CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2019

Chopin: Pianosonate nr. 2 in bes, op. 35 - nr. 3 in b, op. 58

Nicolas van Poucke (piano)
Gutman Records 2018-LP3 • 52' • (lp)
Opname: juni 2017, Westvestkerk, Schiedam

   

Het komt tegenwoordig nog slechts zelden voor: de postbezorger aan de deur met een vrijwel plat pakje van zo'n 40 tot 50 cm in het vierkant. Toen het me vorige week sinds jaren toch overkwam, schoot het gelijk door mij heen: dat moet een heuse lp zijn! De bezorger grijnzend: “Ha ha, weer eens wat anders!” Dat is nu het aardige van de lp: door het typisch afwijkende formaat herken je dat vinylwonder meteen, zelfs dwars door het karton heen. Maar wie stuurt er vandaag de dag nog een lp? Zeker, vinyl is ‘in', het aantal enthousiaste aanhangers is sterk groeiende en het gat in de markt is door producenten, maar ook musici al lang en breed ontdekt. We bespreken echter slechts zelden lp's omdat ze nu eenmaal slechts mondjesmaat ter recensie worden aangeboden en er – een uitzondering daargelaten - geen aanleiding bestaat om ze voor dit nobele doel zelf dan maar zelf aan te schaffen.

Onvergelijkbaar…
Na opening nog meer verbazing: geen briefje, geen kaartje, geen enkele aanwijzing van wie die lp afkomstig zou kunnen zijn. Op de cover, breed uitgemeten: ‘Nicolas van Poucke – Chopin – Sonates 2 & 3'. De producent: Gutman Records. Wat lag er dus meer voor de hand dan met Gutman contact te zoeken? Nee, die had de lp niet gestuurd. Misschien de pianist zelf? Het adres van Nicolas van Poucke (Baarn, 1992) zit in mijn bestand en binnen een paar minuten had ik al zijn antwoord: hij was het, hij had de lp spontaan aan mij toegezonden. Mijn postadres had hij uit de database van Gutman gehaald. Hij vroeg mij niet om de lp voor de site te bespreken, maar het lag natuurlijk voor de hand dat ik dit wel zou doen. Er blijkbaar op gokkend of van uitgaand dat ik (nog) wel over een platenspeler ‘met aanhang' beschikte. Ik stelde hem de voor de hand liggende vraag of ik misschien ook de cd kon krijgen? Nee, die was niet gemaakt. Hè? Niet uit kosten- of andere commerciële overwegingen, maar gewoon, omdat hij volledig in de ban was geraakt van die zo bijzondere klank waartoe alleen de grammofoonplaat volgens hem in staat was. In zijn eigen woorden: ‘De lp is wat kwaliteit betreft onvergelijkbaar met cd's en andere digitale dragers. De muziek bloeit veel meer op, het is zo levendig, zo helder, zo zangerig, zo intens, maar vooral: zo organisch. Als ik een plaat van Rubinstein opzet dan is het net alsof hij hier in de kamer zit te spelen. Daarnaast is het ritueel van het opzetten iets heel fijns: de plaat uit de hoes, de plaat op de draaitafel, voorzichtig de naald erop, en dan die ruis voordat de muziek begint… prachtig!'

Psychologie
Ik kreeg prompt angstvisioenen. Terug in de tijd, jaren tachtig en begin jaren negentig. Als medewerker van het muziektijdschrift ‘Luister' hield ik wekelijks telefonisch ‘audiospreekuur'. Welnu, u wilt niet weten wie ik dan aan de lijn kreeg. Gelukkig veel goedwillende, bedachtzame, wel of niet pijprokende muziekliefhebbers, maar helaas ook de nodige fanatici, de audioneuroten met hun ongrijpbare neuroses, en altijd mannen waar ik alleen met veel moeite vanaf kon komen, maar toch met enige egards ‘behandeld' moesten worden omdat ze nu eenmaal abonnee waren. Muziek leek voor de meeste van hen overigens bijzaak: ze gebruikten de muziek om naar hun apparatuur te luisteren..

