CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2020

Coluccino: Emblema 1 (voor fluit, basfluit, basklarinet, viool, altviool en cello) (2009/10) - Emblema 3 (voor fluit en viool) (2009/10) - Emblema 4 (voor viool, altviool en cello) (2011) - Emblema 5 (voor klarinet, viool, cello en piano) (2011) - Emblema 6 (voor basfluit, basklarinet en cello (2012) - Emblema 7 (voor fluit, klarinet, viool en cello) (2015)

Ex Novo Ensemble
Kairos 0015049KA • 53' •
Opname: januari 2017, Salono Rosso, abdij van Villa San Fermo, Lonigo, Vicenza (I) en Fazioli Concert Hall, Sacile, Pordenone (I)

* * *

Coluccino: Interni (voor fluit, basfluit, altfluit, contrabasfluit en elektronica) (2017/18)

Roberto Fabbriciani (fluit)
Kairos 0015062KAI • 48' •
Opname: maart 2018, EMA Vinci Studio, Fibbiana, Firenze (I)

 

 

 

 

 


Welluidendheid lijkt voor het eigentijdse componeren een belangrijke parameter te zijn geworden, mogelijk ingegeven door het geleidelijk aan groeiende besef dat voldoende publieke belangstelling een absolute voorwaarde is voor iedere componist die niet in een ivoren toren wil (blijven) wonen. Als er al niet een alledaagse drijfveer is: brood op de plank. Dat leidt helaas vaak tot muziek in de categorie dolce far niente: de componist die er weinig moeite voor heeft hoeven tedoen en het publiek dat zich er niet echt voor hoeft in te spannen. Muziek waarover zich een zekere mate van zonnigheid en mildheid uitstrekt, die meandert en vooral niet provoceert. Geen felle kleuren, geen schurende harmonieën, geen polyritmiek en al helemaal geen diep gelaagde vergezichten. Muziek die vooral sensueel, anti-vitaal en niet tegendraads is, vaak ook hyperverfijnd en vervuld van een bepaald esthetisch ideaal. Het is de absolute pendant van niet alleen de vaak zo verafschuwde piepknormuziek maar ook van die van de Tweede Weense School en van de atonaliteit überhaupt. Muziek dus die menigeen op de zenuwen werkt. Geen dodecafonie die uitmondt in kakofonie, geen uiterst moeizame overwinning op de ruimhartig uitgestalde complexe materie, maar een gemakkelijk toegankelijk idioom waaraan niemand aanstoot kan nemen.

Voor ‘minimal music' geldt als belangrijkste uitgangspunt dat alle veranderingen niet plotsklaps dienen plaats te vinden, maar langs de geleidelijke weg. Het is bijvoorbeeld verankerd in het standpunt van Steve Reich: “I'm only interested in music which exclusively works with gradual changes in time.” Het voordeel van dit concept (want dat is het) is dat de luisteraar zich er zéér bij op zijn gemak voelt. Immers, de confrontatie met plotsklaps optredende veranderingen blijft achterwege, er is geen sprake van ‘wilde' transities of links en rechts uitgedeelde vuistslagen, of van een van de hak op de tak springend koloriet. Muziek die het niet moet hebben van abrupte stemmingswisselingen en waarbij de ingelaste cesuren een welkome onderbreking vormen van het alsmaar vloeiende karakter ervan. De minuscule verschuivingen in tempo, toonhoogte, harmonie e.d. vragen niet zozeer om oplettendheid, want de luisteraar wordt toch wel beloond, uit hij misschien wel – bewust of onbewust - een zucht van verlichting omdat ‘er iets gebeurt dat er eerder nog niet was'.

Osvaldo Coluccino

In de muziek van Osvaldo Coluccino, componist én dichter, in 1963 geboren in Domodossola, op het grensvlak tussen Zwitserland en Italië, is minimalisme vrijwel synoniem aan condensatie. Tenminste, wat deze twee cd's aangaat. Het lijkt zo gecomponeerd, door het hoge abstractieniveau, het ontbreken van melodisch houvast en de stevige invloed van de microtonaliteit. Het is echter jammer dat per saldo in dit klankcodensaat te weinig gebeurt om de aandacht gevangen te houden. En dit ondanks een schijnbare vorm van ‘Naturlaut' (die, het spreekt vanzelf, heel ver afstaat van die bij Mahler), al is die dan gehuld in een veelal vrijwel bewegingloos (bezien van het ontbreken van een concrete ontwikkeling) en vaak bewust mistig gehouden landschap. Wie er zacht glooiende hellingen, alpenweiden of zelfs een monolitische bergklomp in hoort heeft wat mij betreft evenzeer gelijk als degene die er alleen maar een langgerekt wandelpad of zelfs helemaal niets in hoort. Hoe origineel is hiermee vergelekenJanáceks sterk idiomatische en zelfs folkloristische 'Op een overwoekerd pad' of 'In de mist'!

De effectiviteit van de microtonaliteit laat zich het beste realiseren door strijk- en blaasinstrumenten en dat is hier ook het geval: in het ensemblewerk ‘Emblema' (al komt er in het vijfde deel ook een piano aan te pas) als in het voor diverse soorten fluiten en elektronica geschreven ‘Interni'. Het zweverige element in deze muziek maakt mogelijk dat altijd weer wonderbaarlijke gevoel van ontspanning en rust bij sommige toehoorders los, maar al die ruisende en nooit schurende klanken leveren geen expressieve kern op die beklijft. Dat is overigens het ‘probleem' (of bezwaar) van veel van dit soort muziek: de pretentie van het substantiële ontbreekt, wordt zelfs niet eens nagestreefd. Het draait alsmaar om koloriet en bijzondere instrumentencombinaties (in zowel het soms bijna weberiaanse ‘Emblema' als ‘Interni').

Er is waarschijnlijk wel een belangrijke markt voor dit soort klanken. Wat dit betreft wint Coluccino het misschien zelfs wel van de 'minimalistische' Webern ( in het sterk gecondenseerde 'Emblema' lijkt diens Symfonie op. 21 model te hebben gestaan). Inhoudelijk blijft hij echter op grote afstand van deze grote muziekvinder. Met de documentatie van de beide albums is het dik in orde: niet alleen is sprake van een goede uitleg, maar ook zijn er de notenvoorbeelden die het een en ander verduidelijken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links