CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2013

 

Bruckner: Mis nr. 3 in f

Lenneke Ruiten (sopraan), Iris Vermillion (mezzosopraan), Shawn Mathey (tenor),
Franz Josef Selig (bas), Rundfunkchor Berlin,
Orchestre de la Suisse Romande
o.l.v. Marek Janowski

PentaTone PTC 5 5186 501 • 63' •

Opname: juni 2012, Victoria Hal, Genève

   

Het belang dat Bruckner hechtte aan zijn derde en laatste mis en het feit dat het (volgens Hans Ferdinand Redlich) in zekere zin een zorgenkind was, wordt alleen al weerspiegeld door de maar liefst vijfentwintig jaar waarin hij, zij het met tussenpozen, het werk meerdere malen onderhanden nam. Over de compositiedata zijn verschillende lezingen in omloop, maar met een redelijke mate van betrouwbaarheid kan de periode tussen september 1867 en september 1868 worden genoemd. De eerste repetities kwamen al vrij rap na de voltooiing op gang: de Weense Hofmusikkapelle (aan wie het werk is opgedragen) begon onder Hofmusikkapellmeister Johann Herbeck (er wordt wel beweerd dat hij de compositieopdracht zou hebben verstrekt, maar daarvoor is tot heden geen enkel sluitend bewijs geleverd) al op 20 november met de instudering, dit met het oog op de eerste uitvoering op 22 of 29 november. Mogelijk waren de technische hindernissen aanzienlijk, want nog in januari 1869 waren de repetities in volle gang. Maar zelfs in dat jaar kwam er van een uitvoering niets terecht: Herbeck vond het stuk uiteindelijk veel te lang en hij gaf de voorkeur aan de uitvoering van de eerste mis in d. Misschien was het met die eerste uitvoering van de 'Grosse Messe' (zo stond het in de gedrukte partituur) nog veel later geworden als Bruckner niet zelf het dirigeerstokje ter hand had genomen en driehonderd harde guldens had neergelegd: op 16 juni 1872 klonk de mis onder zijn leiding in de Augustinerkirche (de Hofmusikkapelle was het exclusieve domein van het gelijknamige orkest), uitgevoerd door het Hofopernorchester. Dat betekende overigens niet dat Herbeck zich verder afzijdig liet: de in de 'gouden zaal' van de Musikverein gehouden generale repetitie vond zelfs nog deels onder zijn leiding plaats (tot het Credo), waarna Bruckner het stokje overnam. De tweede uitvoering, op 8 december 1873, vond wel in de Hofmusikkappelle plaats, zij het niet gedirigeerd door Herbeck maar door Bruckner.

Niet tevreden
Na de derde uitvoering, op 30 juli 1876, besloot Bruckner, blijkbaar ontevreden over zijn boreling en door de uitvoeringspraktijk daartoe op het spoor gebracht, tot een aantal wezenlijke veranderingen in de 'Urfassung'. Op 11 augustus noteerde hij aan het begin van het Kyrie 'rythmisch gut' en op 16 augustus aan het begin van het Gloria 'rhytmisch geändert'. Daarmee was het ‘correctiewerk’ niet gedaan, want bijna een jaar later nam Bruckner het Credo opnieuw onder handen, blijkbaar vooruitlopende op een uitvoering op 17 juni in de Hofmusikkapelle. In 1881 nam Bruckner het Credo nog maar eens onder handen, mogelijk met een volgende uitvoering (in ieder geval die op 30 april 1882) in het achterhoofd. Het moet voor degene die zich met het stemmenmateriaal bezig hield een ware crime zijn geweest om alle door Bruckner herhaaldelijk aangebrachte wijzigingen daarin te verwerken.