In het verlengde daarvan herinner ik mij nog levendig die vaak eindeloze discussies, maar ook de tirades over de – wel of niet hoorbare – verschillen tussen lp en cd, buis en transistor. Het was niet meer dan het topje van de ijsberg, maar lastig genoeg. Wat ik in die tijd wel al snel leerde was de invloed van de psychologie op de luisterervaring. Wat ook bleek was dat veel van die bellers er geen flauwe notie van hadden hoe muziek in werkelijkheid, dus live klonk. Ze gingen nooit naar een concert en vonden de muziek thuis, vanuit hun leunstoel voldoende. De enige vergelijking was voor hen de eigen vergelijking, het soort eenrichtingsverkeer dat het het eigen oordeel al behoorlijk doet vertroebelen. Ik voelde me daarmee vergeleken enigszins in een bevoorrechte positie, want niets boeiender dan in een opnamestudio naar de live voortgebrachte muziek luisteren om dan binnen luttele seconden in de afluisterkamer een geheel andere luisterindruk op te doen. Ik heb het ontelbare keren meegemaakt. Sterker: soms vond ik het klankbeeld in die afluisterkamer mooier dan in de zaal! Tja…

LP boven alles
Het is volkomen helder: Nicolas van Poucke gelooft onvoorwaardelijk in de suprematie van de lp en ik ben werkelijk de laatste om hem dat recht te ontnemen of te ontzeggen. Maar om nu zelf voor de zoveelste maal die proef weer op de som te nemen… Om toch enigszins te kunnen vergeijken vroeg ik hem om het oorspronkelijke registratiemateriaal, in wav-formaat. Voor wie het niet weet: het Waveform Audio File Format , kortweg wav, werd ontwikkeld door Microsoft en IBM als standaard voor het compressieloos (‘lossless') opslaan van de audio bitstream op de pc (voor Macintosh ofwel Apple computers is een vergelijkbaar formaat daarvoor aangewezen: AIFF). In de meest eenvoudige termen: het betreft opgeslagen geluid waarmee (verder) niet is gerommeld.
Welnu, dat wilde Nicolas wel doen en dus stuurde hij mij de audiobestanden en dan maar liefst met een hoge resolutie: 96kHz, 24-bit. Niet alleen in theorie beter dan de standaard cd-kwaliteit (44.1kHz, 16-bit) en aldus tegen ‘analoog' aanschurkend. Waar nog bijkwam dat de opname was gemaakt door niemand minder dan Guido Tichelman, een van de beste muziekregisseurs die ons land rijk is, in dit project samenwerkend met de geluidstechnicus Bastiaan Kuijt. De piano mocht er ook zijn: een heuse Steinway D, door de pianotechnicus Ehud Loudar in perfecte staat van paraatheid gebracht (en, het spel van Van Poucke in aanmerking nemende, tijdens de sessies ongetwijfeld meerdere malen onder handen genomen).

Editing Time = Quality Time!
Guido Tichelman en Nicolas van Poucke

Zo bezien leek daar in Schiedam aan alle voorwaarden te zijn voldaan om er een fenomenaal klankfestijn van te maken. Hoewel: The proof of the pudding is in the eating, zeggen de Engelsen. Welnu, het bleek alras dat deze ‘pudding' meer dan voortreffelijk smaakte, zowel de lp als de wav-bestanden. Daarmee vergeleken bleek – eigenlijk zoals verwacht – de klank op Spotify daarvan slechts een flauw aftreksel te zijn.

