CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2023

Campra: Messe de Requiem

Rameau: In convertendo Dominus

Mondonville: In exitu Israel

Marie Perbost en Emmanuelle Ifrah (sopraan), Samuel Boden (countertenor), Zachary Wilder (tenor), (Victor Siccard (bariton), Le Concert d'Astrée o.l.v. Emmanuelle Haïm
Erato 5054197504686 • 89' • (2 cd's)
Live-opname: 20 nov. 2019, Chapelle Royale, Versailles

 

Het ligt misschien niet zo voor de hand, maar het blijkt wel degelijk een ‘gouden greep', het samenbrengen van de Messe de Requiem van André Campra (1660-1744) en motetten van respectievelijk Jean-Philippe Rameau (1683-1764) en - veel minder bekend - Jean-Joseph Cassanéa de Mondonville (1711-1772). Omdat het zowel tijdgenoten betreft als drie werken die in de vorm van het Franse ‘grand motet' hun weg naar de hoogste vorstelijke regionen hebben gevonden. Het blijkt evenwel niet eens lastig om zelfs nog een derde reden te bedenken: immers, de beide motetten dateren niet alleen van ongeveer dezelfde tijd als het Requiem, maar het lot van de mens hang er bovendien ten nauwste mee samen, met in de motetten de vervolging en gevangenneming van het joodse volk in Egypte door de farao (waarvan dan weer de door Mozes geleide uittocht het gevolg was), maar ook de Babylonische ballingschap. Dood en verderf, we weten het, het Oude Testament staat er vol van.

Campra's Requiem, gecomponeerd in 1723, heeft alle kenmerken van het dualisme waaraan de componist als ‘sous-maître' (een periodiek wisselende functie, verantwoordelijk voor de kerkmuziek) van de Chapelle Royale in Versailles toen ten prooi was: een mengeling van enerzijds plechtige mystiek en anderzijds de galante, menigmaal zelfs aan de 'tragédie' grenzende stijl.

Dat de algehele teneur van het werk een geheel andere is dan die van bijvoorbeeld Berlioz en Verdi ligt weliswaar in de schoot van de tijd besloten, maar laten we daarbij toch vooral niet uit het oog verliezen dat ook in de dodenmissen zoals die tot in het twintigste-eeuwse Frankrijk werden gecomponeerd bewust van exorbitante klankschilderingen (de Engelsen zouden misschien zeggen: 'pomp and circumstance') werd afgezien. Zo was bijvoorbeeld noch bij Gabriel Fauré (1845-1924), noch bij Maurice Duruflé (1902-1986) daarvan ook maar enige sprake, wat ongetwijfeld door degenen als een ware weldaad wordt beschouwd die niets moeten hebben van de massieve en luidkeelse erupties in de zich daarvoor zeker lenende (tekst)gedeelten van het Requiem, en dan met name het Dies irae en het Rex tremendae (hoe 'afschrikwekkend' kan het zijn!) En wie Mozart in herinnering wil roepen: hij hield de ‘gewraakte' passages toch vooral kort en bondig. In Campra's Requiem ontbreekt het Dies irae en beweegt het sfeervolle werk zich tussen devotie, bespiegeling, berusting en verlichting.

Rameau's In convertendo Dominus ('toen de Heer de gevangenen van Sion deed wederkeren'), gecomponeerd tussen 1713 en 1715, in een periode dat hij zich in het levensonderhoud voorzag als organist van de Jacobijnenkerk in Lyon, is het enige motet dan in het handschrift van de componist is overgeleverd. Rameau nam het stuk in 1751 nogmaals onder handen ten behoeve van het ‘Concert Spirituel' in Parijs. De deels van grote vreugde (men zou ook kunnen zeggen: opluchting) getuigende muziek vloeit rechtstreeks voort uit de Psalmen 68 en (zie hieronder) 125:

1 Een lied Hammaaloth. Die op den Here vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
2 Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de Here rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.
3 Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.
4 Here! doe den goeden wel, en degenen, die oprecht zijn in hun harten.
5 Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de Here weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn!

In het uit 1755 daterende In exitu Israel ('toen Israel uittoog uit Egypte') van Mondonville is Psalm 113 het uitgangspunt voor een niet minder rake sfeertekening:

1 Hallelujah! Looft, gij knechten des Heren! looft den Naam des Heren.
2 De Naam des Heren zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
3 Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HereN geloofd.
4 De Here is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.
5 Wie is gelijk de Here, onze God? Die zeer hoog woont.
6 Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.
7 Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
8 Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
9 Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!

