CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2021

Josquin des Prez - In memoria mea - Posthumous tributes to Ockeghem, Brumel and Obrecht

Des Prez: Introitus Requiem aeternam - Nymphes des bois (Requiem) - Missa Mater patris - Introitus Requiem aeternam - Absolve quesumus domine (Requiem) - Introitus (Requiem)

Brumel: Mater patris et filia

Willaert?: Requiem aeternam - Absolve quesumus domine (Requiem)

Cantus Modalis, Seconda Pratica o.l.v. Rebecca Stewart
Carpe Diem CD 16325 • 64' •
Opname: juni 2021, Abdijkerk, Den Haag

   

Hij was het tegelijkertijd: vernieuwer en hervormer, de rond 1450 in Henegouwen geboren en er in 1521 overleden Josquin des Prez (we zijn dus in diens vijfhonderdste sterfjaar beland), die we vooral kennen als Josquin. Hij studeerde bij niemand minder dan Johannes Ockeghem (ca. 1410-1497), wiens nagedachtenis hij eerde met het componeren van o.a. een ‘Complainte' en ‘Adoration'. Ook Jacob Obrecht (ca. 1457-1505) stond bij hem in hoog aanzien, wat ook blijkt uit de muzikale parallellen.

Zoals menige Vlaamse polyfonist zocht ook Des Prez zijn muzikale heil elders en dan bij voorkeur in Italië. In 1474 was hij nog als koorknaap verbonden aan de kapel in Milaan, maar als componist maakte hij al snel grote vorderingen, om aan het einde van de vijftiende eeuw in Rome al tot een zodanige beroemdheid te zijn uitgegroeid dat hij al zijn collega-toondichters danig in de schaduw stelde.

Na het overlijden van paus Sixtus IV verruilde hij Rome voor het welgestelde hof van Ferrara, om later in dienst te treden van het hof van de Franse koning Lodewijk XII. Diens opvolger Frans I benoemde hem tot kanunnik in Saint Quentin, wat evenwel niet de laatste halteplaats in zijn loopbaan zou zijn: er volgde nog zijn verbintenis met de Nederlandse kapel van keizer Maximiliaan I en ten slotte die van domproost van de kerk in zijn geboorteplaats. Waarmee de carrièrecirkel feitelijk rond was.

Hoewel we de neiging hebben om nogal nonchalant met de term ‘genie' om te springen, kan er wat betreft Josquin geen enkele twijfel over bestaan dat hij dit wel degelijk was. Dat heeft niets met zijn grote vernuft (zeker vergelijkbaar met dat van zijn vroegere leermeester Ockeghem) te maken, maar alles met het enorme arsenaal van expressiemiddelen dat uit zijn koorwerken zo sterk naar voren komt en dat volmaakt is ingebed in een strenge vormgeving. Bovendien mag hij zich beroemen op nog een bijzondere eigenschap: complexiteit die enerzijds toeneemt maar anderzijds juist daardoor voor grotere grotere transparantie en helderheid zorgt, een paradox die we in de toonkunst zeker niet vaak tegenkomen. Ongelooflijke strengheid qua vormgeving die tot ongelooflijke schoonheid en puurheid leidt: Josquin leverde het ultieme bewijs van ultieme werkzaamheid. Ook zijn tekstbehandeling is exemplair, zelfs vergeleken met die van bijvoorbeeld Ockeghem. Vergroting en verkleining, een bekend gebruik in de raadselcanons van de Vlaamse polyfonisten, maakten bij hem plaats voor gemengd contrapunt met als extra bijzonderheid dat de ene stem niet meer dominant is ten aanzien van de andere. Volmaakte zuiverheid: hij prentte het zijn leerlingen onvermoeibaar in.

Wat Josquin schreef behoort tot het beste en mooiste (het gaat doorgaans samen) wat de Vlaams-Nederlandse School heeft voortgebracht. Ik noem in dit verband slechts zijn vierstemmige motetten waarvan de ernst sterk contrasteert met bijvoorbeeld zijn seculiere ‘chansons', die evenwel een net zo groot meesterschap etaleren op het gebied van contrapunt en canon.

Bij Antoine (of Antonius) Brumel (ca. 1460-1513) zoeken we Josquins genialiteit weliswaar vergeefs, maar dat neemt niet weg dat zijn muziek wonderschoon en mild aandoet, maar het contrast zeker niet wordt geschuwd. Stilistisch heeft hij naam gemaakt door de expressieve rijkdom van zijn (veelal) wringende harmonieën, de ingenieus geconcipieerde meerstemmigheid inventief afgewisseld door het gregoriaans, alles gevat in knap geconstrueerde stemvoering. Fascinerend daarbij is ook dat het de luisteraar niet altijd prompt duidelijk wordt of in de melodie een of meerdere stemmen worden gehoord. Brumel toont zich eveneens een meester in de verre van traditionele cadensen en de virtuoos geschreven soli. Vanuit die optiek mag Brumel zeker als een inspirerende vernieuwer worden aangemerkt die ons bovendien menig juweel heeft nagelaten.

In deze uitgave van het vocaal ensemble Cantus Modalis, Seconda Pratica wordt werk van Desprez, Brumel en een onbekend gebleven componist (al vermoed ik dat het van Adriaan Willaert, ca. 1490-1562, is) in juxtapositie gepositioneerd, wat dus niet zozeer bedoeld is als vergelijking (een vrij zinloze exercitie überhaupt) maar eerder als elkaar versterkend effect.

Voor de muziekliefhebber is het vooral van belang dat dit ensemble, gespecialiseerd in de Oude Muziek en bestaande uit superius, altus (2), tenor (2) en basus (2), met Rebecca Stewart als maestro di cappella, op dit nieuwe album een subliem staaltje a capella zang ten beste geeft, wat zich uit in volmaakte dictie en balans, sublieme frasering en qua uitdrukkingskracht meesterlijk afgewogen. Het komt auditief net zo volmaakt tot zijn recht dankzij de door Jonas Niederstadt in de Haagse Abdijkerk gemaakte opname. Het begeleidende boekje is met zorg samengesteld (het leest als een autobiografie en de gebruikte bronnen worden keurig vermeld) en biedt bovendien veel informatie, waarbij notenvoorbeelden gelukkig niet worden geschuwd.

________________
Cantus Modalis, Seconda Pratica is deze maand te horen in Maastricht in het programma Josquin: In memoria mea.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links