CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2018

 

François Couperin L'Alchimiste - Un petit théâtre du monde Vol. 1

(F.) Couperin: Onzième Ordre (in C), Second Livre (de Pièces de Clavecin) - Vingt-Septième Ordre (in b), Quatrième Livre - Dix-neuvième Ordre (in D), Troisième Livre - Quatrième Ordre (in F), Premier Livre - Troisième Ordre (in C), Premier Livre - Vingtième Ordre (in G), Quatrième Livre

Bertrand Cuiller (klavecimbel)
Harmonia Mundi HMM 902375.76 • 2.08' • (2 cd's)

 

Een aardig gevonden titel: L'Alchimiste', evenals de subtitel ‘Un petit théâtre du monde'. Al zal men zich misschien daarbij aanvragen of er ooit sprake is geweest van enigerlei vorm van primitieve scheikunde, laat staan van het omzetten van onedele in edele metalen om daaruit een levenselixer te brouwen. Maar misschien is het de perfecte metafoor voor muziek die levenskracht geeft! Wie zal het zeggen? En dat ‘kleine wereldtheater' dan? Er is ‘Les Nations', de beide ‘Ordres' waarin Couperin de Franse en Spaanse folklore uitermate suggestief en kleurrijk wist te treffen. Nu zijn Frankrijk en Spanje de wereld wel niet, zelfs niet de kleine, maar dat kleine wereldtheater is toch niet zo ver af. Bovendien, anders dan zijn grote tijdgenoot Bach kon François Couperin (1668-1733) wel degelijk over de eigen landsgrenzen heen kijken. Wat niet wegneemt dat het niet zo gemakkelijk te verklaren is dat er in de loop van de voorbije twee decennia zoveel ‘pièces de clavecin' van zowel zijn hand als die van zijn broer Louis op cd zijn verschenen. Want laten we eerlijk zijn: het is geen vloeken in de kerk als ik vaststel dat de Franse barokmuziek niet zo bijzonder populair is, althans vergeleken met bijvoorbeeld de Duitse en de Italiaanse, terwijl daar nog bijkomt dat de fijnmazige klank van het klavecimbel zeker niet ieders ‘cup of tea' is. Het klavecimbel is immers bij uitstek het instrument dat het van de nuance moet hebben. En dat in een van lawaai vervulde wereld, waarin stiltegebieden zelfs van een bijpassend waarschuwingsbordje moeten worden voorzien.

François en Louis: je zou ze bijna in een adem noemen, al heeft het lot van de geschiedenis bepaald dat François (deze dubbel-cd is uitsluitend aan zijn klavecimbelwerken gewijd) de bekendste van de twee is geworden. Dat heeft vooral te maken met de reeds genoemde ‘pièces de clavecin', die gerekend worden tot een van de schaarse hoogtepunten van de achttiende-eeuwse muziek voor het klavecimbel als soloinstrument, bij uitstek ook het geschikte medium om daarop de contrapuntische gaven van een componist te demonstreren.
Dat muzikaal-analytische handwerk had François bepaald niet van een vreemde: zijn vader, organist aan de Parijse Saint Gervais (François zou hem in die functie later opvolgen) had het hem en zijn broer met de spreekwoordelijke paplepel ingegoten. En hoe snel en hoezeer zich het compositorische talent van François ontwikkelde blijkt wel uit de verzameling orgelwerken die de pas 21-jarige vol zelfvertrouwen liet publiceren en die in de meest kritische en verwende muzikale kringen al prompt met enthousiasme werd begroet. Maar er was ook de organist François Couperin, wiens indrukwekkende spel zelfs de oren van Lodewijk XIV moet hebben bereikt, want al spoedig volgde een belangrijke aanstelling aan diens hof, eerst als hoforganist en vrij kort daarna zelfs als muziekleraar van de kinderen van de kunstminnende Zonnekoning. Het duurde niet lang of hij werd kind aan huis in het paleis van Versailles, volop genietend van zijn snel rijzende faam en van de vele rijpe vruchten die daarvan het rechtstreeks gevolg waren. Maar de vele aardse geneugten verhinderden hem toch niet om zijn blik bij gelegenheid tevens naar de hemel te richten en devote kerkmuziek te componeren. Zo schreef hij tussen 1713 en 1717 speciaal voor de Lijdensweek de bekende Leçons de ténèbres.
Maar er was meer: de vele concerten en voorstellingen aan het hof door de meest uiteenlopende muziekgezelschappen scherpten zijn gevoel voor de instrumentale muziek, met de nadruk op de modieuze stijl zoals die uit Venetië was overgewaaid, veelal geënt op de toen zeer populaire sonates van Corelli. Nieuwe invloeden verwerken, trouw blijven aan de grote Franse traditie, dat was voor de componist François Couperin de artistieke marsroute die hij consequent wilde volgen. Geen wonder dat hij wat dit betreft dicht tegen de van oorsprong Italiaanse componist en kapelmeester Jean-Baptiste Lully (1632-1687) aanschurkte, niet in de laatste plaats ook omdat Lully evenals Couperin in dienst was van Lodewijk XIV en vanuit die niet minder achtenswaardige positie grote invloed uitoefende op niet alleen het Franse muziekleven, maar ook nog verder over de landsgrenzen heen.

François heeft een fundamentele rol gespeeld in het proces dat uiteindelijk twee volkomen verschillende muzikale stijlen, de Franse en de Italiaanse, met elkaar deed versmelten. En het is niet overdreven te stellen dat deze ‘fusion' van doorslaggevende betekenis is geweest voor de muzikale ontwikkeling in als buiten Frankrijk, waarbij Couperin voor het klavecimbel een ware voortrekkersrol zag weggelegd. De ‘Livres' die uit zijn pen vloeiden spreken wat dit betreft – ook in letterlijke zin – boekdelen. In Frankrijk was er, behoudens de gebroeders Couperin, niemand te vinden die zo oorspronkelijk en zo gevarieerd voor dit toetsinstrument konden componeren.

De Franse clavecinist Bertrand Cuiller (1978, hij studeerde ondermeer bij Pierre Hantaï) beschikt over een vergelijkbaar muzikaal en technisch arsenaal als de ‘professeur de clavecin', de éminence grise van het klavecimbel, Blandine Verlet (1942). En dat wil wat zeggen. Hoeveel melodische en harmonische verbeelding ligt er niet in deze muziek besloten en hoezeer komt het aan op verfijning en melodische en harmonische kleuring, op ornamentatie en frasering. Met welke gloedvolle lyriek en in uiterste precisie maakt Cuiller dat allemaal waar! Maar ook pure klankschoonheid en diepgang gaan bij hem hand in hand. Hij laat het beste van zichzelf horen op een weliswaar niet historisch, maar wel schitterend klinkend instrument: een klavecimbel van Philippe Humeau, naar een anoniem gebleven Frans model uit het einde van de zeventiende eeuw. Hugues Deschaux legde het tot in de puntjes vast en Mathilde Genas zorgde voor een vlekkeloze bewerking. Dat in het cd-boekje de Franse tekst verre van vlekkeloos is afgedrukt wordt het (Franse!) label bij deze vergeven. Dit is deel 1 van wat uiteindelijk een integrale cyclus moet gaan worden. De eerste voortekenen daarvan zijn op zijn minst florissant te noemen!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links