CD-recensie

 

© Jan de Kruijff en Aart van der Wal, april 2006

 

(F.) Couperin:
Trois leçons de ténèbres pour le Mercredi Saint.

Marais: Les voix humaines.

Visée: Les sylvains de Mr. Couperin.

La Sfera Armoniosa (Johannette Zomer en Anne Grimm [sopraan], Paulina van Laarhoven [viola da gamba], Menno van Delft [orgel], Mike Fentross [theorbe]).

Channel Classics CCS SA 20306 • 62' • (sacd)


François Couperin (1668-1733), beter bekend als Le grand ter onderscheiding van zijn muzikale familieverwanten (Louis (1626-1661), Charles (1638-1679), Armand-Louis (1727-1789), Marc Roger Normand (1663-1734) en Nicholas (1680-1748) was de belangrijkste Franse componist in het tijdvak tussen Lully en Rameau. Ook de dames uit de Couperin-clan lieten zich op muziekgebied niet onbetuigd: Marie Madeleine (1690-1742) was organiste en Marguerite-Antoinette (1705-1778) als hofclaveciniste. Maar François was bij alle andere hoedanigheden tevens de belangrijkste figuur uit de Franse klavecimbelschool.

In zijn muziek streefde hij naar een verzoening van de gracieuze, lyrische kwaliteiten van de Franse muziek zoals die tot uiting kwamen in de werken van Lully met de energiekere stijl van Italiaanse componisten als Corelli. Niet voor niets gaf hij een van zijn belangrijke instrumentale werken uit 1724 de titel Les goûts réunis (de verenigde stijlen, met de ondertitel Nouveaux concerts) en componeerde hij als eerbetoon aan dat tweetal componisten voor elk een Apothéose waarin hij hun harmonieuze leven in het hiernamaals van de Elysische velden verklankte.

Couperin is thans nog het bekendst om zijn vier banden met klavecimbelwerken, de Livres de clavecin uit 17313-1730 waarin hij onderverdeeld in 27 ordres zo'n 220 briljante miniaturen bijeenbracht, alle voorzien van vaak raadselachtige en niet zelden geestige, de fantasie stimulerende titels. Ze worden wel vergeleken met de vaak even elegante en raadselachtige schilderijen van zijn tijdgenoot Watteau. Hoewel deze stukken in wezen op dansvormen zijn gebaseerd, zijn de meeste ervan echte karakterstukjes, soms als portret van bepaalde met naam en toenaam genoemde individuen, soms als een uitbeelding van abstracties of natuurgeluiden, met fantasievolle titels als Les baricades mistérieuses (een van de bekendste), L'arlequin, Le croc-en-jambe en Les idées heureuses. Sommige zijn duidelijk descriptief, andere berusten op privégrapjes.
De expressiviteit van deze muziek wordt vergroot door een rijke versiering die - uitzonderlijk voor die tijd - nooit aan de fantasie van de vertolker is overgelaten, maar die precies is gespecificeerd. In sommige stukken maakt hij gebruik van de style brisé (de gebroken stijl) waarin niet alle noten uit een akkoord gelijktijdig, maar gespreid worden gespeeld, wat oorspronkelijk als imitatie van luitenisten gold.

De Couperins vormden een muzikale dynastie die vergelijkbaar is met die van de Bachs. De eerste baan die François kreeg als organist van de Parijse Saint Gervais kerk was al door zijn vader Charles en zijn oom Louis vóór hem bekleed en bleef in de familie tot 1826. Voor die kerk schreef hij als eerste van hem bekende muziek twee orgelmissen. Op 25-jarige leeftijd volgde hij zijn leraar, Jacques Thomelin, als een van de vier organisten van de koning op en een paar jaar later kon hij zijn positie aan het hof consolideren toen hij klavecimbelleraar werd van verschillende koningskinderen. Maar verder is eigenlijk niet zoveel bekend over zijn leven. Hij verwierf een familiewapen kort nadat hij aan het hof kwam en in 1702 werd hij tot ridder in de orde der Lateranen verheven. Jammer genoeg is niets van zijn correspondentie met J.S. Bach bewaard gebleven (vermoed wordt dat die brieven eindigden als afsluiting van jampotten), maar zoals blijkt uit zijn wel bewaarde brieven en uit zijn beroemde verhandeling over het klavecimbelspel L'art de toucher le clavecin moet hij een sardonisch gevoel voor humor hebben gehad. Misschien stond dat promotie aan het hof ten slotte in de weg totdat hij in 1717 de functie van d'Anglebert als klavecinist van de koning overnam; die functie bekleedde hij tot zijn dood in 1733.

Op kamermuziekgebied zijn het vooral de in band 3 van het Livre de clavecin uit 1722 ondergebrachte Concerts royaux voor klavecimbel of viool, fluit, hobo, viola da gamba of fagot en de acht Nouveaux concerts voor strijkers, blazers en continuo uit 1724 uit Les goûts réunis die met hun kleurigheid de aandacht trekken.

Maar haast nog boeiender zijn de twee suites uit de Pièces de violes voor viola da gamba en continuo uit 1728, een laat werk dus. Gambamuziek was ooit erg populair in Frankrijk, maar inmiddels wat in verval geraakt. De bewuste stukken van Couperin ontstonden een jaar na de dood van Marin Marais, de grote gambameester (en het onderwerp van de film Tous les matins du monde. Misschien schreef Couperin ze als laat eerbetoon aan Marais. Hoe dat ook zij, het gaat om heel charmante en vindingrijke muziek vanaf de weemoedige Prélude van de eerste suite tot de drukke activiteit van het slotdeel uit de tweede dat alweer zo'n raadselachtige titel meekreeg: La chemise blanche.

