escher in – zo mag ik het toch wel noemen – absolute modeluitvoeringen. Wat wil je, met zulke musici: het (toen nog niet Koninklijke) Concertgebouworkest geleid door Riccardo Chailly, het Nederlands Kamerkoor onder Ed Spanjaard en voorts nog een uitgelezen schare andere musici in het domein van de kamermuziek (n.b.: in zowel het boekje als op de cd is de voornaam van de klarinettist onjuist vermeld: het is niet Herman maar Harmen).

Escher dus, de grote man met het relatief bescheiden oeuvre, waarvan alleen het orkestwerk ‘Musique pour l'esprit en deuil' en sommige kamermuziekwerken af en toe nog te horen zijn. Scherp gestelde zelfkritiek maakte een belangrijk deel uit van zijn integere kunstenaarschap, met als gevolg dat vrijwel al zijn composities uit de periode 1960-1966 onvoltooid bleven (waaronder een opera, piano-, hobo-, saxofoon- en fluitconcerten) of eenvoudigweg aan de vernietiging werden prijsgegeven. Dat laatste lot was onder meer zijn Concert voor strijkorkest beschoren, maar gelukkig vond men later in de Donemus-archieven alsnog de partituur op microfilm en wist Eschers collega en tijdgenoot Otto Ketting Eschers nazaten ervan te overtuigen het stuk alsnog uit te laten geven. Ook met de Vioolsonate uit die periode liep het ogenschijnlijk niet goed af: van de drie gecomponeerde delen bleven alleen de laatste twee overeind, maar gelukkig had Reinbert de Leeuw de volledige partituur in zijn bezit. Zo kon het gebeuren dat het stuk in zijn oorspronkelijke vorm aan de componist werd voorgespeeld, waarna deze alsnog besloot het als zodanig te accepteren. Dat kon dus. Ook Jan van Vlijmen deed een positieve duit in het zakje door het onvoltooid gebleven ‘Summer rites at noon' voor dubbelorkest in de geest van Escher te voltooien.

Rudolf Escher voor de 'Schuilhoek' in de bossen van Bennekom (1957/58)

Dat het echt Escher zelf was die zo rigoureus in het voortbestaan van zijn eigen werk ingreep blijkt wel uit de brief die hij op 21 november 1960 aan Donemus (1) stuurde en waarin hij precies aangaf welk deel van het in het bezit van de muziekuitgever zijnde materiaal diende te worden vernietigd opdat ‘deze werken niet meer geëxploiteerd kunnen worden'. Hoe hij tot die doldrieste stap is gekomen weten we niet, maar vermoed wordt dat het alles te maken heeft met de lessen die hij kort daarvoor van Pierre Boulez had ontvangen. Lessen die zich concentreerden op partituuranalyse en die hem mogelijk ervan hebben overtuigd dat zijn werk tot dan toe weinig tot niets voorstelde. Zelf schreef hij dat voor dit inzicht tijd nodig was, ‘een soort metamorfose'.

In de door Mischa Spel geschreven toelichting memoreert zij onder meer dat het niet overdreven is om Escher te beschouwen als de grootste componist die de school van Pijper heeft voortgebracht. Ik vermoed dat dit oordeel is gestoeld op het feit dat Escher van 1934 tot 1937 aan het Rotterdams conservatorium bij Pijper studeerde. Anders dan zijn grote leermeester had hij zijn partituren niet tijdig naar veiliger oorden overgebracht en zo kon het gebeuren dat het merendeel ervan tijdens het bombardement in de meidagen van 1940 verloren ging.

Maar de vraag blijft hangen welke invloed Pijper in die periode als componist op Escher heeft gehad. In ieder geval liep hun houding ten opzichte van de Duitse bezetter sterk uiteen: Pijper werd lid van de Kultuurkamer en Escher moest zijn weigering bekopen met een leven in armoede.

Van december 1941 tot mei 1942 werkt Escher in Reewijk aan het orkestwerk ‘Musique pour l'esprit en deuil', zijn eerste meesterwerk, waarin het bombardement op Rotterdam bij wijze van spreken nog natrilt. Het is doortrokken van destructie en verlies, repressie en terreur. Hij voltooit de instrumentatie op 9 februari 1943 in Oegstgeest. Diezelfde avond neemt hij spoorslags de benen als hij verneemt dat de Duitsers in Leiden razzia's houden voor de ‘Arbeitseinsatz'.

