CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2021

Bach | Brahms - Complete works for Viola and Piano

Bach: Gambasonate nr. 1 in G, BWV 1027 - nr.2 in D, BWV 1028 - nr. 3 in g, BWV 1029 (bew. voor altviool)

Brahms: Altvioolsonate in f, op. 120 nr. 1 - in Es, op. 120 nr. 2

Daniel Palmizio (altviool). Nicolas van Poucke (piano)
Zefir ZF 9677 • 47' + 46' • (2 cd's)
Opname: febr. 2019, Zeeuwse Concertzaal, Middelburg

   

Het komt niet vaak voor dat ik een album in handen krijg waarin uitsluitend foto's zijn opgenomen en dus de toelichting op de uitgevoerde werken ontbreekt. Bijzonder fraaie afbeeldingen overigens, van zowel de beide musici als van de opnameleider, producer én eigenaar van het in Middelburg gevestigde Zefir Records. Wie echter voor het eerst kennismaakt met deze muziek zal die toelichting, de zogenaamde liner notes, mogelijk toch wel missen, al is er op het internet en zeker op onze site wel het een en ander over te vinden.

Brahms heeft zijn beide Klarinetsonates op. 120 zelf bewerkt voor altviool. Ik trap een open deur in met mijn vaststelling dat hij dat uitstekend heeft gedaan. De beide originelen waren tot in hun diepste vezels doortrokken van Brahms' liefde voor de klarinet, daarbij sterk geïnspireerd door Richard Mühlfeld, die volgens tijdgenoten een ware meester was op zijn instrument.

Nog vrij kort voordat Brahms Mühlfeld leerde kennen, leek hij uitgeblust, leeg, uitgeschreven. In 1890, hij was toen 57, schreef hij aan een vriend:

‘Es will nichts mehr werden. Ich war stets gewohnt, mir über alles klar zu sein. Mir scheint, es geht nicht mehr so wie bisher. Ich tue gar nichts mehr. Ich war mein Lebtag fleißig, nun will ich einmal recht faul sein.'

En na het voltooien van het Strijkkwintet op. 111 heette het:

‘Viel zerrissenes Notenpapier habe ich zum Abschied von Ischl in dem Traun geworfen.'

Zelfs in het zonnige Ischl, zijn toen favoriete vakantieverblijf in een idyllisch-landelijke omgeving, lukte het hem niet om ‘über alles klar zu sein.' Eenmaal weer terug in Wenen voltooide hij toch nog enige composities, zij het dat hij die al decennia eerder had geschetst, waaronder de bekende Deutsche Volkslieder, de meerstemmige vocale kwartetten op. 112 en de canons voor vrouwenstemmen op. 113.

 
 

Richard Mühlfeld (1856-1907)

We mogen ons dus zeker gelukkig prijzen dat Brahms nauwelijks een jaar later Mühlfeld had ontmoet en diep onder de indruk was geraakt van diens spel. Zozeer zelfs dat hij alle speltechnische mogelijkheden van het instrument wilde leren kennen. Het klikte tussen hen en al spoedig na die eerste kennismaking bracht Brahms vele uren bij Mühlfeld thuis door om zoveel mogelijk diens oefeningen op zijn instrument te kunnen volgen. Maar Mühlfeld spoorde Brahms ook aan om speciaal voor de klarinet nieuwe composities te schrijven, hetgeen nog in datzelfde jaar (1891) resulteerde in vier nieuwe hoogtepunten van de klarinetliteratuur: het Klarinettrio op. 114, het Klarinetkwintet op. 115 en de beide Klarinetsonates op. 120. Daarmee zijn het niet alleen de laatste kamermuziekwerken die Brahms componeerde, maar met de 'Vier ernste Gesänge' op. 121 tevens Brahms' laatste grote composities. De beide klarinetsonates heeft Brahms in 1895 samen met Mühlfeld voor het eerst uitgevoerd, maar ook nadien trad hij nog regelmatig met Mühlfeld op. Het tekent de relatie tussen beiden dat de recette van de gezamenlijke concerten zonder uitzondering naar de klarinettist ging: Brahms wilde er geen cent van hebben.

 
 

Brahms schonk Mühlfeld een set zilveren theelepels met monogram ten blijke van hun vriendschap.

