CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2018

 

Wagner: Siegfrieds Trauermarsch uit Götterdämmerung

Bruckner: Symfonie nr. 7 in E (Haas)

Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Andris Nelsons
DG 0289 479 8494 8 • 77' •
Live-opname: maart 2018, Gewandhaus, Leipzig

   

Onder Bruckners tien symfonieën (de ‘Nulde' is eveneens een volwaardige symfonie, hoewel dit nog steeds helaas vaak over het hoofd wordt gezien) gelden de Vierde en Zevende als ware succesnummers. En dan in de letterlijke betekenis. Anders dan aan de Vierde heeft Bruckner aan zijn Zevende achteraf nog slechts in bescheiden mate gesleuteld, met als belangrijkste revisie de toevoeging van bekkens, triangel en pauken ter versterking van de apotheose in het Adagio (Haas nam ze in zijn in 1944 gepubliceerde editie overigens niet op). Dan is er nog een bescheiden aantal relatief onbelangrijke revisies, zij het dat die helaas veelal over de oorspronkelijke notentekst zijn aangebracht, waardoor de oorspronkelijke tekst niet meer te achterhalen is. Vermeldenswaard in dit verband is nog dat de in 1885 aangebrachte wijzigingen weliswaar van Bruckners hand zijn, maar waarvan de herkomst als dubieus mag worden bestempeld: de correcties waren het gevolg van aanbevelingen van met name Schalk en Nikisch, na de door Nikisch geleide première op 30 december 1884 in Leipzig. Een bij Bruckner overigens geen ongebruikelijke handelwijze. Nowak was zo verstandig om deze aanpassingen in zijn editie van 1956 apart op te nemen.

Dankbaar object
Niet alleen in de concertzaal maar ook in de studio is Bruckners Zevende een dankbaar object. Dat het werk zo populair is heeft misschien minder te maken met het bijna metafysische karakter ervan, alswel met de direct aansprekende thema's, naast natuurlijk dat wonderschone, van diepe treurnis vervulde, ‘bronzen' Adagio, het dartelende, boertige Scherzo en de diep harmonische glans van de finale. Wat mogelijk eveneens heeft meegeholpen is het feit dat het werk zich gemakkelijker ‘ontrolt´ dan bijvoorbeeld de Vijfde, de Achtste en de Negende. Kortom, de Zevende is een bijzonder dankbaar werk voor zelfs de dirigent die het symfonisch oeuvre van ‘der Tonerl' niet direct op het lijf geschreven lijkt. Het is in de Zevende dat Bruckners typische ‘Periodenbau' en de daarmee verbonden transities minder lastig te realiseren zijn dan in bijvoorbeeld de Vijfde of de Achtste. Zelfs de vele spanningsbogen lijken zich organisch met een zekere mate van vanzelfsprekendheid te ontwikkelen. Het zeer welsprekend werk beweegt zich bijna voortdurend tussen gedoseerde plechtstatigheid en extatische jubel, de expressieve reikwijdte verloopt vanuit een schemerige diepte naar een zonovergoten landschap. Er is dus geen twijfel mogelijk: dit is Bruckner op zijn best.

Andris Nelsons dirigeert het Gewandhausochester Leipzig in Bruckners Zevende symfonie in het Gewandhaus te Leipzig (foto Gert Mothes)

Welke versie?
We zullen er nooit van afkomen: de discussies over de vele versies die de componist heeft achtergelaten. Nowak? Haas? Een mengsel van beide? Toch is er sinds kort veel beweging op het Bruckner-front: er wordt druk gewerkt aan een fonkelnieuwe uitgave: de ‘Anton Bruckner Urtext Gesamtausgabe', met de Zesde en Zevende symfonie als de eerste producties van dit grote project. De lat ligt hoog: ‘Wissenschaftlich-Praktische Ausgabe Sämtlicher Werke'. De beschermheer, de dirigent Nikolaus Harnoncourt, mag het niet meer meemaken, want hij overleed in 2016. De leiding van het project is handen van een van de meest gerenommeerde Bruckner-kenners: Benjamin-Gunnar Cohrs. Voor de lezers van onze site heeft hij geen introductie nodig. Ben stuurde mij de beide partituren met het verzoek ze te bestuderen en erover te publiceren. Dat houdt u dus van mij nog tegoed. Alvast belangrijk om te weten: de nieuwe uitgaven zijn gebaseerd op een geheel ander concept dan alle vorige. Andris Nelsons heeft er voor zijn opname van de Zevende helaas geen gebruik van gemaakt of kunnen maken: hij koos voor de reeds genoemde Haas-versie uit 1944, maar wel met toevoeging van bekkens, triangel en pauken in de climax in het Adagio. Wie liever de Nowak-versie had gehad heeft evengoed gelijk.