Naald en groef
Was er een hoorbaar verschil tussen lp en wav-bestand? Welzeker, maar kunnen daaraan dan houdbare conclusies worden verbonden? Misschien alleen als men bereid is af te dalen in het domein van de onvergelijkbare parameters. Het begint al bij de platenspeler en zijn periferie. Ik gebruik al jaren een Micro Seiki DD-40 (het ‘direct drive' type, dus geen snaaraandrijving), met daarop gemonteerd een Stax UA-7CF (carbon fibre) pickup-arm met daarin afgeregeld het Stanton 981HZS pickup-element. Het geheel is aangesloten op een pickup-voorversterker van Meridian. Je zou kunnen zeggen: technisch het neusje van de zalm; en zo klinkt het ook (wie meer wil weten over het draaien van grammofoonplaten en wat daar zoal bij komt kijken verwijs ik graag naar de vele artikelen op onze site over dit onderwerp van collega Wim Koekebacker). Maar hoe goed ook, aftastvervorming is onvermijdelijk, maar die kan zelfs als prettig worden ervaren (zoals dat geldt voor sommige vormen van vervorming). Er is het fysiek contact tussen naald en groef en er zijn de mechanische eigenschappen van arm, pickup-element en het vinyl die in de weergave een betekenisvolle rol spelen. Terwijl naarmate de arm-elementcombinatie zich verder in de richting van het label beweegt, de aftastvervorming door de onvermijdelijk optredende radiale versmalling alleen maar kan toenemen. Daar heeft de cd geen last van. Maar het puur door de natuurkunde bepaalde voordeel van de lp boven de cd: het speelt zich van begin tot eind in het analoge domein af. Al is dat niet het hele verhaal, want er is toch die digitale adder onder het analoge gras...

Complexe metamorfose
Het wordt vaak over het hoofd gezien dat de op veel lp's verankerde opname digitaal tot stand is gekomen. En dat ‘digitaal' in dit geval altijd betekent: een bewerkingsfase die zich buiten het analoge domein afspeelt. Ga zelf maar na: de microfoons pikken het analoge geluid op, waarna het via de bekabeling naar de analoog-digitaalomzetter (de zogenaamde A/D-converter) wordt gevoerd om ten slotte digitaal te worden opgeslagen. Die informatie wordt later eveneens digitaal bewerkt en op cd gebrand. Via de perserij komt het product uiteindelijk bij u terecht omhet thuis weer hoorbaar te maken, maar dan in de omgekeerde volgorde met behulp van de digitaal-analoogomzetter (D/A-converter) in uw cd-speler. Het hoeft geen betoog dat binnen die gehele digitale keten, tussen analoge optekening en analoge weergave, er van alles mis kan gaan en soms ook misgaat; nog afgezien van de mogelijke wel of niet hoorbare verliezen die in dat traject zijn opgetreden. Iets soortgelijks doet zich overigens voor als van de lp een cd wordt gebrand.

De kwaliteit van de weergave thuis is dus mede afhankelijk van de eisen die aan de daaraan voorafgaande keten (van opname tot weergave) worden gesteld. Hoe hoger de eisen en des te beter de zorgvuldigheid van de gevolgde procedures, des te beter de weergave thuis (die op zich weer afhankelijk is van de kwaliteit van de weergaveketen als geheel). Neem alleen al de klokgenerator in de cd-speler, die echt een perfecte 44.1 of 96kHz frequentie moet leveren. Het slechts één aspect van een buitengewoon complexe gedaanteverwisseling van analoog naar digitaal en weer van digitaal naar analoog die uiteindelijk moet leiden tot een grootse klank- en daarmee muzikale belevenis in (doorgaans) de huiskamer. Wie in diezelfde huiskamer tussen lp- en cd-weergave wil vergelijken, moet wel beseffen dat dit meer weg heeft van het vergelijken van appels met peren dan van een betrouwbare beoordeling. De auditieve en psychologische aspecten die met een dergelijke vergelijking samenhangen vermeld ik dan nog niet eens.

Het eigen gelijk
Wat telt uiteindelijk? Niet de studieboeken onder de noemer ‘digitaal versus analoog', niet de verhalen van anderen, zelfs niet de mening van deskundigen, maar puur en alleen de eigen klankbeleving. Wie de lp boven de cd of omgekeerd verkiest doet dat op basis van het eigen gelijk. Daar staat niets of niemand tussen. Dat geldt uiteraard ook voor mij, al is en blijft het een leuke bezigheid om een vergelijking aan te gaan op basis van het beschikbare materiaal, zoals in dit geval de lp en de wav-bestanden.

