CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2020

Elgar: Sea Pictures op. 37 - Falstaff op. 68

Elina Garanca (mezzosopraan), Staatskapelle Berlin o.l.v. Daniel Barenboim
Decca 4850968 • 59' •
Live-opname: 16 december 2019, Staatsoper, Berlijn (op. 37) en 17 december 2019 (op. 68) Philharmonie, Berlijn

   

Wie verwend is geraakt door de fameuze EMI-opname van Elgars ‘Sea Pictures' met in het middelpunt de idiomatische alt Janet Baker (zij wordt bijgestaan door het London Symphony Orchestra onder leiding van John Barbirolli), zal mogelijk met de interpretatie van de Elina Garanca iets minder in zijn sas zijn. Wat de Letse mezzo overigens minder aan te rekenen valt, want als interpreet moet je toch wel enigszins vergroeid zijn geraakt met dat typisch Brits-Victoriaanse idioom om dit op zich schitterende werk tot volle wasdom te laten komen. Dat lukt Garanca dus niet helemaa, mede in de hand gewerkt - anders dan bij Dame Baker - door de duidelijk minder pregnante voordracht. Ook de verstaanbaarheid van de tekst is beter bij haar Britse collega. Ook vind ik dat het uitgesproken romige karakter van haar stem minder goed bij deze muziek past, hoe gloedvol haar voordracht ook is en hoezeer zij het legato beheerst.

Bovendien: dat ondefinieerbare Brits-Victoriaanse sausje is bij Baker in betere handen dan bij Garanca en daar kan zelfs de uitstekend gespeelde orkestpartij onder een absoluut bezielde Daniel Barenboim niets aan veranderen. Logisch eigenlijk: de dominantie is immers aan de zangstem voorbehouden.

Het is een werk dat ook opvalt door eenheid in verscheidenheid, met als niet onbelangrijk ankerpunt de terugkeer van verschillende motieven uit het openingsdeel in de overige vier delen, al moet je er de partituur bij nemen om de finesse ervan goed te kunnen doorgronden.

Die verscheidenheid blijkt zowel uit de sterk contrasterende, meesterlijk uitgewerkte stemmingsbeelden (je kunt de zee bij wijze van spreken ruiken, met het zout op de lippen) als de dichtregels van Roden Noel (‘Sea slumber song'), Edwards echtgenote (Alice) Elgar (‘In haven, Capri'), Elizabeth Barrett Browning (‘Sabbath Morning at sea'), Richard Garnett (‘Where carols lie') en ten slotte Adam Lindsay Gordon (‘The swimmer').

In 1894 oorspronkelijk geschreven voor sopraan en piano werd er door Elgar later een orkestversie van gemaakt en werd de sopraanstem getransponeerd naar de altstem. In die vorm beleefde het stuk zijn première in oktober 1899 ter gelegenheid van het Norfolk en Nowich Music Festival. De alt Clara Butt (zij had om de alt versie gevraagd) was voor de gelegenheid als zeemeermin uitgedost. Het is deze versie die de weg naar de concertzaal en de opnamestudio heeft gevonden.

Misschien aardig om te vermelden dat tien jaar geleden de Britse componist Donald Fraser de 'Sea Pictures' geschikt maakte voor gemengd vierstemmig koor en strijkers, en later ook voor volledig symfonieorkest.

Wie in de ‘Sea Pictures' iets van de Engelse volksmuziek meent te kunnen vinden komt bedrogen uit. Elgar had niets met muzikale folklore, getuige - niet zonder trots - zijn uitspraak dat hij het was die ‘volksliederen componeerde van dit land'. En inderdaad, sommige werken kregen zelfs een nationale status (wie kent niet zijn ‘Land of Hope and Glory'?) Het is een van die stukken die het de inmiddels vergane glorie van het ‘British Empire' zo ongeveer ten voeten uit tekenen.

Als het op Elgars ‘Falstaff' aankomt, een pastiche in de ware betekenis van het woord, wordt er regelmatig verwezen naar ‘invloeden van Richard Strauss', maar meer dan hoogstens wishful thinking lijkt dit toch niet te zijn. Het enige dat Strauss' ‘Till Eulenspiegel' en ‘Don Juan' met ‘Falstaff' gemeen hebben is dat ze tot het genre van de symfonische studie behoren (zo betitelde Elgar het werk ook) en dat de schelm er de hoofdrol in vervult. Echter, de in muziek gevatte portretteringen zijn volstrekt anders, waardoor het appelen met peren vergelijken wordt.

