CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2016

 

Bruckner: Symfonie nr. 8 in c (oerversie 1887)

Philharmonia Zürich o.l.v. Fabio Luisi

Philharmonia Rec • 93' • (2 cd's)

Opname: oktober 2015, Kultur Casino, Bern

 

'Meine Achte ist ein Mysterium', aldus Anton Bruckner. Helaas is het dat vaak ook voor dirigenten. Ze weten de weg niet in dit complexe labyrint, zelfs niet sinds Hermann Levi Bruckner in september 1887 het bos instuurde en ook na consultatie van Josef Schalk niet op een andere gedachte kwam dan het gigantische werk doodleuk af te wijzen. Bruckner raakte, hoe kan het ook anders, daardoor in de put, want Levi was, zo weten wij, in Bruckners werkplaats Wenen bepaald niet de eerste beste.

Stevige ingrepen
Als de 'vaklieden' hun twijfels uitspreken gaat de componist bijna als vanzelfsprekend eerst bij zichzelf te rade. Ook Bruckner, die zo onder de indruk was van de kritiek dat hij besloot om de symfonie om te werken. Dat was de enige mogelijkheid om het nog tot een première te kunnen brengen. Hoe ernstig zijn eigen twijfels waren blijkt wel uit de adviezen die hij van heel wat mindere goden serieus tot zich nam. Daaronder de gebroeders Schalk, die ongetwijfeld het beste met Bruckner voorhadden, maar desalniettemin wel erg stevige ingrepen in de 'tekst' noodzakelijk achtten. Bruckner stond voor een helse klus, die hem een jaarlang in beslag nam: van 4 maart 1889 tot 10 maart 1890. En alsof dat nog niet genoeg was bracht Bruckner na de eerste druk in 1892 nog meer wijzigingen aan. Hij veranderde zelfs wat hij al veranderd had. Leopold Nowak publiceerde in 1955 van deze versie een kritische editie, met uiteraard de daarmee onverbrekelijk verbonden pianissimo slotmaten in het openingsdeel. De handschriften van beide versies zijn, zoals bij alle partituren van Bruckners symfonieën het geval is, bewaard gebleven. Jammer is dat in de bekende Nowak-editie de door Josef en Franz Schalk aangedragen coupures gehandhaafd zijn gebleven. Blijkbaar ging Nowak ervan uit dat Bruckner dit zo (ook) had gewild, een standpunt dat net zo arbitrair was als alle coupures en overige wijzigingen.

In 1892 was het wederom Schalk die Bruckner tot coupures aanzette en wijzigingen liet aanbrengen in de orkestratie en de stemvoering. Hans Richter dirigeerde de Wiener Philharmoniker op 18 december van dat jaar in de eerste uitvoering, met deze versie als uitgangspunt. De bewerking hield in de concertzaal en daarbuiten geen stand omdat de invloed van Schalk een duidelijk eigen stempel op deze versie drukt.

Verwarring
De verwarring omtrent de verschillende versies is ook in de hand gewerkt door Robert Haas, die in 1939 een editie samenstelde die bestond uit zowel de versie waaraan Bruckner tot 1887 werkte, als die uit 1890, waarin de door de gebroeders Josef en Franz Schalk aangebrachte coupures weer waren hersteld. De Haas-editie - die overwegend is gebaseerd op de versie uit 1890 - levert in die zin dus weliswaar meer muziek op, maar duidelijk is wel dat Haas op meerdere paarden wedde: zo herstelde hij passages die oorspronkelijk door Bruckner waren weggekrast en voegde hij een passage toe die Bruckner alleen in schetsvorm had nagelaten. Daarnaast werd een passage uit het Adagio uit de versie van 1887 ingelast en coupeerde hij nota bene dertien maten in de finale uit de versie van 1890 die Bruckner wel degelijk had neergeschreven.

Bruckners langdurige revisie is in sommige opzichten uitgelopen op een minder goed geslaagde poging om een soort synthese te bereiken tussen het materiaal uit de eerste en uit de tweede versie. Zoals Nowak het heeft uitdrukt: 'in instrumentatietechnisch opzicht een anachronisme', wat met name in het Adagio zijn diepe sporen heeft getrokken. Maar die vermenging heeft ook betrekking op de vormstructuur van het werk. Niet zonder reden geeft menigeen de voorkeur aan de oerversie, waarbij bij sommigen ook de gedachte heeft postgevat dat zónder Levi's afwijzende reactie er waarschijnlijk nooit een tweede versie zou zijn geweest; of althans geen tweede, ingrijpend gewijzigde versie zoals wij die nu kennen. Want waarom zou Bruckner ook, als het succes van de Vierde en Zevende hem ook met de Achtste zou hebben toegelachen?

Luisi in goede vorm
Eindelijk hebben we weer eens een 'oerversie' in handen die mag bogen op een ronduit meesterlijke interpretatie. Alles klopt, de hechte contouren van Bruckners 'Periodenbau', de aandacht voor het detail zonder verlies van spanningsopbouw en het grootse panorama, de dynamische nuancering, de opbouw van crescendi en decrescendi, de flexibele tempi, de balans tussen houtblazers, koper en strijkers en de ritmische onderbouw. Wat me bovendien verbaasde was dat een 'gewoon' (maar goed) operaorkest een dergelijk geacheveerd klanktapijt kan neerzetten. Alsof het zomaar voor de dirigent wordt uitgerold (wat uiteraard niet zo is), zo klinkt het. Een kleine oneffenheid vergeef ik dan graag.

Een sterk punt van deze vertolking is 'Zeit lassen' maar zonder te 'schleppen', het ook in archtectonisch opzicht sublieme werk echt de tijd te gunnen om zich in zijn volle pracht te kunnen ontplooien en om dan daarop verder te kunnen bouwen, Dat doet Luisi. Zijn interpretatie heeft met name iets metafysisch, als het al niet uit een andere wereld klinkt, dan toch wel ernaar toe. Er komt nog iets zeer belangwekkends bij: dit is een van de beste opnamen van de Achtste symfonie, in welke versie ook. Het koper is diep en machtig, het straalt voortdurend, de houtblazers met hun fraaie soli staan schitterend in de ruimte en de strijkersklank is gloedvol en verzadigd. Wat de meeste indruk maakt? Ik durf het niet te zeggen. Misschien het Adagio, 'ruhevoll' en 'liebevoll', een combinatie die het werk als geheel trouwens boven zichzelf uittilt. Met 92 minuten (een goede doorsnee) is de rust die ervan afstraalt meer dan bijzonder. En dat heeft met de gekozen tempi niets van doen. Doorslaggevend is de beheersing van dit o zo lastige parcours, van begin tot eind.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links