CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2017

 

(F.) Couperin: L'Apothéose de Lully - Leçons de ténèbres*

Arcangelo: Katherine Watson* en Anna Dennis* (sopraan), Stéphane Degout (spreker), Sophie Gent en Bojan Cicic* (viool), Jonathan Manson en Anne-Marie Lasla* (viola da gamba), Thomas Dunford (luit), Jonathan Cohen (orgel)

Hyperion CDA68093 • 71' •

Opname: januari 2014 en maart 2013*, St Jude-on-the-Hill, Hampstead Garden, Londen

 

François Couperins artistieke credo was kort maar krachtig: 'de verbintenis tussen de Franse en Italiaanse stijlen moet de volmaakte muziek opleveren'. We vinden het in de uitspraak van Apollo in zijn 'Apothéose de Lully'. En dat voor een componist die was opgegroeid in het milieu van Franse organisten en dus de Franse orgelmuziek. Of misschien wel juist daarom.

François Couperin (1668-1733), beter bekend als Le grand ter onderscheiding van zijn muzikale familieverwanten (Louis (1626-1661), Charles (1638-1679), Armand-Louis (1727-1789), Marc Roger Normand (1663-1734) en Nicholas (1680-1748) was de belangrijkste Franse componist in het tijdvak tussen Lully en Rameau. Ook de dames uit de Couperin-clan lieten zich op muziekgebied niet onbetuigd: Marie Madeleine (1690-1742) was organiste en Marguerite-Antoinette (1705-1778) hofclaveciniste. Maar François was bij alle andere hoedanigheden tevens de belangrijkste figuur uit de Franse klavecimbelschool.

In zijn muziek streefde hij naar een verzoening van de gracieuze, lyrische kwaliteiten van de Franse muziek zoals die tot uiting kwamen in de werken van Lully met de energiekere stijl van Italiaanse componisten als Corelli. Niet voor niets gaf hij een van zijn belangrijke instrumentale werken uit 1724 de titel Les goûts réunis (de verenigde stijlen, met de ondertitel Nouveaux concerts) en componeerde hij als eerbetoon aan dat tweetal componisten voor elk een Apothéose waarin hij hun harmonieuze leven in het hiernamaals van de Elysische velden verklankte.

Couperin is thans nog het bekendst om zijn vier banden met klavecimbelwerken, de Livres de clavecin uit 1713-1730 waarin hij onderverdeeld in 27 ordres zo'n 220 briljante miniaturen bijeenbracht, alle voorzien van vaak raadselachtige en niet zelden geestige, de fantasie stimulerende titels. Ze worden wel vergeleken met de vaak even elegante en raadselachtige schilderijen van zijn tijdgenoot Watteau. Hoewel deze stukken in wezen op dansvormen zijn gebaseerd, zijn de meeste ervan echte karakterstukjes, soms als portret van bepaalde met naam en toenaam genoemde individuen, soms als een uitbeelding van abstracties of natuurgeluiden, met fantasievolle titels als Les baricades mistérieuses (een van de bekendste), L'arlequin, Le croc-en-jambe en Les idées heureuses. Sommige zijn duidelijk descriptief, andere berusten op privégrapjes.

De expressiviteit van deze muziek wordt vergroot door een rijke versiering die - uitzonderlijk voor die tijd - nooit aan de fantasie van de vertolker is overgelaten, maar die precies is gespecificeerd. In sommige stukken maakt hij gebruik van de style brisé (de gebroken stijl) waarin niet alle noten uit een akkoord gelijktijdig, maar gespreid worden gespeeld, wat oorspronkelijk als imitatie van luitenisten gold.

