CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2016

 

Bruckmann: Introduktion und Rondo für Violoncello und Klavier - Sechs Bagatellen für Klavier solo - Fünf Bagatellen für Violine und Klavier - Suite für Klavier vierhändig - Sonaten Nr. 1 & Nr. 2 für Violine und Klavier - Epilog für Violine solo - Fantasie 'In Memoriam' für Violine und Klavier - Italienische Suite für Klavier vierhändig

Kayako Bruckmann (viool), René Berman (cello), Michael van Krücker en Heinz Walter Florin (piano)

TYXart TXA14041 • 67' •

Opname: april 2014, Auditorium Waldorfschule, Krefeld (D)

www.tyxart.de

   

 
 
Ferdinand Bruckmann

Van de Duitse componist Ferdinand Bruckmann kan ik u uit eerste hand helaas weinig vertellen, maar gelukkig biedt het cd-boekje uitkomst. Hij werd in 1930 in Mülheim an der Ruhr geboren. Van 1950 tot 1957 studeerde hij piano en klarinet, en bij Frank Martin compositie aan het conservatorium van Keulen. Naast een drukke concertpraktijk was hij van 1964 tot 1968 pianodocent aan het conservatorium van Osaka. In 1968 volgde zijn benoeming aan de kunstacademie aldaar. Teruggekeerd in Duitsland aanvaardde hij een leeropdracht aan de universiteit van Essen, en in 1978 aan die van Duisburg. Daarnaast is hij docent aan de muziekschool van Krefeld. Bruckmann woont tegenwoordig in Kempen, samen met zijn echtgenote, de Japanse pianist Yoko Fujimoto. Hun dochter, de violiste Kayako, is lid van het filharmonisch orkest van Lübeck (ze speelt op deze cd tevens werk van haar vader). Bruckmann schreef pianowerken, kamermuziek voor uiteenlopende bezettingen, liederen, orkestwerken (onder andere twee symfonieën) en concerten (waaronder vier pianoconcerten en een concert voor koto en strijkers). De op deze cd vertegenwoordigde composities werden door de componist van een toelichting voorzien.

Het eerste werk, Introductie en Rondo voor cello en piano, ontstond in 1953, nog tijdens Bruckmanns conservatoriumtijd. Oorspronkelijk gedacht voor hobo en piano bleek de cello rijker aan dynamische mogelijkheden, maar net zo 'sangfreudig' als de hobo. Beide versies hebben hun eigen bestaansrecht.
De zes Bagatellen voor piano ontstonden, met uitzondering van de eerste (1952) in 1961. Ze waren oorspronkelijk getiteld 'Zes kleine etudes', maar Bruckmanns toenmalige uitgever vond dat geen verkoop bevorderende titel. Zo kwam de term 'Bagatellen' in beeld. De zes miniaturen behandelen ieder een specifiek aspect van bekende pianistische problemen, met achtereenvolgens het handgewricht, de linkerhand alleen, ritme en staccato, spanning, souplesse en de zijdelingse beweging van het handgewricht. Mits ingestudeerd in een rustig tempo kunnen de oefeningen ook veel nut bewijzen voor leerlingen van gemiddeld niveau. Daarnaast zijn ze - in onderlinge samenhang en in de voorgeschreven tempi uitgevoerd - als voordrachtstukken voor concertgebruik bedoeld. In dit geval is de volgorde van uitvoering 1-2-3-4-6-5.
De zes Bagatellen voor viool en piano ontstonden in 1959, maar werden pas in 1966 voor het eerst publiek uitgevoerd, in het Goethe-Instituut in Osaka. De eerste druk verscheen eveneens laat, in 1980. De vijf deeltjes zijn getiteld Introductie, Nocturne, Scherzino (een hommage aan Fr. K., met als motto 'De houtworm', anobium pertinax, naar een gedicht van Friederike Kempner), Intermezzo en Rondo (met daarin tevens een nauwelijks te missen een verwijzing naar Tsjaikovski's Vioolconcert).
De Suite voor piano vierhandig (1957) stoelt op slechts twee tonen: E en Dis. De compositie staat in de traditie van stukken als Anton Diabelli's 'Jugendfreuden' op. 163, waar de speler van de primo-partij vrij eenvoudige opgaven onder de knie moet krijgen. De secundo-partij is beduidend lastiger. De Suite is zowel geschikt voor onderwijs en concours als voor concert.
De beide volgens de regels van de twaalftoonstechniek gecomponeerde Vioolsonates (1958 en 1960) danken, evenals de Epiloog voor viool solo, hun ontstaan aan de samenwerking tussen Bruckmann en ene heer Alfred S.-E., bijgenaamd 'Don Alfredo', een begaafde amateurviolist die nogal veeleisend was waar het zijn pianopartner betrof (zoals de vermaarde pianist Hans Richter-Haaser). De moeilijkheidsgraad van de Tweede sonate mag best exorbitant worden genoemd, met zijn variaties over een basso continuo, een vroege vorm van de chaconne, culminerend in de quasi Weense wals van het slotdeel.
Epiloog (1962) is een driedelige klaagzang (Toccata, Serenade, Thema en variaties).
In Memoriam (1961) is eveneens driedelig (de delen gaan zonder onderbreking in elkaar over) met als thema afscheid en rouw. In de monoloog ontwikkelt zich in de eerste vier maten het leid(lijd)motief dat ook in de resterende twee delen een belangrijke rol vervult. Na het catastrofale slot van het openingsdeel fungeert de daarop volgende Tarantella als 'Verklärung' en wordt het stuk afgesloten met een aantal variaties dat is geïnspireerd op het thema van het tweede deel van Haydns Trompetconcert. De variaties vallen wonderlijk genoeg echter keurig binnen de mogelijkheden van de twaalftoonstechniek. De korte coda met haar starre kwartharmonieën, waarin ook het klassieke 'Seufzer'-motief zijn opwachting maakt, treedt - statisch als het is door het afzien van enigerlei harmonische ontwikkeling - met plastisch effect op de voorgrond.
Tot besluit de Italiaanse suite voor piano vierhandig. Het eerste deel is een groet aan Pisa, Valse oblique. De ondertitel 'Scheve wals' berust op de opeenvolging van de maatsoorten: twee driekwartsmaten met daarna een vierkwartsmaat die voortdurend wordt herhaald. We worden voortdurend herinnerd aan een draaiorgel. Pas tegen het slot wordt alles weer rechtgetrokken. In de daarop volgende Barcarolle is het aan de luisteraar om te bepalen of hier sprake is van een stijlkopie à la Liszt of van een parodie. Het derde en laatste deel, een Tarantella, is het meest Italiaans. De virtuoze wervelingen mogen zich koesteren in de warme Italiaanse zon.

Zowel het briljante als expressieve karakter van deze stukken valt of staat in algemene zin met de kwaliteit van de uitvoeringen, maar daar komt nog een belangrijke factor bij: overtuigingskracht, het gelóóf in deze stukken. Ik denk dat Ferdinand Bruckmann zich gelukkig mag prijzen met zoveel enthousiasme en overtuiging dat hier ten beste wordt gegeven. Dat geldt dan tevens voor minder toegankelijk werk als de beide Vioolsonates die naar strekking en inhoud een vergelijking met Arnold Schönberg uitstekend kunnen doorstaan. Alle op deze cd vertegenwoordigde werken zijn nog nooit eerder opgenomen, wat deze uitgave extra aantrekkelijk maakt. De uitstekende opname doet de rest. Het loont zich vaak om af te wijken van platgetreden paden. Dan worden niet alleen musici maar ook de luisteraars beloond!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links