‘Falstaff' is zonder enige twijfel een van de meest kleurrijke en markante Britse orkestwerken, wat ook blijkt uit de bezetting: fluiten (2), piccolo, hobo's, althobo, klarinetten (2), basklarinet, fagotten, contrafagot, hoorns (4), trompetten (3), trombones (3), tuba, pauken, grote trom, triangel, tamboerijn, basdrum, bekkens, harp (1 of 2) en strijkers. Buitengewoon knap geïnstrumenteerd, inventief en effectief, exuberant qua uitwerking en vol verrassingen weet het stuk ruim een halfuur lang te boeien. Interessant is dat de componist in 1913 zelf een toelichting gaf die in geredigeerde vorm een plaatsje kreeg in ‘The Musical Times' en waarvan ik de belangrijkste aspecten heb uitgelicht:

•  I. Falstaff and Prince Henry

•  II.  Eastcheap  –  Gadshill  – The Boar's Head. Revelry and sleep – Dream Interlude: 'Jack Falstaff, now Sir John, a boy, and page to  Thomas Mowbray, Duke of Norfolk' (Poco allegretto).

•  III. Falstaff's march – The return through Gloucestershire  – Interlude: Gloucestershire. Shallow's orchard (Allegretto) – The new king – The hurried ride to London.

•  IV. King Henry V 's progress – The repudiation of Falstaff, and his death.

In the first section, the two main themes of the piece are established, that for Prince Hal (marked  grandioso) being courtly and grand, and that for Falstaff himself showing "a goodly, portly man, of a cheerful look, a pleasing eye and a most noble carriage." Arrigo Boito adapted these words of Falstaff for his libretto for the Verdi opera of the same name, but the Falstaff of the opera is essentially the buffo character from The Merry Wives of Windsor (n.b.: de Fallstaf van Elgar is echter die van Henry IV).

The subsequent development of the score follows closely the key events of the two parts of Henry IV, in which Falstaff features. The Gadshill section (from Henry IV, Part 1) shows him attempting a gold bullion robbery but being himself attacked and robbed by the disguised Hal and his companions. Falstaff returns to his base at the inn and drowns his sorrows in drink. In his drunken sleep, he dreams of his youth, when he was a slim page to the Duke of Norfolk. Here too Boito/Verdi and Elgar treat the same material quite differently: in the opera, Falstaff's nostalgic reminiscence is a lively little aria ("Quand' ero paggio"). However, its treatment is slow and wistful.

Part III of the score moves to Shakespeare's Henry IV, Part 2. After Falstaff's summons to court and commission to raise soldiers for the King's army, there is a battle scene and then a second interlude, an English idyll in a Gloucestershire orchard. This is dispelled by the news of the King's death and Prince Hal's accession. As in the play, Falstaff hurries to London, confident of favours from the new monarch, but is instead dismissed and banished. Finally the broken Falstaff, having crept away, lies dying – "the king hath killed his heart" – and after a return of the theme of the second interlude, a piano C major chord in the brass and a hushed roll on the side-drum portray Falstaff's death. The work ends with a very brief version of Prince Hal's theme showing that "the man of stern reality has triumphed."

Falstaff theme:

Prince Hall theme:

Barenboim zorgde met zijn orkest voor een uitermate geslaagde vertolking. Er straalt energie vanaf, de karikaturale passages (zoals die van de 'dronken' solofagottist) krijgen het volle pond, maar ook de meer nostalgische, melancholieke momenten van de ogenschijnlijk joviale held komen ruimschoots aan bod. Het slot is precies wat het in de woorden van Elgar moet zijn: "The work ends with a very brief version of Prince Hal's theme showing that 'the man of stern reality has triumphed'."

Ook opnametechnisch is het buitengewoon fraaie realisatie geworden. Jammer alleen dat Garanca niet helemaal aan althans mijn verwachtingen kon voldoen, maar dat minpunt speelt dankzij zoveel moois nauwelijks mee.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links