CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2017

 

Chopin - Evocations - Daniil Trifonov

Chopin: Variaties op Mozarts 'Là ci darem la mano' op. 2 - Rondo voor twee piano's in C, op. post.* - Impromptu in cis, op. post. (Fantaisie-Impromptu)

Chopin/Pletnev: Pianoconcert nr. 1 in E, op. 11 - nr. 2 in f, op. 21

Schumann: Carnaval op. 9 nr. 12 (Chopin: Agitato)

Grieg: Étude op. 74 nr. 5 (Hommage à Chopin)

Barber: Nocturne op. 33

Tsjaikovski: Un poco di Chopin op. 72 nr. 15

Mompou: Variaties op een thema van Chopin

Daniil Trifonov en Sergei Babayan* (piano), Mahler Chamber Orchestra o.l.v. Mikhail Pletnev
DG 479 7518 2 • 62 + 78' • (2 cd's)
Opname: juli 2016 Regenbau, Rossini-Saal, Bad Kissingen (Rondo); april 2017, Friedrich-Ebert-Halle, Hamburg (solowerken); april en mei 2017, Konzerhaus, Dortmund (concerten)

   

Ik heb er zo langzamerhand geen idee meer van hoeveel uitvoeringen er van de beide pianoconcerten van Chopin in de catalogus staan (nog afgezien van het aantal dat door de tijd al lang en breed aan het gezicht is onttrokken), maar het moeten er héél veel zijn, en veel daarvan niet in de laatste plaats op het ‘gele label'. Maar ditmaal is er iets heel bijzonders aan de hand: de Russische dirigent, pianist en componist annex bewerker Mikhail Pletnov heeft de beide pianoconcerten in een nieuw orkestraal jasje gestoken. Waarom? Om er ongetwijfeld mee aan te tonen dat hij het beter kan dan Chopin zelf. Het is zeker niet de eerste en het zal zeker niet de laatste bewerking zijn, maar hoewel niemand zal ontkennen dat Chopin van die orkestpartij geen fonkelend festijn heeft gemaakt, wil dat nog niet zeggen dat er behoefte zou bestaan aan dat nieuwe jasje. Bovendien: iedere bewerking, hoe goed en integer ook op zich, rukt de historie van zo'n stuk danig uit zijn verband. Vaststaat in ieder geval dat wie zich eraan wil wagen wel heel goed beslagen ten ijs moet komen. Duidelijk is dat Pletnev door de bank genomen (slechts incidenteel is er een minder overtuigend moment) uitstekend werk heeft verricht, maar of het tot een echte ‘verbetering' ten opzichte van het origineel heeft geleid? Wat hierbij mogelijk minder in de kaart speelt is het simpele feit dat we gewend zijn aan de - door menigeen als zodanig beschouwde ‘grijze' - oorspronkelijke versie en dat het niet meevalt om ‘om te schakelen'. Een versie overigens die in het niet zo heel verre verleden menige dirigent tot het besluit bracht de orkestrale expositie in het openingsdeel van de beide concerten danig in te korten. Maar misschien is het ook wel zo dat als niet Pletnev, maar Chopin deze versie zou hebben gemaakt, we die zonder morren zouden hebben omarmd. Want vaak is de gevestigde naam nog belangrijker dan het resultaat dat daarmee is verbonden (wat we niet alleen van de muziek, maar ook van de literatuur en de beeldende kunst kennen). Toch, iedere bewerking is in feite arbitrair: waarom die en die passage aan de hoorns en niet aan de hobo's en klarinetten gegeven? Of waarom deze strijkerscantilene naar de fluit verplaatst? Men kan dat naar believen zelf wel invullen. Dergelijke vragen doemen bij het oorspronkelijke stuk slechts zelden op.
Dat geldt in zekere zin ook voor de tempokeuzes. In de beide pianoconcerten heeft Chopin duidelijk ‘maestoso' voorgeschreven, maar zowel de solist als de dirigent richten zich meer op een allegro (wat uiteraard een kwestie van opvatting is). Dat de instrumentatie ook een lichtere toets heeft gekregen impliceert bijna als vanzelfsprekend dat de beide openingsdelen daardoor minder gravitas meekrijgen. Terwijl paradoxaal genoeg toch herhaaldelijk passages opduiken waarin de muziek volledig dreigt te verzanden (probeer maar eens het openingsdeel van op. 21, vanaf zo'n 12 minuten). Dat laatste wordt dan geen kwestie meer van ‘gewenning', maar is niets anders dan een slaapverwekkend parcours.

De pianist Trifonov houdt niet van strak aangelijnd spel. Hij speelt weliswaar niet als eens Cortot, maar hij verbindt expressie wel degelijk met zowel het tempo in algemene zin als met specifiek aangezette rubati en accelerandi (terwijl we nooit precies zullen weten hoe Chopin zelf zijn muziek speelde). Dat is Trifonovs 'personal touch' die zijn uitwerking bepaald niet mist, en te meer daar van enige conceptloze willekeur (hier te vertalen als grilligheid) geen enkele sprake is.
Hij is zonder meer groots in het aanbrengen van contrasten en in dynamische verfijning: zoals hij dat klaarspeelt, doen (of kunnen!) slechts weinig pianisten. Wat overigens niet alleen een kwestie van techniek is, maar ook van muzikale empathie is. Gevoegd bij het parelende maar tevens gelaagde toucher is het beeld dat hieruit oprijst ronduit subliem. Wat nog niet wil zeggen dat ik alles wat hij doet geweldig vind. Mogelijk is dat mede een kwestie van het intuïtief aanvoelen van sommige stukken (of componisten), want Trifonovs Grieg, Barber en Tsjaikovski zou mijn eerste keus niet zijn: een wat strakkere maatvoering zou hier zeker wenselijk zijn geweest. Wat dan weer niet geldt voor zijn Mompou, want diens Chopin-variaties (gestoeld op Chopins Prelude nr. 7 in A, op. 28) krijgen zowel technisch als interpretatief een naar mijn smaak ideale vertolking. En ik zou zeker niet minder een lans willen breken voor zijn visie op Chopins Don Giovanni-variaties ('Là ci darem la mano'), die zelden zo lucide en tegelijk met zoveel aplomb zullen hebben geklonken. En dan is er het Rondo voor twee piano's, dat Trifonov speelt met zijn vroegere leraar, de Armeens-Amerikaanse virtuoos Sergei Babayan. De vonken vliegen er bijna letterlijk vanaf, maar ook de poëzie ontbreekt geenszins in deze zeer evenwichtige uitvoering.

Al met al een nogal wisselend, maar wel degelijk ‘avontuurlijk' beeld van een eigengereide pianist die zich samen met het Mahler Chamber Orchestra in Pletnevs niet minder eigengereide orkestratie heeft ondergedompeld, maar ook daarbuiten met interessante inzichten is gekomen. Dat ik daarbij soms de wenkbrauwen moest fronsen, doet daaraan niets af. Wie alleen al Chopins pianoconcerten zo kan uitvoeren behoort echt tot de groten van het klavier. De DG-opname is ronduit schitterend. De Steinway D en het orkest zijn meesterlijk vastgelegd. 'True bass is never forgotten,' zei een Engelsman eens. Welnu, dan hier wel.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links