Misschien is hier de overeenkomst met de tekst van het Requiem nog het sterkst, door de ook muzikaal beschreven , niet mis te verstane overgang van de dood naar het leven (opstanding) en daarmee verbonden hoop boven wanhoop.

Maar daarnaast is het uiteraard mogelijk om de drie werken ieder op de eigen merites te beluisteren en te appreciëren, een proces dat bovendien sterk in de hand wordt gewerkt door het extreem hoge uitvoeringsniveau dat de vijf vocale solisten en het koor en orkest Le Concert d'Astrée onder leiding van Emmanuelle Haïm hier ten beste geven.

Het zal de nodige voeten in de aarde hebben gehad, want hoewel gepokt en gemazeld in de historiserende uitvoeringspraktijk zal het Haïm cum suis niet zijn meegevallen om met name uit Campra's slecht bewaarde handschrift wat betreft de vereiste bezetting het nodige wijs te worden. Wel kon uiteraard worden teruggegrepen op de Franse instrumentale ‘mores' uit die tijd, met als strijkinstrumenten slechts viool, twee altviolen en violone. De Italianen hielden het in die tijd eveneens zeer bescheiden, met twee violen, altviool en violone. Van de houtblazers weten we dat de (alt)hobo veelal in trek was. Dat Haïm desondanks voor een heel wat groter ensemble koos (klik hier) is daarentegen zo vreemd niet, de omvangrijke Parijse Chapelle Royale mede in gedachte; en niet alleen ten tijde van de Zonnekoning (1638-1715), maar ook van vorsten na hem die evenzeer hielden van ceremoniële pracht en praal, wat zich ook uitte in zowel aard en karakter van de aan het hof klinkende composities als in de instrumentale bezetting. Dit dan in tegenstelling tot de bij de Chapelle Royale ondergebrachte Chapelle Oratoire, die toezag op de meer puristisch getoonzette godsdienstige verplichtingen, waaronder het gregoriaans gezang, zoals die dagelijks en wekelijks aan het hof werden gecelebreerd. En was er de Chapelle Musique die samen met twee andere onderdelen van de Franse hoforganisatie de rol van de ‘Musique du Roi' vervulde. Al die verschillende functies betekenden tevens grote instrumentale én vocale variëteit. Dat maakt de door Haïm voorgestane bezetting wat betreft aard en omvang binnen de gegeven historische context van minder belang dan menige purist wellicht veronderstelt.

Een steeds weer opdoemende vraag betreft het wel of niet gebruik van het vibrato, waarbij de meeste vertolkers inmiddels spaarzaamheid als hoogste gebod hanteren. Dat was in de eerste decennia (de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw) van de historiserende uitvoeringspraktijk zeker niet zo: het vibrato werd toen zelfs als ‘kwaal' bestempeld, diende tot iedere prijs vermeden te worden, maar naarmate de tijd vorderde groeide toch wel het inzicht dat het niet langer als ‘doodzonde' diende te worden beschouwd, wel degelijk - zij het uiterst spaarzaam - mocht worden toegepast (dus zeker niet, zoals in vrijwel alle traditioneel gevormde orkesten, op de ‘automatische piloot'). Als puur expressie verhogend middel, onder als bijzonder te kwalificeren omstandigheden. Dit is ook de lijn die Haïm heeft gevolgd, al plaats ik er incidenteel wel vraagtekens bij in die gevallen dat de in vibrato gedompelde expressie meer prioriteit krijgt dan vanuit de optiek van een volmaakt uitgebalanceerde instrumentale en vocale textuur wenselijk zou zijn geweest. Een representatief voorbeeld daarvan is het ‘Domine Jesu Christe' in Campra's Requiem. Een smetje? Het is in ieder geval ingebed in de opvatting van Haïm die groot respect afdwingt. Áls er überhaupt sprake mag zijn van kritiek, dan is dit echt het enige, want voor het overige mag de realisatie, ook opnametechnisch, ronduit meesterlijk worden genoemd.

Minder meesterlijk is het cd-boekje, dat excelleert in een schrijnend gebrek aan informatie ten aanzien van de uitgevoerde muziek. En dan te bedenken dat die is geschreven door de aan Le Concert d'Astrée verbonden Camille Bresch. Daar had bepaald veel meer van kunnen worden gemaakt. De gezongen teksten zijn alleen in de oorspronkelijke taal (Latijn) afgedrukt, evenmin een sterk punt. Ook de trackinformatie op de cd zelf ontbreekt, overigens nog steeds slecht gebruik bij de onder auspiciën van Warner Classics vallende cd-uitgaven.

De koor- en orkestbezetting, alsmede de gegevens omtrent het continuo (klavecimbel en orgelpositief) vindt u hier.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links