De Chopin-lp is een staaltje technisch vernuft dat door Gutman met de grootste zorg blijkt te zijn omgeven. Een perfecte inloopgroef, geen gespetter, geen gekraak, ruim gesneden en zonder storende vervorming (op de meetbank ziet dat er, zeker vergeleken met de cd, bepaald anders uit!). Het klankbeeld vertegenwoordigt het beste wat met de lp bereikbaar is. Daarmee geef ik Van Poucke overigens niet zomaar gelijk, want de wav-bestanden laten horen dat er (nog) meer dynamiek (wat iets heel anders is dan luidheid!) en akoestische ruimte in de opname zit, zonder hinder te ondervinden van de zo vaak genoemde ‘digitale koelte' die met het medium cd wordt geassocieerd. Dat Van Poucke in zijn beoordeling wat mij betreft toch meer dan slechts hij het voordeel van de twijfel krijgt, komt door zijn vak: hij is de musicus, hij zit achter de vleugel, kent zijn spel, het instrument en de akoestische ruimte als geen ander en heeft zijn oordeel over de lp geheel of mede daarop gestoeld. Ik kan daarvan slechts afzijdig blijven (was er niet bij) en slechts oordelen aan de hand van mijn ‘thuissituatie'. Daarmee zijn we terug bij de stelling dat eenieder zijn eigen gelijk heeft, mag hebben.

Dit onderdeel afrondend: hoe simpel kan het zijn? Gewoon terug naar het eigen oordeel op basis van de eigen weergaveteken en daarmee de eigen keus voor dit of voor dat. Voorkeuren laten zich niet in beton gieten. Wat in dit geval overigens geen andere opties openlaat dan aanschaf van de lp of luisteren via een muziekdienst als Spotify (het laatste met duidelijk kwaliteitsverlies). Heel eigenwijs, maar wel gerechtvaardigd koos Van Poucke voor ‘zijn' Chopin, daarbij geholpen door een succesvol verlopen crowdfunding, voor de lp als enige muziekdrager.

In het rijk der fabels
In audioland wemelt het van de fabels waarmee argeloze consumenten onnodig op vaak hoge kosten worden gejaagd. Hearing is believing is zeker niet altijd waar. Maar ook in die zo rijke muziekgeschiedenis liggen de verzinsels en nooit bewezen anekdotes bij wijze van spreken voor het oprapen.

Onlangs verscheen een nieuwe biografie van de grote Pool die met nog tienduizenden landgenoten - aangewakkerd door de Russische massaslachtingen, vernielingen en onteigeningen na de Poolse opstand in 1831 - elders in Europa zijn toevlucht zocht en in Parijs belandde: Frédéric Chopin. Of op zijn Pools: Fryderyk Chopin, A Life and Times, geschreven door de biograaf die al eerder een vergelijkbare mammoetstudie aan Franz Liszt had gewijd: Alan Walker. Uitgegeven door Farrar, Straus & Giroux, ISBN 9780374159061, telt het lijvige, stevig gebonden boekwerk maar liefst 768 pagina's. Een boek dat ook om een andere reden tegen de tand des tijds bestand lijkt, want voor zover ik dat kan beoordelen is dit de beste en meest uitgebreide studie tot nu toe en waarschijnlijk nog tot in de verre toekomst.
Natuurlijk weten we al veel over Chopin, maar Walkers diepgaande onderzoek en bijbehorende analyses hebben desalniettemin veel nieuwe feiten en feitjes aan het licht gebracht, wat er mede toe heeft geleid dat er nogal wat heilige huisjes omver worden gekegeld en tamelijk veel dat decennialang als vaststaand werd aangenomen door Walker - wetenschappelijk gefundeerd en mede gestoeld op actueel Pools onderzoek – nu dan toch eindelijk naar het rijk der fabelen kan worden verwezen. Ach, waarheid en verdichting, ze liggen zo dicht bij elkaar...