De Couperins vormden een muzikale dynastie die vergelijkbaar is met die van de Bachs. De eerste baan die François kreeg als organist van de Parijse Saint Gervais kerk was al door zijn vader Charles en zijn oom Louis vóór hem bekleed en bleef in de familie tot 1826. Voor die kerk schreef hij als eerste van hem bekende muziek twee orgelmissen. Op 25-jarige leeftijd volgde hij zijn leraar, Jacques Thomelin, als een van de vier organisten van de koning op en een paar jaar later kon hij zijn positie aan het hof consolideren toen hij klavecimbelleraar werd van verschillende koningskinderen. Maar verder is eigenlijk niet zoveel bekend over zijn leven. Hij verwierf een familiewapen kort nadat hij aan het hof kwam en in 1702 werd hij tot ridder in de orde der Lateranen verheven. Jammer genoeg is niets van zijn correspondentie met J.S. Bach bewaard gebleven (vermoed wordt dat die brieven eindigden als afsluiting van jampotten), maar zoals blijkt uit zijn wel bewaarde brieven en uit zijn beroemde verhandeling over het klavecimbelspel L'art de toucher le clavecin moet hij een sardonisch gevoel voor humor hebben gehad. Misschien stond dat promotie aan het hof ten slotte in de weg totdat hij in 1717 de functie van d'Anglebert als klavecinist van de koning overnam; die functie bekleedde hij tot zijn dood in 1733.

Op kamermuziekgebied zijn het vooral de in band 3 van het Livre de clavecin uit 1722 ondergebrachte Concerts royaux voor klavecimbel of viool, fluit, hobo, viola da gamba of fagot en de acht Nouveaux concerts voor strijkers, blazers en continuo uit 1724 uit Les goûts réunis die met hun kleurigheid de aandacht trekken.
Maar haast nog boeiender zijn de twee suites uit de Pièces de violes voor viola da gamba en continuo uit 1728, een laat werk dus. Gambamuziek was ooit erg populair in Frankrijk, maar inmiddels wat in verval geraakt. De bewuste stukken van Couperin ontstonden een jaar na de dood van Marin Marais, de grote gambameester (en het onderwerp van de film Tous les matins du monde. Misschien schreef Couperin ze als laat eerbetoon aan Marais. Hoe dat ook zij, het gaat om heel charmante en vindingrijke muziek vanaf de weemoedige Prélude van de eerste suite tot de drukke activiteit van het slotdeel uit de tweede dat alweer zo'n raadselachtige titel meekreeg: La chemise blanche.

Hoewel het deze muziek mankeert aan de formele fascinatie en het rijke contrapunt van Bachs werken voor toetsinstrumenten, zijn de werken van Couperin persoonlijker en eigenzinniger met de nadruk op melodie en rijk geschakeerde stemmingen van het luchtige en elegante tot het duistere en ingetogene. Karakeristiek voor Couperins muziek is haar esprit en vindingrijkheid. Dat komt ook excellent naar voren in de reeds aangehaalde Concerts royaux uit 1722, maar ook in zijn 'Apothéose de Lully, die samen met de 'Apothéose de Corelli' in 1727 werd gepubliceerd. Of zoals de titel voluit luidt: 'Concert instrumental sous le titre d'Apothéose composé à la mémoire immortelle de l'incomparable Monsieur de Lully'. Onsterfelijk en onvergelijkbaar, dat waren kwalificaties die ertoe deden en die in deze prachtige muziek met haar rijk geschakeerde guirlandes en fijnzinnige 'agréments' de sublieme portuur oplevert die haar onsterfelijk heeft gemaakt. Stéphane Degout is de ideale verteller die de verschillende deeltjes met elkaar verbindt. Het bescheiden instrumentaal Arcangelo ensemble bestaande uit twee violen, viola da gamba, luit en klavecimbel maakt er een klankfeest van, Couperin en Lully waardig.

En dan zijn er de drie 'Leçons de ténèbres', lessen van duisternis, gecomponeerd tussen 1713 en 1717. Of anders gezegd: 'mon esprit est dans les ténèbres', mijn geest verkeert in duisternis. Het Latijnse 'tenebrae' staat ook voor duisternis. Het zijn de Klaagzangen van Jeremia die rond Pasen in de katholieke liturgie een belangrijke rol spelen. Het is de profeet Jeremia die treurt om de vernietiging van Jeruzalem. In de tijd van Couperin begonnen de plechtigheden in de Lijdensweek op woensdag, wat overeenkwam met de 'premier jour' van de 'Leçon de ténèbres à une et à deux voix'. De beide sopraanstemmen omlijst door luit, viola da gamba en orgel maken deze drie 'leçons' tot een onvergetelijke ervaring.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links