Mühlfeld moet niet alleen een groot klarinettist zijn geweest, maar hij heeft ook bijgedragen aan de uitbreiding van de speltechnische mogelijkheden van het instrument. Vaststaat dat hij bij voorkeur gebruik maakte van een klarinet uit beukenhout, die was vervaardigd door de instrumentbouwer Georg Ottensteiner uit München. Het instrument had de bouw van de klassieke klarinet, maar met een aanzienlijk beter mechaniek en een warme, wat zoetige, maar heldere klank. Het verfijnde mechaniek maakte genuanceerd expressief spel mogelijk.

Het was Brahms zelf die de beide Klarinetsonates op. 120 omwerkte voor altviool. Wat voor de klarinet geldy, geldt eveneens voor de altviool, want ook in deze bewerking is bij wijze van spreken iedere noot doortrokken van Brahms' grote liefde voor het rijke, sonore timbre waaraan beide instrumenten mede hun zozeer verschillende karaktereigenschappen ontlenen. Natuurlijk, het is de klarinet die het bijna smeltende pathos als geen ander voor het voetlicht kan brengen (daarom ook schreef Brahms zijn beide sonates specifiek voor dit instrument!), maar die altvioolversie komt er toch dicht bij in de buurt. Maar ook: dankzij die bewerkingen zijn we twee (extra!) kamermuziekwerken rijker geworden die zonder voorbehoud thuishoren in de hoogst denkbare categorie.

Anders ligt het bij Bachs drie Sonates voor viola da gamba en klavecimbel. Hoewel er zekere klankmatige en speltechnische overeenkomsten zijn tussen de gamba en de altviool (bespannen met darmsnaren), zijn die er uiteraard niet tussen het klavecimbel en de eigentijdse Steinway. De luisteraar dient zich dus terdege te realiseren (als dat al bij voorbaat niet het geval is) dat hij door deze bewerking in een geheel andere wereld terechtkomt. Wat zich daarbij opdringt is dat voor de uitvoerenden het misschien wel zo verleidelijk geweest om die ‘andere wereld' (dan die van Brahms) op een andere wijze te verkennen dan vanuit de historiserende uitvoeringspraktijk. Wat deze vertolkingen ons dichter bij Brahms dan bij Bach brengt. Hhet beeld dat de beide musici aldus oproepen is dat van een aanzienlijk minder barokke speelstijl ten faveure een stijl die meer raakvlakken heeft met die van de tweede helft van de negentiende eeuw. Waar Bach de vele wendbare melodielijnen een eigen en altijd weer bijzonder cachet heeft meegegeven, overheerst in deze uitvoering de lang(er) uitgesponnen zangerigheid, een meer statisch gevoede expressie. Wat naar mijn gevoel losstaat van de bewerkingen zelf. Overigens is de Sonate BWV 1027 een door Bach zelf bewerkte versie van de Sonate BWV 1039 voor twee fluiten en basso continuo. In BWV 1027 is de eerste melodielijn daarom aan de gamba en de tweede aan het klavecimbel (rechterhand) toebedeeld. De linkerhand, de bas, reflecteert het basso continuo-karakter.

Zeker in de laatste Sonate, BWV 1029, domineert in de hoekdelen het concertante, bruisende karakter en hebben de beide musici desondanks toch gekozen voor een meer uitgesponnen benadering die daardoor minder recht doet aan dat oorspronkelijk concertante karakter. Puur bezien vanuit aldus de opgeroepen ‘atmosfeer' lijkt Bach verder weg en Brahms juist dichterbij. Waar ik gelijk aan toevoeg dat de beide Brahms-sonates in een bijzonder fraai licht zijn geplaatst, afwisselend contemplatief en intiem, maar ook uitbundig of explosief, de rubati en accelerandi net zo natuurlijk uitgewerkt als dat geldt voor de fraseringen en de dynamische contouren. Overtuigend zijn ook de spanningsbogen die beiden erin hebben gelegd (wat tevens de muzikaliteit van de editor nog eens uitdrukkelijk bevestigt!) Hun opvatting over deze beide Brahms-sonates past deze muziek als een handschoen, wat ik van de drie Bach-sonates dus niet kan zeggen. Wat niet wegneemt dat ik veel respect heb voor hun wel degelijk goed overdachte interpretatie (voor de Italiaanse altviolist Daniel Palmizio is dit tevens zijn debuut-cd). Hun vertrekpunt lag althans wat de Bach-sonates betreft gewoon anders dan ik had geprefereerd. De opname getuigt zoals altijd bij Zefir van topklasse.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links