Het begint al bij de naam: ‘Frédéric'? Dat is Frans. ‘Fryderyk'? Dat is Pools. ‘Chopin'? Dat is Frans. Of op zijn Pools? Er zijn nogal wat Poolse varianten: ‘Szopen' (volgens zijn leraar) of ‘Choping' (volgens zijn moeder), maar ‘Choppen' komt in de Poolse annalen eveneens voor. Ook Walker slaat uiteraard de zo vertrouwde, belangrijkste piketpaaltjes op zijn lange ontdekkingsreis: de mazurka (Poolse dans), George Sand, Mallorca, tuberculose, toen een dodelijke ziekte, podiumangst (bij Chopin had dat in Parijs zelfs exorbitante vormen aangenomen), Chopins onhandigheden (ook in zijn omgang met vrouwen) en – het wordt ditmaal niet besmuikt verteld – de ziekte van Chopin als besmettingshaard voor zijn leerlingen (de jeugdige Karoly Filtsch was er in ieder geval een van), zoals ook de dokter die geruime tijd bij hem inwoonde eraan bezweek. Was dat de componist kwalijk te nemen? Walker geeft al het antwoord: nee, want TBC werd toen niet geacht besmettelijk te zijn.

Chopin in ca. 1848 (daguerreotypie, Louis-Auguste Bisson)

Maar waarmee in het boek ook wordt afgerekend is met het steeds weer terugkerende, maar onjuiste beeld van de weke, bijna vrouwelijke componist die voortdurend lijkt te zijn omgeven door een zoete bloemengeur, smachtende dames en parelende pianoklanken. Zoals ook het ons zo vertrouwde beeld van de halve Pool aan gruzels gaat, want anders dan in vorige biografieën - Walker is in dit opzicht waarschijnlijk de eerste van de niet-Poolse biografen! - blijft Chopins Poolse achtergrond door de gehele biografie heen een onbetwistbaar belangrijke rol spelen. Maar het meest wezenlijke is wellicht toch dat Walkers biografie ook de componist Chopin in een overtuigender perspectief plaatst, zowel als individu als in het licht van zijn tijd, samen optrekkend. Wie eenmaal het werk heeft gelezen gaat mogelijk anders naar Chopins muziek luisteren, ontstaat geleidelijk aan een heroriëntatie die heilzaam zou kunnen uitpakken. De mens en zijn muziek, ze zijn immers onverbrekelijk met elkaar verbonden. Een eenvoudig voorbeeld: de beroemde ‘Regendruppel'-prélude, geschreven in zijn kloostercel op Mallorca, met de stevig sigaren rokende George Sand is helemaal niet geïnspireerd door het gestaag neerdruppelen van de regen op het dak van zijn onderkomen in dat klooster van Valldemossa (ja, het regende er vaak en doet dat nog steeds). Dat kamertje heeft namelijk nog een ruime etage boven zich en het is uitgesloten - zo leerde mij een bezoek van een paar decennia terug - dat zelfs het geluid van een stevige regenbui niet tot die cel had kunnen doordringen. Waarheid en verdichting, ze liggen ook op de loer in George Sands Histoire de ma vie, het boek dat ruim vijf jaar na de dood van Chopin verscheen.

Grootheid in het magisch kwadraat
De muziek, daar gaat het in eerste en laatste instantie toch om. De muziekgeschiedenis kent een groot aantal eminente Chopin-vertolkers, waarbij de - altijd persoonlijke - voorkeur voor de een overigens niets zegt over de - altijd persoonlijke - afkeur voor de ander. Er borrelt wel een groot aantal onbetwist illustere namen op: Carl Tausig, Alfred Cortot, Benno Moiseiwitsch, Dinu Lipatti, Arthur Rubinstein, Vladimir Ashkenazy, Solomon, Krystian Zimerman, Claudio Arrau, Murray Perahia, Martha Argerich, Maurizio Pollini, Maria João Pires en Svjatoslav Richter. En dat zijn ze dan niet eens allemaal. Wat ze van elkaar onderscheidt: dat ze ieder voor zich de weg naar een eigen interpretatie hebben gevonden en daarmee een unieke verklanking wisten te realiseren.