Het stuk beleeft zijn première op 19 januari 1947 in het Amsterdamse Concertgebouw met op het podium het Concertgebouworkest en op de bok Eduard van Beinum. Het blijkt een doorslaand succes. Voor de componist en muziekcriticus Erik Voermans heeft het werk de kenmerken van de ‘generatieve intervalsmanipulatie, een op Debussy terug te voeren constructieprincipe dat de kern vormt van Eschers denken in muziek'. Escher zelf schreef daags na de première: ‘Ik heb het vreemde gevoel dat deze muziek langer zal bestaan dan ikzelf'. Het blijken profetische woorden.

Rudolf Escher (foto David van Dijk, Beeld en Geluid)

Aan het eind van de jaren vijftig oriënteerde Escher zich op een nieuwe stroming die zich overal in Europa heeft aangediend, onder meer aangedreven door de ‘Ferienkurse' in Darmstadt. Er heeft zich een nieuwe lichting avant-gardisten aangediend met de aandacht vooral gericht op het serialisme. Onder hen later grote namen, zoals Boulez, Maderna en Stockhausen. Het is de generatie die ervan overtuigd is dat alle bekende wegen zijn doodgelopen en dat de tijd rijp is voor nieuwe impulsen. Ook Escher wordt erdoor gegrepen, maar het houdt bij hem uiteindelijk geen stand, al heeft Erik Voermans wel een punt met zijn constatering dat Escher wel de constructivistische principes van het serialisme weet te verweven met zijn onvervreemdbaar eigen polymelodische stijl (Sonate voor fluit en piano, voltooid in 1979 en tevens Eschers zwanenzang).

Wat al kort na de oorlog in zijn muziek vooral treft is de polymelodische inventie, wat zich uit in de melodisch diepe gelaagdheid. Een goed voorbeeld daarvan is het sloteel, Ciaconna epica: Grazioso e con moto, van het Concert voor strijkorkest uit 1948. Het is deze inventiviteit die wij ook terugvinden in bijvoorbeeld het tweedelige Strijktrio uit 1959, een werk dat Voermans in het in 1992 gepubliceerde brievenboek ‘Rudolf Escher, Peter Schat' (2) aanduidt als een ‘haastklus'. De opdracht kreeg Escher eind augustus, hij voltooide het eind september. Haast of niet, het is een schitterend werk waarin de zinderende lyriek samengaat met grote melodische vindingrijkheid.

De derde cd is uitsluitend gewijd aan Eschers koormuziek. In 1958 schreef Escher aan Schat: ‘Koor is een ongelooflijk subtiele materie'. Wat hem niet belette om een groot aantal koorwerken zonder instrumentale begeleiding (Escher had grote bewondering voor de Vlaamse polyfonisten) te schrijven. Uitgangspunt was altijd de tekst die hij eerst grondig bestudeerde om zich er dan vervolgens op toe te leggen dat beide elementen, tekst en muziek, zingbaar én verstaanbaar waren. Het teruggrijpen op de technieken uit de renaissance betekende weliswaar de lineariteit en imitatie volgens de receptuur van Josquin des Prez en Nicolas Gombert, maar wel gemodelleerd naar Eschers eigen principes van de polymelodiek.

Laat u zich vooral overrompelen zo niet overweldigen door deze muziek in voorbeeldige uitvoeringen en in de uitstekende verdoekingen. Als u dit album nog niet kent wacht u gegarandeerd een belangrijke ontdekkingsreis die deze box tot een ware aanwinst maakt.

PS: U vindt ook elders op onze site recensies van muziek van Rudolf Escher (de zoekfunctie op de thuispagina helpt u snel op weg).

________________
1) Rudolf Escher: werkoverzicht, gepubliceerd door Donemus.
2) Zie ook Brieven, Rudolf Escher, Peter Schat, 1958-1961.

Nog een interessante link: Radio Kamerorkest 'Nostalgies'


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links