Josef Schalk
Na een uitvoering op 24 juni 1883 gaf Bruckner zijn kopiist Johann Noll de opdracht om een nieuw afschrift van de inmiddels behoorlijk getekende partituur te maken. Daarin treffen we twee data aan: 19 november 1883 (slot van het Gloria) en 29 november 1883 (slot van het Credo). In deze nieuwe partituur zijn alle door Bruckner daaraan voorafgaande wijzigingen terug te vinden. Was dit dan de definitieve ‘Fassung’? Helaas, de 'versieproblematiek' die zo innig met Bruckners muziek verbonden is en de verwarring daarover stak desondanks toch de kop op door van Josef Schalk, wiens bemoeienis zijn sporen achterliet in het door Noll gemaakte 'Reinschrift'. We kennen de gebroeders Josef en Franz Schalk met name van hun vele ingrepen in Bruckners partituren, en ook de Mis in f ontkwam er niet aan. In de briljante Bruckner-biografie van Cornelis van Zwol kunnen we lezen dat Josef Schalk op avonden van de Weense Akademische Wagner-Verein misdelen uitvoerde, daarbij begeleid door slechts een klein ensemble. Schalk schreef daartoe de partijen voor piano, orgel en/of harmonium, aangevuld met blazers en/of vioolsolo. Dat dit bij Bruckner niet eens in slechte aarde viel is niet zo verbazingwekkend, want de componist telde zijn knopen: de mis, zij het dan delen daarvan en een geheel andere bezetting dan die hem ooit voor ogen had gestaan, werd tenminste wel uitgevoerd! Die positieve houding jegens Schalk kantelde echter behoorlijk toen Bruckner via de achterdeur vernam dat dat Schalk een uitvoering van de mis met orkest voorbereidde en daarvoor stevige ingrepen in de partituur noodzakelijk achtte. Het laatste woog bij de arme componist veel zwaarder dan het eerste. Hoe ingrijpend die wijzigingen waren blijkt wel uit het feit dat Schalk het gehele jaar 1892 nodig had om de orkestpartijen naar zijn eigen hand te zetten. Wat niet wegneemt dat de uitvoering op 23 maart 1893 door de muziekkapel van Eduard Strauss voor zowel Schalk als Bruckner als een groot succes uitpakte.

Van 'Fassung' naar 'Fassung'
De eerste gedrukte uitgave van de Mis in f is weinig anders dan een 'Schalk-Fassung', waarin Bruckners oorspronkelijke materiaal ferm door de mangel is gehaald. Dat Bruckner daarmee niet heeft ingestemd blijkt zonneklaar uit een brief van 24 mei 1894 van Josef aan Franz Schalk. Daarin valt letterlijk te lezen dat de componist zich 'nog niet van de niet door hem geautoriseerde veranderingen bewust was'. Op deze 'Schalk-Fassung' volgden - aldus Van Zwol - vier, van elkaar alleen op details afwijkende uitgaven.

Van de later door Robert Haas (1944), Leopold Nowak (1960), Hans Ferdinand Redlich (1967) en Paul Hawkshaw (2005) verzorgde edities wordt alleen die van Hawkshaw (hij nam tevens het zeer gedetailleerde 'Revisionsbericht' voor zijn rekening) nu beschouwd als de echt definitieve editie, met twee versies in een band: die van 1883 en die van 1893. Dirigenten kunnen dus kiezen voor de ene of voor de andere versie (mogelijk zijn er zelfs dirigenten die zich aan beide versies wagen), waarbij het echter niet de bedoeling is dat zij - het is helaas een bekend gebruik - uit die twee versies weer een eigen versie samenstellen! Hawkshaw koos terecht vanuit wetenschappelijk oogpunt als ankerpunt Bruckners laatste versie uit 1893, met op de relevante pagina de nauwgezette vermelding van de afwijkingen met de versie uit 1883.

Marek Janowski: formidabele lezing
Het is bijna vanzelfsprekend dat voor de uitvoering op deze sacd de Hawkshaw-editie is gebruikt, en wel de versie uit 1893, wat mij niet alleen een voor de hand liggende, maar tevens correcte keus lijkt: immers, deze tien jaar later ontstane versie is echt Bruckners 'laatste woord' op dit gebied en bovendien op basis van hetgeen wetenschappelijk voorligt onomstreden.

 
 
Marek Janowski

Marek Janowski (74), inmiddels gepokt en gemazeld in het Bruckner-repertoire, komt met een formidabele lezing die van begin tot eind fascineert, zij het dat die minder 'metafysisch' zo niet mystiek gekleurd is dan de eveneens imposante uitvoering onder Eugen Jochum. Wat beide uitvoeringen evenwel sterk bindt is hun symfonische allure en de overweldigende grandeur die Bruckners melodische en harmonische architectuur buiten de gewone aardse orde plaatst. Het is niet, zoals bij Celibidache, dat bijna de gehele kosmos zich begint te roeren, maar zowel Janowski als Jochum leveren schoolvoorbeelden van het creëren van grote spanningsbogen, van lange adem en – aan de basis daarvan - van perfecte timing, onder meer in de opbouw én afbouw van de climaxen. Dit zijn dirigenten die tot in detail vertrouwd zijn met Bruckners ‘Periodenbau’.

