CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2018

 

Crusell: Klarinetconcert in Es, op. 1 - Grand Concerto in f, op. 5 - Concerto in Bes, op. 11 - Introduction et air suédois in Bes, op. 12 (revisie van Variaties op 'Goda gosse glaset töm': 'Lieve jongen, ledig het glas')

Michael Collins (klarinet), Swedish Chamber Orchestra o.l.v. de solist
Chandos CHSA 5187 • 75' • (sacd)
Opname: mei 2017, Konserthuset, Örebo (Zweden)

   

De Finse componist Bernhard Hendrik Crusell (1775-1838) dankt zijn bekendheid vooral aan zijn drie klarinetconcerten. Dat hij ook nog een uitmuntende klarinettist was is, hoe kan het ook anders, al lang en breed vergeten. Maar in zekere zin horen ze bij elkaar: de musicus die excelleerde op zijn lijfinstrument en de muziek die hij er speciaal voor schreef en waarmee hij uiteraard de podia wilde veroveren. Eten van twee walletjes, ach het was zeker in die tijd de gewoonste zaak van de wereld. Tegenwoordig is het eerder uitzondering dan regel is dat uitvoerende musici ook componeren of zelfs maar improviseren (hoewel: vlak de organisten niet uit). In de achttiende en het begin van de negentiende eeuw (bij Beethoven zou dat beeld definitief gaan kantelen) was het de gewoonste zaak van de wereld dat een musicus ook componeerde of bewerkte. In de tijd van Bach en Telemann keek zelfs niemand daarvan op. Het hoorde zogezegd bij het vak.

De klarinet maakte zijn opmars in de tweede helft van de achttiende eeuw. Denkt u maar aan Mozart met zijn klarinetconcert en klarinetkwintet, maar ook aan inspiratiebronnen als Anton Stadler (1753-1812) bij Mozart en Heinrich Bärmann (1784-1787) bij Weber. Zoals in de negentiende eeuw Brahms zijn latere liefde voor de klarinet deelde met een van de grootste virtuozen op dit gebied: Richard Mühlfeld. Wat voor zoveel muziek geldt, geldt ook voor de klarinet: menige klarinetcompositie had nooit het licht gezien zonder de inspirerende invloed van belangrijke musici. Waarbij fijntjes wel mag worden opgetekend dat Crusell feitelijk vooral zichzelf inspireerde: hij componeerde immers primair voor eigen gebruik, zij het dat hij ook voor andere instrumenten componeerde, zoals voor de fluit, de fagot en de hoorn.

Wat nogal eens over het hoofd wordt gezien is Crusells belangrijke plaats in de Finse muziekgeschiedenis. De Finnen zelf zijn er eenduidig over: er is vóór Jean Sibelius geen componist geweest die daarop een groter stempel heeft gedrukt dan Crusell. Hoewel hij ‘officieel' eigenlijk van Zweedse komaf was: hij werd geboren in Uusikaupunki, een plaatsje dat tot 1809 deel uitmaakte van Zweden.
Hij werd als uitvoerend musicus alom gewaardeerd, maar zijn Europese succes als componist hing ten nauwste samen met slechts één bron: de in Leipzig gevestigde muziekuitgever Ambrosius Kühnel, die met zijn ‘Bureau de Musique' menige componist aan zich had gebonden. Toen Crusell in 1811 Leipzig bezocht en zijn muziek aan Kühnel toonde, was deze prompt van de kwaliteit ervan overtuigd. Hij besloot op slag om Crusells muziek te gaan uitgeven, maar die verbintenis duurde slechts kort, want al spoedig daarna werd de uitgeverij door C.F. Peters overgenomen. Daar werd Crusell echter niet slechter van. De Peters-edities waren wereldwijd een begrip en dat zijn ze nog steeds.

Crusell bezocht ook het het nabijgelegen Dresden, waar hij een andere beroemdheid, de klarinetbouwer Heinrich Grenser, opzocht en hem opdracht gaf om meerdere instrumenten te bouwen met acht tot elf kleppen (een ervan heeft de woeligste tijden doorstaan en kan in het Seenkonstmuseet in Stockholm in perfect staat worden bewonderd).

Crusells speelstijl veranderde met de tijd. Eerst speelde hij nog met het riet tegen de bovenlip, in de traditionele stijl van Tausch en Lefèvre, maar later verhuisde het riet naar de onderlip, wat uiteindelijk tot de nieuwe praktijk zou uitgroeien. Het is niet duidelijk wanneer die omslag precies plaatsvond, maar dat moet in ieder geval geruime tijd vóór de invoering ervan op het Parijse conservatorium in 1831 zijn geweest.
Crusell was ook de eerste klarinettist die Mozarts Klarinetconcert uitvoerde nadat het werk in 1802 voor het eerst in druk was verschenen. Dat geldt overigens ook voor Mozarts ‘Kegelstatt' Trio KV 498. Het spel van Crusell werd door zijn tijdgenoten volop geprezen door de warme ronde toon en de evenwichtigheid in alle klankregisters, maar ook zijn fluisterende pianissimi werden geroemd. Het mag best bijzonder heten dat in de bewaard gebleven kritieken van vijftig concertreeksen er geen enkele negatieve kanttekening omtrent Crusells spel te vinden is.

Om bij dat laatste maar gelijk aan te sluiten: de tot de absolute wereldtop behorende Brit Michael Collins is de gedroomde solist in zijn dubbelrol als solist en dirigent van het Zweeds kamerorkest. We hebben niet zelf aan den lijve mogen ondervinden hoe Crusell moet hebben gespeeld, maar we kunnen ons er misschien wel enigszins een voorstelling van maken dankzij het prachtige spel van Collins, met zijn ronde en warme toon, de prachtige kleurenrijkdom in de verschillende registers, de hoge graad van virtuositeit, de tot in de puntjes verzorgde fraseringen en bovenal het muzikanteske plezier dat er vanaf straalt. Dan is er de uitmuntende samenwerking en de ideale balans tussen solist en orkest die het innemende muzikale parcours nog eens danig versterken. Kortom een cd om van te watertanden!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links