Nicolas van Poucke
Zorgt ook hij voor een unieke verklanking? Wat mij betreft bestaat daarover geen enkele twijfel. Wat daarbij wel helpt is het net zo unieke karakter van Chopins drie pianosonates (de eerste in 1828, de tweede in 1839 en de derde in 1844, vijf jaar voor zijn dood), en dan met name het uitermate grillige karakter van de laatste twee. Daarin is het gedaan met de strenge sonatevorm, met ingehouden of keurig afgewogen energie, laat staan dat er nog een zweem van eendimensionale intimiteit in valt te herkennen. Er wordt in deze muziek zo ontstellend veel en ook nog in een snelle opeenvolging aan de orde gesteld dat het bij een eerste of tweede beluistering doet duizelen. Muziek die langs afgronden gaat, het demonische niet schuwt, maar ook, zoals in de tweede sonate, sterk monolitische trekken vertoont. Het dualisme viert hoogtij, waarbij het niet meer gaat om uit uitspelen van contrasten op basis van toonaarden, maar veel eerder om de hoogst inventieve creatie van thematische tegenstellingen die in de doorwerking met een enorme energie worden geladen.

Nicolas van Poucke

Dat blijkt nu een kolfje naar de handen van de uiterst geconcentreerde Van Poucke te zijn. Hij durft risico's te nemen, zet spontaniteit boven aan zijn ranglijst vol expressie, staat niet lang stil bij details, maar laat ze wel in hun volle glorie meebeleven. Muziek die zich ontplooit als een onverwacht voorbijtrekkende wervelwind die het raamwerk nog net niet uit zijn voegen stoot, maar daarnaast ook rijke momenten biedt van onaardse verstilling en van een in de hoogste lyriek gevat sotto voce. Afwisselend strijdlustig en poëtisch, de pianistieke krachten verdelend tussen spanning en ontspanning, aangesterkt door naturel aangebrachte versnellingen, vertragingen en cesuren, beredeneerd vanuit de kiemcel, het motief en vervolgens bijna uitdagend toewerkend naar een overweldigend discours van beethoveniaanse proporties, soms voortrazend alsof de duivel hem op de hielen zit, maar toch volmaakt in balans. Bij Van Poucke zit er geen streep licht tussen vorm en inhoud. Een goed voorbeeld daarvan is de manier waarop hij zonder de pure schoonheid van de melodie in de rechterhand verbindt met de harmonische complexiteit of de ingewikkelde polyfonie in de linkerhand. Het is de ‘methode' of het ‘model' zoals we dat van Beethoven zo goed kennen: iedere zweem naar sentimentaliteit in de melodie wordt door de harmonie als het ware opgeheven. Het is niet alleen Chopin, maar ook de onvolprezen Van Poucke die met zijn spel duidelijk maakt dat Artur Schnabel onzin verkondigde met zijn opmerking dat Chopin een ‘rechtshandig genie' zou zijn. Hoe fascinerend kan het zijn, als Van Pouckes Chopin-stijl voorstellingen oproept die een ‘verhaal' lijken te suggereren, maar waar geen vat op kan worden gekregen. Het heeft iets caleidoscopisch, iets mysterieus, iets onaantastbaars, maar dit o zo kleurrijke spel is bovenal aangrijpend. Guido Tichelman en Bastiaan Kuijt zorgden voor de daarbij passende, imposante omlijsting. De Steinway D is sonoor en sprankelend vastgelegd.

Dit is Nicolas van Pouckes tweede cd. De eerste, verschenen in 2013, was gewijd aan Bach, Beethoven en Brahms, een keuze die samenhangt met zijn, van Hans von Bülow geleende, muzikale credo: ‘Ik geloof in Bach de Vader, Beethoven de Zoon en Brahms de Heilige Geest'. Ook die opname werd gemaakt in de Westvestkerk in Schiedam, door het team van Guido Tichelman. Een cd die we nooit hebben besproken, wat ongetwijfeld te maken heeft met toen onvoldoende communicatie. Maar misschien komt het er nog eens van. Voor nu geldt dat het Chopin-spel van Van Poucke hoge verwachtingen voor de toekomst schept.

Rest nog te vermelden dat Nicolas met zijn zus, de celliste Ella van Poucke, ook muzikaal een hecht team vormt en dat ze momenteelin ons land op tournee zijn met Beethovens cellosonates.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links