Superieur
Bruckners religiositeit en de daarmee samenhangende symfonische grandeur blijft onverminderd in stand, ze gaan in zekere zin hand in hand, zelfs als hij uiteindelijk twijfelt aan God, aan zichzelf en aan de wereld, en de catastrofe die daarvan het gevolg is in de muziek zich een weg baant (Negende symfonie). Zo sterk is zijn architectuur, zo hecht zijn kathedralen dat zijn muziek in haar diepste kern alles overstijgt. Als dirigent, als orkest moet die indruk ook worden gevestigd en steeds weer bevestigd: dat dit muziek is die alles en iedereen overstijgt. En zo verloopt dat bij Janowski en zijn gehele ensemble, met in de voorste linie de vier solisten die ieder voor zich zowel het gloedvolle, gepassioneerde als het lyrische en esoterische karakter feilloos weten te treffen, daarbij geholpen door een vocalistiek waarvan de puurheid in bijna iedere noot doorklinkt. Het koor, zo'n zestig heren en dames sterk, zingt alsof het werk hen zit aangekleefd, zo overtuigend komt het uit de luidsprekers. Men hoort het, zij zijn volkomen zeker van hun zaak (inzetten!), het spectrum varieert van diepe glans tot gelaagde schittering, met superieure dictie, de techniek ruimschoots voorbij. Een soortgelijk beeld bij het orkest dat zijn gouden dagen lijkt te beleven, fraai in balans, harmonisch messcherp, ritmisch alert, met innemende soli en zich vaak letterlijk boven de partijen verheffend of alleen maar kalm zwevend in een nauwelijks wervelende stroom. Een ogenschijnlijk klein detail in de vele repeterende strijkersiguren (en dat zijn er, typisch bruckneriaans, ook in deze mis heel wat!), genuanceerd aangebrachte fijne schakeringen of juist dat anders ondergesneeuwde motiefje in de bas zetten de maatstaf ver weg van de routine. Janowski besteedde ook veel aandacht aan de ritmische pregnantie, waardoor het geheel een frisheid heeft en houdt die ik op sommige momenten in de uitvoering onder Jochum (zoals in het Credo), hoe goed die ook is, moet missen. Janowski is volkomen overtuigend in zijn onderscheid tussen de 'aardse' en de 'hemelse' Bruckner, niet is gekunsteld, integendeel: contrasten en klankraffinement hebben een naturelle signatuur, de muziek kan daardoor bovendien optimaal ademen en zijn de panorama's daardoor overweldigend.

Jochum
Absoluut, Jochum met zijn bijna uit het niets komende tempoversnellingen en -vertragingen, de voortstuwende ritmiek en uiterst spirituele vergezichten, kan het postuum opnemen tegen Janowski, maar ook deze nieuwkomer verdient het om regelmatig uit de kast te worden gehaald, waarbij ook de geweldige opnamekwaliteit van deze PentaTone-uitgave best wel behoorlijk wat gewicht in de schaal legt. Ruim, breed en sonoor, naturel in de beste betekenis van het woord, zonder opgelegd dynamisch pandoer, maar precies zoals een werk als dit in de huiskamer zou moeten klinken.

Kosmos
En Celbidache? Ik schreef het al eerder, dat was en blijft een verhaal apart. Zelden zal er een dirigent zijn geweest (misschien zelfs wel helemaal niet, dus ook niet buiten het bereik van onze discografische geschiedenis!) die zo langzaam liet spelen en daarbij iedere streng zo vast in handen hield. Die geen duimbreed wilde wijken voor zijn visie, zich aan niemand iets gelegen liet liggen, ook niet aan zijn (en dat waren er vele!) critici. Voor hem gold hetzelfde als voor Hans Vonk: een criticus is als een vreemdeling die je op straat tegenkomt en die je spontaan zomaar een klap in het gezicht geeft met als enige argument: "zo, die heb je verdiend." Daarmee komt het enfant terrible in beeld, iemand die bereid was om voor zijn visie door roeien, ruiten en deuren te gaan, maar die - zo vond hij - als geen ander in staat was om tot diep in Bruckners symfonische uitspansel door te dringen. Celi, die toch vooral het mystieke, geheimzinnige, duistere, broeierige in Bruckner zocht. Celi, die met ‘zijn’ Bruckner de tijd stilzette en de kosmos tot klinken wilde brengen, waardoor zijn vertolkingen tot een transcendente belevenis konden uitgroeien. Dat hij daarin zowel bewonderaars als verguizers op zijn weg vond, hoeft geen betoog. Een van de meest aansprekende voorbeelden van 'Celi's kunst' is de wijze waarop hij de finale van Bruckners Vierde symfonie, in zijn EMI-live-opname met de Münchner Philharmoniker, gestalte geeft, en dan met name aan het slot, vanaf 'Sehr zurückhaltend', wanneer onder persende strijkers (de es en f klinkt in alle andere opnamen die ik ken, van Jochum tot Wand, van Walter tot Böhm, van Karajan tot Rattle, bijna achteloos; bij Celi daarentegen als ontzagwekkend fundament waarboven het monumentale koperthema zich tergend langzaam tot een groots visioen mag ontvouwen en naar een apotheose voert die zijn gelijke niet kent. Céli's Bruckner: alsof een vuist op aarde valt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links