Ideale Bruckner-dirigent
Nelsons mag zich wat mij betreft een ideale Bruckner-dirigent noemen. Hij behoort – met bijvoorbeeld ‘onze' Jaap van Zweden – tot de weinige eigentijdse Bruckner-interpreten die precies weten waar Abraham de mosterd vandaan moet halen. Dat bewijst hij niet alleen in deze Zevende, maar deed hij al eerder in de Derde en de Vierde. De meesterlijke uitwerking van de grote lijnen maar ook van de contrasten maakt daarbij een belangrijk onderdeel uit van zijn geloofsbrieven als vooraanstaande Bruckner-dirigent: hij staat – om mijn collega Maarten Brandt te parafraseren – midden in het landschap maar heeft het volledige overzicht vanuit het ‘vogelperspectief'. Het is deze ‘helicoptervisie' die zowel de meest schitterende vergezichten als een uiterst gedetailleerde textuur oplevert. Dat de klankarchitectuur daarbij boven alle lof verheven is, spreekt bijna vanzelf. Hoe kan het ook anders met dit toporkest (ook in deze Zevende spelend in de Duitse opstelling: hulde!) dat vanuit een grootse en belangrijke traditie deze muziek tot diep in het merg gaat. Natuurlijk, Nelsons houdt van het werk: “The melodic lines in this symphony have a very particular and special beauty, and the work also has some extremely touching moments. From the first bar of the opening theme you feel embraced by the melody – it immediately captures the atmosphere of something very beautiful and warm.”

Zeker vergeleken met de bijna kosmische uitstraling die Sergiu Celibidache in zijn Bruckner-interpretaties wist te leggen, is bij Nelsons - en dat geldt in niet mindere mate voor collega's als Haitink, Van Zweden, Giulini, Blomstedt en Wandt - eerder sprake van een meer ‘aardse' Bruckner. Dat heeft niets te maken met meer of minder bevlogenheid, maar wel met de opvatting dat de symfonische architectuur dient te prevaleren boven een symfonisch uitdijend heelal. Dat maakt de verschillende interpretaties ook zo interessant. Bijvoorbeeld de nuchtere, bijna objectieve Klemperer die juist het thematisch graniet in Bruckner wilde benadrukken, maar zonder daarbij in een monolitisch interpretatief scenario te vervallen. Of Jochum die de bovenzinnelijke aspecten zoals hij die in Bruckners oeuvre meende te vinden, uitdroeg. Met aan de andere zijde van het spectrum de reeds genoemde Celibidache die ‘kosmische' traagheid tot (zijn!) norm verhief, maar zonder daaraan de pulserende spanningen in deze muziek op te offeren (overigens een ware kunst op zich en in handen van een mindere Bruckner-dirigent eenvoudigweg dodelijk).

Ademen
Ik denk dat iedere rechtgeaarde Bruckneriaan het zal erkennen: dat Nelsons de juiste ‘feeling' ervoor heeft, zowel planmatig als evocatief te werk gaat, daarbij zowel het gehele discours als het (relevante!) detail overziet en de dynamische proportionaliteit afzet tegen de melodische structuur. In de vele transities toont Nelsons zich bovendien de bruggenbouwer bij uitstek. Waaraan ten slotte nog kan worden toegevoegd dat hij zijn musici - hetzij schijnbaar, hetzij in werkelijkheid - de ruimte geeft om niet alleen de vele technische hoogstandjes af te leveren, maar ook interpretatief te ‘ademen', een aspect dat ik bij bijvoorbeeld Yannick Nézet-Séguin nogal eens mis. Breed, diep, flexibel, het zijn belangrijke kenmerken van Nelsons Bruckner.

En Wagner? Ik denk niet dat er sinds Furtwängler en Mravinski een indringender uitvoering van Siegfrieds ‘Trauermarsch' uit Wagners Götterdämmerung te vinden is dan deze onder Nelsons. Met slechts zo'n negen minuten lijkt het niet meer dan een geringe bonus, maar muzikaal is het veel meer dan dat. Dat geldt trouwens eveneens voor de ‘Wagner-aanvullingen' op de voorgaande twee cd's.

Tot slot de live-opname die wederom een ‘Meisterstück' kon worden dankzij producer en recording engineer Everett Porter van Polyhymnia in Baarn. Het pakt opnieuw uit als een imposant luisterfeest: helder, met een warme gloed en een stevig maar perfect gedoseerd basfundament. Niet minder belangrijk: er isvoortdurend het gevoel dat je naar en niet in het orkest ‘kijkt'. Ik weet het vrijwel zeker: dat gaat een geweldige integrale cyclus worden!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links