Hoewel het deze muziek mankeert aan de formele fascinatie en het rijke contrapunt van Bachs werken voor toetsinstrumenten, zijn de werken van Couperin persoonlijker en eigenzinniger met de nadruk op melodie en rijk geschakeerde stemmingen van het luchtige en elegante tot het duistere en ingetogene.

De esprit en de vindingrijkheid die zo karakteristiek is voor Couperins muziek, maakt in zijn gewijde koorwerken plaats voor iets veel simpelers en directers, hoewel de nadruk steeds blijft liggen op een fraaie melodiek. Het gaat om tamelijk kleinschalige werken naar het model van Carissimi en diens Franse leerling Charpentier. Het allermooist zijn de Leçons de ténèbres uit de periode rond 1714. Het gaat om toonzettingen van de Klaagzangen van Jeremia welke de drie dagen voor Pasen horen te worden uitgevoerd en die tot de trots van de Franse barokmuziek behoren. De titel, "lessen van schaduwen" slaat op het feit dat gedurende de kerkdiensten op die drie dagen de kaarsen successievelijk worden gedoofd om zo het lijden van Christus te symboliseren. (JdK).

Leçons de ténèbres

Johannette Zomer schreef in het cd-boekje:

"Nooit vergeet ik het concert in Brugge, zomer '98, waar we dit werk uitvoerden. Het komt wel vaker voor dat men op festivals werken uitvoert die qua religieuze beleving eigenlijk in een andere periode thuishoren. Zo ook hier .... temperaturen buiten begonnen tropische hoogten te vertonen, en ook al was de kerk aangenaam koel, hoe verkrijg je de juiste concentratie om stukken uit te voeren die eigenlijk thuishoren in de week voor Pasen?

Als men de partituur bekijkt ziet men dat er allemaal kleine pauzes voorgeschreven zijn. Ten tijde van Couperin werden die gebruikt om elke keer een kaars te doven, zodat men uiteindelijk in totale duisternis eindigt. We besloten hetzelfde te doen, van tevoren niet bevroedend welk groot effect het op ons concert zou krijgen. Met het doven van elke kaars nam niet alleen de duisternis toe, maar was er ook een toename in beleving te bespeuren, een balling van contemplatieve concentratie. Toen we uiteindelijk in totale duisternis eindigden hadden we samen met het publiek een muzikale reis afgelegd om nooit te vergeten."

Het was in Couperins dagen een vast ritueel: tijdens de dienst werd de ruimte uitsluitend verlicht door vijftien kaarsen op een driehoekig raamwerk. Na het einde van iedere psalm of lezing werd een kaars gedoofd en ten slotte eindigde de muziek in volslagen duisternis met psalm 50, het Miserere, volgens de telling van de Vulgaat, de door de rooms-katholieke kerk officieel aanvaarde Latijnse bijbelvertaling. Het is de symboliek van de afdaling van Christus.

V.l.n.r. Anne Grimm, Menno van Delft, Johannette Zomer, Mike Fentross en Paulina van Laarhoven.

De klaagliederen van de profeet Jeremia behoren tot de aangrijpendste bijbelteksten. De al vroeg tot het ambt geroepen zoon uit de priesters van Anathoth predikte vooral tegen de afgoderij en rouwde over de ondergang van Jeruzalem, de vernietiging van de tempel en de verbanning van de joden. Zijn negen klaagzangen vormen een van de hoogtepunten in de Bijbel. Aan het einde van iedere klaagzang roept hij zijn volk op zich tot hun Heer te wenden: Jerusalem, convertere ad Dominum Deum tuum.

Couperin schreef het volledige aantal van negen Leçons de ténèbres ofwel " lessen van schaduwen" (het Franse ténèbre komt van het Latijnse tenebrae = schaduwen of duisternis, wat ook verklaart dat het tijdens de lezingen langzaam donker wordt), drie voor elke dag, maar alleen de eerste drie voor Witte Donderdag zijn bewaard gebleven. Elk van deze 'lessen' begint met een brief der Hebreeërs die op vloeiende, haast sensuele wijze wordt gezongen; daarna is de vocale stijl een fusie tussen het declamatorische en het lyrische als uitdrukking van een ingehouden angst bij Jeremia's klacht en de val van Jeruzalem.

De inleiding van iedere les bestaat uit een gezang tot de psalm (antifoon), gevolgd door de psalm en vervolgens drie lezingen (het Franse leçon komt van het Latijnse lectio = lezing) uit de klaagliederen, afgewisseld met het gezang van de voorganger en het antwoordende koor (responsorium).

Couperin koos voor zijn Leçons voor een ronduit sobere bezetting die uit niet meer bestaat dan enige zangstemmen begeleid door basso continuo. De ware kracht van deze muziek schuilt dan ook niet in monumentaliteit, in 'het grote gebaar', maar in de enorme expressie en uitgekiende uitbeelding van de tekst. Het zijn de contemplatieve en dramatisch krachten die getuigen van treurnis, eenzaamheid en rouwbeklag, terwijl een milde glans door de ragfijn uitgewerkte pastelkleuren niet ontbreekt. De muziek roept herinneringen op aan Rembrandts met intense kleuren weergegeven visie op de klagende Jeremia.

Men kan deze uitvoering geen groter compliment maken dan door de woorden van Johannette Zomer te onderschrijven. In het gedempte licht van de kamer wordt die sfeer in de kerk in Brugge bijna tastbaar, waaraan de levensechte opname ook een belangrijk steentje bijdraagt. We horen hier superieure vocalistiek en ragfijne begeleidingskunst, die Couperins meesterwerk zeer indringend afbeelden, kortom een vertolking van de bovenste plank.

De beide korte aanvullingen worden op hetzelfde hoge niveau uitgevoerd en vormen daardoor een welkome aanvulling op het Franse barokrepertoire. (AvdW).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links